De berg die mij nooit meer losliet

Wie vanuit het Rhônedal de Vaucluse binnenrijdt, ziet hem al van ver. De Mont Ventoux torent boven de wijngaarden en lavendelvelden uit als een reus die het landschap in de gaten houdt. Bijna veertig jaar geleden zag ik hem voor het eerst en sindsdien laat de berg mij niet meer los. Inmiddels sta ik op vijfenzeventig beklimmingen, en nog steeds lokt de kale top elke zomer opnieuw.

1987: een eerste kennismaking in de mist

In de zomer van 1987 stond de Ventoux nog op mijn verlanglijstje. De Alpen en de Pyreneeën had ik al gefietst, maar de wielerverhalen over deze loodzware klim maakten het verlangen alleen maar groter. Een paar dagen eerder was de tijdrit van de Tour de France verreden, van Carpentras via Bédoin naar de top. De namen van de renners stonden nog vers gekalkt op het wegdek: Mottet, Delgado, Fignon, Breukink, Jeff.

De eerste kilometers vanuit Bédoin gingen vlot, tot na de haarspeldbocht bij Saint-Estève het echte klimwerk door het bos begon. En toen stak er plots een potdichte mist op. Zelfs de bomen langs de weg verdwenen uit zicht. Ik moest mij oriënteren op de witte streep rechts van het wegdek om überhaupt op de weg te blijven. Bij Chalet Reynard reed ik bijna het terras op. Na anderhalf uur klimmen kwam ik verkleumd en uitgeput boven, zonder ook maar iets van het beroemde maanlandschap te hebben gezien.

De tijdrit was gewonnen door Jean-François Bernard, in een recordtijd van 58 minuten en 2 seconden. Hij pakte er de gele trui mee en leek op weg naar de Tourzege, tot de pech hem een dag later inhaalde. Zo leerde de Ventoux mij meteen zijn eerste les: op deze berg wordt niets cadeau gegeven.

2001: een klap uit het niets

Dat de berg ook grimmig kan zijn, ondervond ik op 12 augustus 2001. Vanuit de Luberon fietste ik richting Sault om van daaruit de Ventoux te beklimmen. In de klim naar het stadje voelde ik plotseling een harde klap op mijn linkerbil. In mijn ooghoek zag ik een motorrijder onderuitgaan, meters doorschuiven over het asfalt en roerloos blijven liggen. Ik hield de eerste auto aan, liet de weg blokkeren en het alarmnummer bellen. Zijn vrienden verzekerden mij dat ik keurig rechts had gereden. Het slachtoffer zelf, zwaargebouwd en niet meer in staat te bewegen, schreeuwde ondertussen herhaaldelijk “putain de cycliste” over de weg.

Wat volgde was een verhoor op het politiebureau, een dagvaarding een half jaar later en een Franse rechtszaak die zich jaren voortsleepte. Vier jaar na het ongeluk kwam het verdict: ik zou de motorrijder omver hebben geduwd en moest alle schade vergoeden. De Ventoux heb ik die dag niet gehaald. In de verte pakten de onweerswolken zich al samen boven de berg, alsof hij wilde zeggen dat het die dag toch niets was geworden.

2012: samen met David naar boven

Elf jaar later kreeg de berg een nieuwe betekenis. Mijn zoon David, toen vijftien, had dat jaar belangstelling gekregen voor de racefiets. Via Marktplaats kochten wij een mooie Bianchi en in de duinen oefenden wij het wielrennen. Hij viel een paar keer omdat zijn schoen niet tijdig uit de klikpedaal kwam, maar stuurde behendig en hield moeiteloos mijn wiel.

Die zomer fietsten wij samen in één ruk naar de top van de Mont Ventoux. Geen voet aan de grond, want anders telt de beklimming niet. Met die prestatie verbaasde hij zichzelf en zijn trotse ouders. Opgeven bleek geen optie, en dat is misschien wel de belangrijkste les die deze berg aan een vader en een zoon kan meegeven. Het leven is als fietsen: om je evenwicht te houden, moet je in beweging durven blijven.

2017: wandelend in de voetsporen van Petrarca

Vijf jaar later stond ik opnieuw met een zoon op de berg, dit keer te voet. Paul, toen zeventien, en ik namen ons voor de Ventoux wandelend te verkennen, zoals de Italiaanse dichter Petrarca dat al in 1336 deed, “louter uit begeerte om zijn bijzondere hoogte in ogenschouw te nemen”.

Vanaf Mont-Serein hield Paul het tempo hoog. “Ils montent trop vite”, hoorde ik een groep Franse wandelaars achter ons mopperen. Via de GR9 liepen wij over een smalle richel door de steenvlakte, langs een kudde schapen met waakzame honden, naar de kale kam met de toren in zicht. Op de top trakteerden wij onszelf in café Vendran op tarte aux myrtilles en warme chocolademelk. Ruim dertien kilometer in drie uur en tweeënveertig minuten; Petrarca had er destijds meer dan twintig uur voor nodig. Al fietsend zie je vooral asfalt en de top die dichterbij komt. Wandelend openbaart de berg pas echt zijn schoonheid.

En elk jaar opnieuw

Sindsdien is de zomer niet compleet zonder de Ventoux. Elk jaar keren wij terug naar de Provence, met fietsvrienden of met familie. We hebben er vaste rituelen opgebouwd. Bij het uitzichtpunt over de Pays de Sault maken wij jaarlijks onze familiefoto’s. We bezoeken de markten van Vaison-la-Romaine en Bédoin, fietsen door de Dentelles en de Gorges de la Nesque, en borrelen op het terras met uitzicht op de berg.

De Ventoux zelf verandert intussen mee. Waar ik in 1987 vrijwel alleen door de mist omhoog klom, beklimmen tegenwoordig jaarlijks honderdduizenden toeristen de berg en houdt Strava precies bij hoe snel iedereen boven is. De top werd gerenoveerd om al die drukte in goede banen te leiden. En de gevaren zijn gebleven: wie vanuit een vakantiehuis aan de voet van de berg dagelijks de ambulances omhoog ziet rijden, weet dat de reus respect verdient. Toch keer ik elk jaar terug, en de laatste jaren steeds vaker ook zonder per se de top te hoeven halen. Een rondje door de lavendelvelden, een wandeling op de flanken, een lunch met uitzicht op die witte top: het is allemaal Ventoux. Waarom die ene berg zo’n greep op een mens kan krijgen, weet ik na bijna veertig jaar nog steeds niet precies. Misschien had Petrarca het al goed gezien. Op de top ligt de bestemming van de reis, maar de begeerte naar die bijzondere hoogte begint elk jaar gewoon weer opnieuw.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.