Digitale vooruitgang : Een nieuwe weg

Vijftien jaar geleden begon ik te bloggen over technologie en haar invloed op samenleving, overheid, sport en persoonlijk leven. Het vertrouwen van toen heeft geleidelijk plaatsgemaakt voor wantrouwen en inmiddels heb ik afscheid genomen van alle sociale media. In deze serie schets ik die weg;. Dit slotdeel gaat over mijn afscheid van sociale media en over de nieuwe weg die voor ons ligt.

De toon verhardt

Het afscheid voltrok zich in etappes. Facebook had ik al eerder verwijderd. Toen ik voor een Sinterklaasintocht schreef dat een ongestoord kinderfeest mij belangrijker leek dan het demonstratierecht van antipieten, schrok ik van de agressieve reacties. De sociale interactie waarvoor ik ooit was gekomen, was vervangen door algoritmen die verontwaardiging belonen. De documentaire The Social Dilemma gaf het laatste zetje. Wat oud-medewerkers uit Silicon Valley daarin bekenden, wist ik eigenlijk al: alles draait om verslaafd maken en gedrag beïnvloeden, want daaraan wordt verdiend. Er zijn maar twee bedrijfstakken die hun klanten gebruikers noemen: drugs en software.

Afgekickt

Ik verwijderde de apps van mijn telefoon en miste tot mijn verrassing niets. Ik schakelde over op betaalde en privacyvriendelijke alternatieven, van Signal tot DuckDuckGo, en doneerde aan Wikipedia. Silicon Valley-pionier Jaron Lanier had gelijk gekregen: verbonden zijn was verslaving geworden en er helemaal uitstappen de enige optie. Al besefte ik hoe geprivilegieerd die keuze is. In een peiling in mijn netwerk zei ruim tweederde best een euro per maand te willen betalen voor een privacyvriendelijk alternatief, maar het gebruik van sociale media bleef onveranderlijk hoog en de beurskoers van Facebook verdubbelde dwars door alle schandalen heen. Wie voor werk, school of vereniging afhankelijk is van de platforms, zit gevangen in hun monopolie. De likes verruilde ik voor kudos op Strava. Nog steeds een verslaving, maar een gezonde.

Verbieden of verantwoord gebruik

Wantrouwen mag alleen geen eindstation zijn. Toen een staatssecretaris in 2023 ChatGPT voor rijksambtenaren wilde verbieden, herkende ik de reflex van de Donnerbrief uit 2011, die de publieke cloud in de ban deed. Het resultaat destijds: hogere kosten, grotere achterstand en een achterdeur die toch openstond. Simpelweg verbieden remt innovatie en pakt averechts uit. De opgave is verantwoord gebruik, met spelregels die worden gehandhaafd.

Perspectief: begin bij de kinderen

Die spelregels zijn het hardst nodig voor de generatie die nu opgroeit in een digitale omgeving die vrijwel volledig door Big Tech wordt vormgegeven. Platformen als TikTok en Instagram beïnvloeden kinderen diepgaand in hun zelfbeeld en wereldbeeld. Bescherming begint dicht bij hun leefwereld: smartphonevrije scholen zijn uitvoerbaar en effectief, ouders verdienen steun bij de digitale opvoeding en privacyvriendelijke, kindgerichte platforms verdienen een kans. De sleutel ligt vervolgens bij Europa, want de AVG heeft bewezen dat Europa Big Tech kan bijsturen. De meest veelbelovende route is het reguleren van schadelijke algoritmes. Leg de verantwoordelijkheid niet bij het kind dat zich online moet identificeren, maar bij de producent. Zoals speelgoed aan veiligheidsnormen moet voldoen, kunnen digitale producten worden getoetst op kindveiligheid: transparante aanbevelingssystemen, geen eindeloos scrollen, geen misleidende ontwerptrucs. Apps hoeven daarvoor niet verboden te worden, zolang zij standaard veilige modi inbouwen en ouders aanvullende instellingen laten beheren.

De spiegel is helder

De serie Black Mirror, ooit sciencefiction, houdt ons die spiegel al jaren voor: wat begint als gemak, eindigt als afhankelijkheid. De cirkel is rond, maar niet gesloten. De participerende burger, de mondige consument en de verrijkte sportbeleving waren geen valse idealen. Ze zijn gekaapt door verdienmodellen die wij te laat doorzagen. Mijn vertrouwen in de technologische ontwikkelingen ben ik kwijt. Mijn vertrouwen dat wij er iets aan kunnen doen niet. De spiegel is helder, maar wat doen wij ermee?

Digitale vooruitgang : De keerzijde

Vijftien jaar geleden begon ik te bloggen over technologie en haar invloed op samenleving, overheid, sport en persoonlijk leven. Het vertrouwen van toen heeft geleidelijk plaatsgemaakt voor wantrouwen en inmiddels heb ik afscheid genomen van sociale media. In deze serie schets ik die weg. Dit derde deel gaat over de jaren waarin de keerzijde zichtbaar werd.

Op zoek naar problemen

Rond 2016 veranderde de toon van mijn blogs. De maatschappelijke impact van technologie bleek moeilijk te voorspellen, schreef ik, denkend aan de wasmachine die niet de huisvrouw hielp maar de emancipatie versnelde. Maar de vraag eronder werd scherper: wat is eigenlijk de maatschappelijke relevantie van al die innovaties? Nieuwe technologische oplossingen waren naarstig op zoek naar maatschappelijke problemen, in plaats van andersom.

De machines kennen ons

Toen ontdekte ik hoe goed de machines mij kenden. Amerikaanse onderzoekers bouwden een algoritme dat persoonlijkheid voorspelt uit sociale media. Ik voerde mijn 3.232 tweets in en kreeg binnen seconden een rapport dat vrijwel identiek was aan de uitslagen van psychologische tests die ik ooit met vragenlijsten had gedaan. Vanaf zeventig likes kent Facebook je beter dan je vrienden. Zolang je zulke analyses zelf onder ogen krijgt, is er weinig aan de hand, schreef ik. Het wordt een ander verhaal als bedrijven en overheden ermee aan de haal gaan. Dat verhaal kwam er. Blind vertrouwen op zelflerende software bleek sowieso onverstandig: Microsofts chatbot Tay vergaloppeerde zich binnen een dag aan racistische uitspraken, en de logica achter de algoritmen bleef een black box die niemand kon verklaren.

Orwell nabij

Gezichtsherkenning maakte de dreiging tastbaar. Facebook beschikte over 1,4 miljard gescande gezichten, gekoppeld aan echte identiteiten. In het Chinese Shenzhen werden voetgangers die door rood liepen automatisch geflitst, geïdentificeerd en bij herhaling op een zwarte lijst gezet, als onderdeel van een sociaal kredietsysteem waarin ook online gedrag, betaalgedrag en contacten meetellen. Een Chinese politicus liet zich ontvallen dat Orwells 1984 nabij was. Dat was ver weg, maar ook dichtbij: onze eigen politie experimenteerde met dezelfde technologie, en achter de schermen beoordeelden algoritmen sollicitatiebrieven en klantvragen. Computer says no.

De genadeklap

De genadeklap voor mijn vertrouwen kwam met Cambridge Analytica. De documentaire The Great Hack liet zien hoe twijfelende kiezers in een handvol Swing States met een leugenachtig berichtenbombardement over de streep werden getrokken. Sinds Facebook kunnen we geen normale verkiezingen meer hebben, concludeerde de journalist die het schandaal onthulde. Manipulatie bleek bovendien een consumentenproduct: voor 49 dollar kon iedereen online een campagne kopen om de eigen partner of collega drie maanden lang met nepberichten te bestoken. En op LinkedIn verzamelde de door AI gefabriceerde nepvrouw Katie Jones moeiteloos connecties in de top van de Amerikaanse politiek.

Handelswaar

Het patroon was niet meer te ontkennen. De data die wij argeloos achterlieten waren verworden tot handelswaar. Het internet was niet langer de vrije publieke ruimte die mensen verbindt, maar het domein van partijen die gebruikers primair zien als product en pas daarna als klant. De participerende burger uit mijn vroege blogs bleek een profiel in andermans database, de mondige consument een doelwit voor gerichte beïnvloeding. Ik schreef nog hoopvol over Europese regels en een mensgericht internet. Maar zelf stond ik intussen voor een persoonlijker vraag: hoe lang blijf je deelnemen aan een systeem waarvan je weet hoe het werkt?

Digitale vooruitgang : Meten is weten

Vijftien jaar geleden begon ik te bloggen over technologie en haar invloed op samenleving, overheid, sport en persoonlijk leven. Het vertrouwen van toen heeft geleidelijk plaatsgemaakt voor wantrouwen en inmiddels heb ik afscheid genomen van sociale media. In deze serie schets ik die weg. Dit tweede deel gaat over technologie in sport en persoonlijk leven, waar de eerste barstjes zichtbaar werden.

Sport verrijkt

Nergens was mijn enthousiasme groter dan in de sport. Uit onderzoek bleek dat sporters bovengemiddelde sociale media gebruikers waren en dat berichten op sociale media jongeren aanzetten om meer te bewegen. Terwijl sporters permanent online waren, communiceerden veel clubs nog via clubblaadjes per post. Vijfendertig jaar lang viel het blad Roeien bij mij op de mat, tot na 74 jaar het doek viel. De Roeibond zette in op sociale media en lanceerde met de hoofdsponsor een roeigame waarmee sportschoolbezoekers virtueel over de Theems of de Bosbaan konden roeien. Zo kon indoor-roeien een opstap worden naar de vereniging. Dit was precies wat ik voor ogen had: technologie die de sport verrijkt en verbindt.

King of Mountain Verse Eieren

Ook mijn eigen trainingen werden data. Onze vaste roeitrajecten op de Vliet maakte ik aan als segmenten in Strava. Tussen de molens en bruggetjes roeiden wij onze intervallen, en voortaan stonden de tijden in een klassement, compleet met concurrentie van studenten en andere verenigingen. Op het traject naar de boerderij die allang geen eieren meer verkocht, mocht ik mij King of Mountain Verse Eieren noemen. Het mat, het motiveerde en het was vermakelijk.

Digitale epo

Maar juist in dat gemeten leven diende de twijfel zich aan. Cijfers liegen niet, dacht ik, tot ik fietsers met veertig kilometer per uur een col zag bedwingen. Digitale epo bleek te koop: je uploadt een trackbestand en verhoogt de snelheid met ieder gewenst percentage. Ik probeerde het zelf en was voor even koploper op een klim waar ik in werkelijkheid was gelost. Als data zo eenvoudig te manipuleren zijn, wat zijn klassementen dan waard? En belangrijker: maakte al dat meten ons eigenlijk gelukkiger? Het sociale gevoel van samen presteren, de ochtendnevel boven het water, dat laat zich niet in getallen vatten.

Intieme technologie

De volgende stap riep grotere vragen op. Sensoren kropen dichter op de huid: smart shirts die hartslag en bloeddruk registreren, gps-schoenen, slimme pleisters. In een Zweeds kantoorgebouw liepen proeven met chips onder de huid, in ruil voor gebruiksgemak. Ik schreef destijds een geruststellende zin die ik nu anders lees: zonder onderhuidse chip kunnen we nog zelf beslissen of we gevolgd willen worden, straks hebben we die keuze wellicht niet meer.

Tegelijk zag ik wat er te winnen viel. Ik schetste het scenario van een fietser die op een duintop onwel wordt, waarna zijn smartphone alarm slaat en vrijwilligers met een AED binnen enkele minuten ter plaatse zijn. Continue monitoring kan levens redden, dat stond en staat voor mij vast. Maar daar begon het ook te schuiven. Mijn sporthorloge meet 24 uur per dag mijn hartslag. Handig voor de training, maar wat als mijn zorgverzekeraar die gegevens wil gebruiken voor premie en risicotoeslag? De technologie die mijn sportbeleving verrijkte, bleek dezelfde die mijn lichaam omzette in handelswaar. De vraag wie er meekeek liet zich niet meer wegdrukken. Het antwoord zou de jaren daarna harder aankomen dan ik vermoedde.

Digitale vooruitgang : De belofte

Vijftien jaar geleden begon ik te bloggen over technologie en haar invloed op samenleving, overheid, sport en persoonlijk leven. Ik geloofde in de belofte van sociale media: een participerende burger, een mondige consument en een verrijkte sportbeleving. Mijn netwerk groeide tot boven de tienduizend volgers op Twitter. Inmiddels heb ik afscheid genomen van sociale media. Het vertrouwen in technologische vooruitgang heeft geleidelijk plaatsgemaakt voor wantrouwen. Hoe is dat zo gelopen? In vier blogs schets ik die weg, aan de hand van wat ik afgelopen vijftien jaar schreef. Dit eerste deel gaat over de jaren van optimisme.

Debuut op Mindz.com

Mijn debuut als blogger maakte ik op het platform Mindz.com met een verhaal over Nederland als Calimero in Europa. Het werd uitgeroepen tot beste blog van het weekend. De prijs bestond uit twee boeken, een usb-stick en een set golfballen. Veel belangrijker was de waardering en de aanmoediging om te blijven schrijven. Er ging een wereld voor mij open: voortaan kon iedereen publiceren zonder tussenkomst van een professionele redactie. Kennis delen met gelijkgestemden, discussiëren met vakgenoten, een netwerk opbouwen dat verder reikte dan de eigen werkkring. Delen was het nieuwe vermenigvuldigen.

Gadgetfreak

Die fascinatie voor nieuwe media zat er bij mij al vroeg in. In ons ouderlijk huis was geen plaats voor een televisie. Mijn vader vond de televisie geestdodend en een aanslag op het familieleven. In de woonkamer werd klassieke muziek gedraaid, gelezen en gescrabbeld. Zo groeide ik op zonder Pipo de Clown en Swiebertje. Die achterstand heb ik ruimschoots ingelopen. Uit nijd om wat mij in mijn jeugd was onthouden, kocht ik als een van de eersten een PC, een smartphone en een tablet. Ik wilde er meteen bij zijn als er iets nieuws werd gelanceerd.

Netwerksamenleving

Het ging mij daarbij niet om de gadgets zelf, maar om de paradigmaverschuiving die zij aankondigden. Het initiatief verschoof naar burgers en consumenten. Wij leefden niet langer in een hiërarchisch geordende samenleving maar in een netwerksamenleving, waarin mondige burgers hun weg wisten te vinden. Sociale media speelden een hoofdrol in de nieuwsvoorziening over de protesten in de Arabische wereld. Consumenten konden zich via vergelijkingssites en recensies eindelijk weren tegen aanbieders. Binnen de familie versterkten Hyves en Facebook het onderlinge contact. Sociale media, mobiele technologie, big data en de cloud waren in mijn ogen de aanjagers van een opkomende deeleconomie die de verhoudingen tussen overheid, samenleving en bedrijven blijvend zou veranderen.

Politici moeten luisteren

Van de overheid en de politiek verwachtte ik dat zij zouden meebewegen. Toen de Raad voor het Openbaar Bestuur in 2012 adviseerde over sociale media in de democratie, was mijn kritiek niet dat de Raad daarin te ver ging, maar dat de focus verkeerd was. De aanbevelingen waren open deuren: sociale media opnemen in de communicatiestrategie, portalen en communities opzetten. Alsof de samenleving zat te wachten op nog een MijnOverheid.nl. Mijn boodschap was een andere: politici moeten minder zenden en meer luisteren. De technologie maakte het eindelijk mogelijk om signalen uit de samenleving direct op te vangen.

Waar zat het wantrouwen?

Terugkijkend valt mij op waar mijn kritiek zich destijds op richtte. Niet op de technologie, maar op de instituties. De platforms waren in mijn ogen neutrale kanalen, de bemoeienis van de bedrijven erachter was beperkt en de toon van de berichten overwegend positief. Het probleem waren de trage overheden en de dove politici die de kansen lieten liggen. Dat de kanalen zelf een agenda konden krijgen, dat de neutraliteit een verdienmodel zou blijken, die gedachte kwam toen nog niet in mij op. Wie waarschuwde voor de zwarte kant van sociale media, zette ik weg als onheilsprofeet. Was dat naïef, of was er toen werkelijk nog iets te kiezen?