Wicher Boissevain: ontginner van de Liberiaanse wildernis

Wicher Boissevain was general-manager rubberplantages in Liberia
Wij zitten in de ruime kamer van een eenvoudig prefabricated woning op ruim 100 km van de Liberiaanse hoofdstad, Monrovia. Het uitzicht is weids. Op de heuvels, kilometers ver in de omtrek, bevindt zich een nog geen twee jaar oude rubberaanplant met een totale oppervlakte van 2000 ha. Mijn gastheer, de heer Wicher Boissevain (1925-1981), die er met zijn Nederlandse vrouw en vier kinderen woont, maakt een verontschuldigend gebaar: “Nee, ik ben geen landbouwingenieur. Ik heb alleen de landbouwschool in Deventer, want vier jaar militaire dienst in Nederland en Indonesië hadden mij toch al achterop gebracht.” Uit zijn onopgesmukt verhaal blijkt wel dat het leven beslissingen verlangt, waarop men op geen enkele school afdoende kan worden voorbereid.
Geen water, geen licht, geen weg
Toen wij in 1957 uit Indonesië werden verjaagd konden wij in Nederland moeilijk aan de slag komen. De werkgevers wisten niet goed wat zij met ons aan moesten. Een collega van mij verzweeg ten slotte zijn diploma’s en ging in een pakhuis aan de arbeid. Maar omdat hij te hard werkte dreigden enkele mede-arbeiders hem in de gracht te gooien. Ik hoorde dat Amsterdam Rubber van plan was een rubberplantage te stichten in Liberia en greep mijn kans met twee handen aan. In 1959 trok ik in Liberia de ‘bush’ in, om het terrein te verkennen. Dragers waren gauw genoeg gevonden en een van onze eerste daden moest zijn, van het lokale opperhoofd een lemen hut te kopen, die wij voor tien dollar verkregen. Toen wij het terrein hadden uitgezocht en de plaats, waar de fabriek kon worden gevestigd, konden de werkzaamheden een aanvang nemen. Er was uiteraard geen water en geen licht en ook de weg moest eerst door ons worden aangelegd. Een rivier bood een grote moeilijkheid, maar ook de brug is door ons gebouwd. De verstandhouding met de bevolking is van den beginne af aan uitstekend geweest.
“Iets wits”
Op een dag was er groot rumoer onder de duizend arbeiders, die wij in dienst hadden. In plaats van aan het werk te gaan, bleven zij in groepjes druk praten. Het probleem bleek te zijn, dat aan de stam een belasting van 25 dollar was opgelegd en dat zij met geen mogelijkheid wisten, hoe zij aan dat geld moesten komen. Ik heb ten slotte aan het opperhoofd aangeboden de 25 dollar te betalen. Er werd onmiddellijk een groot feest georganiseerd, dat ik ook moest bijwonen, omdat “iets wits” dankbaarheid uitdrukt. Enkele bewoners hebben mij later nog met een witte kip verrast, hetgeen voor deze mensen een heel kapitaal is.
’s Lands wijs
Maar het grootste bewijs van erkentelijkheid kwam, toen een deputatie mij, enige dagen later, een jonge dochter kwam aanbieden. Ik vertelde dat ik al een vrouw in Nederland bezat en de wetten van mijn land het bezit van een tweede vrouw niet toelieten. De deputatie was met dit antwoord maar matig tevreden, omdat ik nu eenmaal in hun land was, waar dergelijke dwaze wetten niet bestonden. De ouders van het jonge meisje hebben later nog een pleidooi voor hun dochter gehouden en toen ook dat niet hielp heeft de stam achtereenvolgens zeven jonge meisjes “op zicht” gestuurd.
Staking
Moeilijkheden zijn overigens niet uitgebleven. Plotseling was de stam van mening dat hogere lonen moesten worden uitbetaald. Een groepje met stokken bewapende Afrikanen trok in de aanplant van groep naar groep, wekte alle arbeiders op, het werk neer te leggen en verjoeg het huispersoneel uit de woningen van de drie Nederlanders, die toen de leiding vormden. Op zo’n ogenblik moet je geen vrees tonen, maar de situatie werd toch wel moeilijk, toen een tocht naar de bewoonde wereld onmogelijk bleek, omdat de leiders van de staking de enige weg naar Monrovia geblokkeerd hadden. Telefoon is er nog niet in dit land en eerst na dit intermezzo hebben wij voor een radioverbinding gezorgd. Er was een mogelijkheid, in schijn toe te geven, opdat in ieder geval de weg zou worden vrijgemaakt. Wij zouden dan echter het vertrouwen van de bevolking verspeeld hebben. Wij bleven weigeren te onderhandelen en eisten, dat de versperringen zouden worden verwijderd. Toen wij daarna president William V. S. Tubman in Monrovia van de gebeurtenis op de hoogte konden stellen, stuurde deze onmiddellijk een aantal soldaten, die de orde herstelden.
ƒ12 miljoen
Investeringen als deze zijn ook in financieel opzicht een avontuur. Toen wij in 1959 startten met het project, dat in totaal ƒ12 miljoen zal kosten, was de bevolking enthousiast over het loon van ongeveer ƒ1,25 per dag. Sindsdien zijn niet alleen de lonen bijna verdubbeld, maar zijn door ons ook reeksen van voorzieningen getroffen, waaronder bijvoorbeeld de verstrekking van rijst. In dezelfde periode zijn tegelijkertijd de rubberprijzen aanzienlijk gedaald, zodat het maar gelukkig is, dat wij bij onze oorspronkelijke financiële opzet met ruime marges hebben gewerkt. In deze landen moeten de westerse ondernemers vrijwel alles zelf doen. De Amerikaanse Firestone, waar, tussen haakjes, ruim dertig Nederlanders werken in leidende functies, bezit in Liberia de grootste aaneengesloten rubberplantage ter wereld. Deze onderneming heeft vele dorpen gebouwd voor haar arbeiders, scholen opgericht voor kinderen en sportvelden aangelegd.
Bij volmacht
Hoewel Firestone aan tienduizenden mensen werk verschaft en grote welvaart om zich heen verspreidt, gaan toch wel kritische stemmen op onder Liberiaanse jongeren, die zich niet (kunnen) realiseren welke problemen de leiding van zo’n onderneming inhoudt. Maar gelukkig beschikt Liberia over een wijs man aan het hoofd van de regering, president Tubman, die de belangen van zijn land op bekwame wijze behartigt. De president wordt telkenmale met overweldigende meerderheid herkozen. Bij de laatste verkiezing heeft mijn chauffeur zeventien maal op hem gestemd, uiteraard telkenmale zogenaamd voor een ander. “Als de president dit zou bemerken zou hij alleen maar blij zijn, dat iemand blijk geeft zoveel van hem te houden”, was zijn verklaring voor zijn enthousiasme bij de stembus.

de Telegraaf (5 oktober 1963)

Voor zijn verdienste voor Liberia ontving hij op 4 december 1979 in naam van de Liberiaanse president William R. Tolbert de hoge onderscheiding van Grand Commander of the Liberian Order.

Lucas Boissevain: vluchteling uit Frankrijk
De Boissevains waren hugenoten, de van oorsprong Franse calvinisten die in de 17de eeuw hun land ontvluchtten toen de katholieke koningen het protestantisme poogden uitte roeien. De familie woonde oorspronkelijk in Zuidwest-Frankrijk. De oudst bekende Bouyssavy, zoals de naam toen nog werd gespeld, was anno 1445 notaris in Périgueux. Lucas Bouyssavy (1660-1705) geldt als de stamvader van de hedendaagse Boissevains. Alle dragers van deze naam – waar ook ter wereld – stammen van deze Lucas af.
Na de herroeping van het Edict van Nantes (1685) besluit Lucas in 1688 vanwege de geloofsvervolgingen door de katholieken van de hugenoten het land te verlaten. Hij verkoopt op 22 juli 1685 zijn helft van het voorvaderlijk erfgoed te Couze aan zijn broer Jean. Op 4 december 1687 maakt hij te Bergerac zijn testament op. Na drie jaar van gevaarlijke omzwervingen door het land slaagt hij er met behulp van protestantse vrienden in zich heimelijk in te schepen op een zeilschip vol fusten wijn naar Amsterdam. Voordat het schip vertrekt moet hij zich dagen en nachten tussen de tonnen zonder eten verborgen houden. Enkele weken later komt hij in beklagenswaardige toestand en zonder geld te Amsterdam aan. Daar vestigt hij zich omstreeks 1691 onder de naam Boissevain.
Lucas treedt in 1700 in het huwelijk met Marthe Roux (1664-1727), wier familie hij uit Bergerac kende. Over de vlucht van Marthe met haar twee kinderen uit Frankrijk gaat het verhaal dat zij zich om de grens over te komen onderin een hooikar heeft verstopt. Een soldaat prikt met een bajonet in het hooi om te controleren of daar iemand verborgen zit en raakt haar in haar bil. Maar zij weet zich te beheersen en brengt geen enkel geluid uit. Op die manier lukt het haar het land uit te komen. Helaas sterft een van haar kinderen in Antwerpen aan de gevolgen van de ontberingen van de lange reis.
Lucas Bouyssavy voorziet in zijn levensonderhoud door lessen tekenen en Frans te geven en door bij een paar handelaren de boeken bij te houden. Hij sterft op 25 april 1705 op 44-jarige leeftijd na 5 jaar huwelijk en laat Marthe met twee kinderen achter: Marthe Anne Boissevain (1705-1767) en Jérémie Boissevain (1702-1762). Jérémie vertrekt na de dood van zijn moeder naar Londen, waar hij 4 jaar werkzaam is op een handelskantoor en hij Marie Charlotte du Chesne (1705-1779) leert kennen, met wie hij in 1733 in het huwelijk treedt. Evenals zijn vader verdient Jérémie zijn brood als boekhouder en het geven van Franse les, maar dat is niet genoeg om in zijn onderhoud te voorzien.
Jérémie en Marie Charlotte krijgen op 21 mei 1741 een zoon, Gedeon Jeremie Boissevain (1741-1808). Deze Amsterdamse boekhouder trouwt in 1767 met Marguérite Quien (1746-1808). Zij krijgen elf kinderen, van wie Daniel Boissevain (1772-1834) en Henri Jean Boissevain (1777-1823) de familielijnen voortzetten. Een paar generaties na de vlucht van stamvader Lucas werden de Boissevains dankzij Daniël (1772-1834), die in Franse, Duitse en koloniale goederen handelde, een succesvolle familie. Zijn zoon Gideon Jeremie (1796-1875) en diens zoon Jan (1836-1905) verschoven de aandacht naar scheepvaart en assurantiën. Door hard werken steeg de familie, waarvan sommige leden reeds in hun tienerjaren met grote verantwoordelijkheden in het familiebedrijf begonnen te werken, op de maatschappelijke ladder. Bij de Boissevains valt de grote omvang van de familie op en de enorme verscheidenheid in activiteiten op economisch, sociaal, wetenschappelijk, bestuurlijk en kunstzinnig vlak, die de familie kleur geeft. In de loop van de generaties spreidt de familie zich verder uit over de rest van Nederland en Europa.
W: Wikipedia Familie Boissevain
S: Stamboom Familie Boissevain
A: Archief Familie Boissevain Gemeentearchief Amsterdam
Overbodige Onpersoonlijke Internetpagina

Tien jaar geleden stemde de ministerraad in met de invoering van de Persoonlijke Internet Pagina (PIP): een web portaal met gepersonaliseerde overheidsinformatie. Daarmee zou de belofte voor digitale dienstverlening aan burgers en bedrijven worden ingelost. De ICT uitvoeringsorganisatie berekende destijds dat de overheid met de PIP tot 2012 een bedrag van 870 miljoen euro aan kosten zou besparen. Wat is er van deze ambities terecht gekomen?
Een proef met de gepersonaliseerde pagina ging in 2006 van start. De personalisatie zou plaatsvinden op basis van locatie, thema’s en eigen voorkeuren. Via de internetpagina zou gepersonaliseerd nieuws worden gebracht. Er zou een agendafunctie komen voor het maken van afspraken met overheidsinstanties en het weergeven van deadlines. De grootste uitdaging bij de ontwikkeling van de PIP zou het samenbrengen van overheidsdiensten in één website zijn. “We brengen zoveel mogelijk diensten samen.” vertelde programmamanager Zeef destijds “Dat maakt het lekker complex.”
In 2008 ging een eerste versie van de internetpagina, MijnOverheid gedoopt, live voor een beperkt aantal gebruikers. Het jaar daarop volgde de uitrol, maar de animo voor afname van de dienst bleef beperkt. Ik meldde mij in 2009 aan. Na twee jaar als gebruiker geregistreerd te hebben gestaan had ik nog altijd geen bericht of zaak van de overheid ontvangen. Ik kon slechts zien hoe ik in de basisadministratie was geregistreerd. Verder bevatte de website verwijzingen naar overheidsdiensten, waarna dan weer opnieuw met DigiD ingelogd moest worden. Teleurgesteld schreef ik mij uit. Een maand later ging MijnOverheid op zwart na de DigiNotar kraak. Afgelopen vijf jaar heb ik MijnOverheid niet gemist, maar ik meldde mij toch weer aan in het kader van de Belastingdienst campagne ‘Vaarwel Blauwe Envelop’. Natuurlijk was ik ook benieuwd welke diensten inmiddels in de site waren toegevoegd.
Kort na mijn aanmelding ontving ik de volgende mail: ‘Er is een nieuw bericht in uw Berichtenbox op MijnOverheid. Ga naar MijnOverheid om dit te lezen.’ De mail in de Berichtenbox met onderwerp ‘Welkom bij MijnOverheid’ luidt: ‘Geachte heer, mevrouw, Bedankt voor het activeren van uw MijnOverheid account.’ Onpersoonlijker kan bijna niet. Verder bevat de Berichtenbox een uitnodiging voor het doen van aangifte IH 2014, alsmede een bericht met de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2014. Ik heb geen lopende zaken, maar in de lijst van aangesloten organisaties (allemaal gemeenten) staat mijn gemeente dan ook niet vermeld. De persoonsgegevens bevat meerdere mutaties, waaronder driemaal mijn huidige adres met respectievelijk de omschrijvingen: ambtshalve, infrastructurele wijziging en technische wijziging i.v.m. BAG. Van de uitleg van deze omschrijving word ik niet veel wijzer: ‘Omschrijving van degene die uw adreswijziging heeft doorgegeven. Meestal bent u dat zelf. Dan staat hier ingeschrevene.’ Daarnaast bevat MijnOverheid verwijzingen naar onder meer de Belastingdienst, UWV, SVB, DUO, Donorregister, Mijnpensioenoverzicht. Daarna moet je nog steeds opnieuw met DigiD inloggen.
Nu ik mij eenmaal heb aangemeld kan ik mij, sinds de inwerkingtreding van de wet elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst, niet meer afmelden bij MijnOverheid. Ook kan ik niet kiezen voor de optie om alsnog een blauwe envelop te ontvangen, want die optie is nu afgeschermd. Waarom worden de aanslagen trouwens niet gewoon in MijnBelastingdienst opgenomen samen met de aangiftes, zoals UWV dat ook doet met betaalspecificaties en jaaropgaaf? Dan staan ze handig bij elkaar en hoeft niet nog een extra keer te worden ingelogd bij MijnOverheid.
Van de ambities uit 2006 is weinig terechtgekomen, maar toch wordt ons MijnOverheid met een Berichtenbox opgedrongen. Het zou handig zijn als je op één pagina jouw gegevens te zien krijgt van alleen de overheidsdiensten waar je een relatie mee hebt. Voor mij zijn dat bijvoorbeeld: Belastingdienst, Mijnpensioen en Donorregister. Voor mijn dochter: DUO, Toeslagen en Belastingdienst. Personalisatie op basis van locatie en eigen voorkeuren en gepersonaliseerd nieuws zou ook fijn zijn. Uiteraard moet je ook transacties met de overheid kunnen doen via meerdere kanalen. Waarom wordt er geen killerapp gebouwd, zoals elektronisch stemmen voor bijv. een referendum? Daardoor neemt de opkomst toe en worden de kosten voor het optuigen van de stembureaus beperkt.
Digitale kanalen moeten persoonlijk, relevant en waardevol zijn. MijnOverheid voldoet aan geen van die criteria. Het is vooralsnog een Overbodige Onpersoonlijke Internetpagina.
Stemadvies referendum

Vandaag – woensdag 6 april 2016 – wordt het raadgevend referendum over de goedkeuring door Nederland van het associatieverdrag tussen de Europese Unie en Oekraïne gehouden.
Wat ga jij doen?
Stem NIET
als je denkt dat premier Rutte een eventueel nee naast zich neerlegt.
Stem NOG NIET
als de opkomst laag blijft.
Stem WEL
als het opkomstpercentage vlak voor sluitingstijd van de stembureaus boven de 30 procent lijkt uit te komen.
Stem dan VOOR
als je verwacht dat export- en importtarieven wegvallen waardoor er meer handel ontstaat en de politieke en economische stabiliteit in Oekraïne wordt vergroot.
Stem dan TEGEN
als je deze mogelijkheid wilt aangrijpen om de relatie tussen Nederland en de EU onder spanning te zetten.
Willem Frederik Lamoraal Boissevain: Nederlands koloniaal ambtenaar

Van links naar rechts: Wicher, Emile Henri, Willem, Frederik Lamoraal Sr, Willem, Frederik Lamoraal Jr, Henri Edmund en Emilie Louise Boissevain-Court
Op 5 april 1919 overleed op 66-jarige leeftijd de oud-resident W.F.L. Boissevain (1852-1919). Een krachtige persoonlijkheid, een sieraad van het corps Binnenlands Bestuur was hij gedurende zijn meer dan vijf en dertigjarige diensttijd, waarin hij achtereenvolgens alle rangen vanaf aspirant-controleur tot resident doorliep. Geboren te Arnhem, 28 november 1852, trad hij in 1874 in de Indische dienst en was controleur in de gewesten Japara en Cheribon.
Na zestien jaren dienst werd hij assistent-resident van Blora (1890), om vervolgens deze afdeling te verwisselen met de afdelingen Berbek (1892), Toeban (1897) en Toeloeng Agoeng (1899). Vooral in de afdelingen Blora en Toeban had hij gelegenheid zich als een flink politieman te doen kennen. Ruim acht en twintig jaren waren er na zijn indiensttreding verlopen toen Boissevain benoemd werd tot resident van Madioen. (Men ziet de promotie ging in die dagen niet schitterend!) Een niet gemakkelijk te besturen gewest, met zijn grote particuliere industrie. De suikercultuur, die zulk een grote invloed uitoefent op de economische ontwikkeling der inlandse bevolking, mocht Boissevain niet tot zijn vrienden tellen. Hij zag de voordelen, die deze cultuur onmiskenbaar heeft voor de materiële welstand der bevolking niet over het hoofd, doch hij wist bij ondervinding dat de nadelen zeer groot waren, dat de inlander nu eenmaal een slecht financier is en zijn grond verhuurt aan de suikerfabrikant voor een bagatel, om ten slotte van gezeten landbouwer tot dagloner af te dalen. En toen, zestien jaren terug, waren de grondhuurprijzen werkelijk ook buitengewoon laag; gaande weg is zulks beter geworden. Na vier jaren in het gewest Madioen met krachtige hand te hebben bestuurd, werd resident Boissevain in 1907 door de regering geroepen naar de zich meer en meer ontwikkelde residentie Preanger-Regentschappen. Er was daar een krachtig bestuurder nodig en de keuze viel op de man, die getoond had zonder aanzien des persoons te kunnen optreden en zeker wel aan de verouderde toestanden in dit gewest een eind zou weten te maken.

Ambtswoning van de familie Boissevain
Vier jaren, van 1907 tot 1911 (slechts onderbroken door een half jaar verlof naar Europa, met behoud van betrekking, een unicum), bestuurde hij dit belangrijke gewest en men gevoelde al spoedig dat er een nieuwe frisse wind vanuit Bandoeng over de Preanger-afdelingen, met harde feudale regenten, die zich nog zo’n beetje inlandse vorsten voelden, ging waaien.
Tegenstand, lijdelijk verzet, bleven niet uit; maar toestanden, die reeds sinds lang niet meer op overig Java bestonden, moesten veranderen, verouderde inzichten moesten plaats maken voor nieuwe ideeën. Het was duidelijk, deze resident speelde er niet mee; wat hij meende dat gebeuren moest, geschiedde; hij was wel een autocraat, hij was de man van het ‘l’état c’est moi’, maar in die tijd was zulks nodig; het bestuur der Preanger was langzamerhand verslapt, de zaken waren slechts gaande gehouden; er was geadministreerd, niet bestuurd en onder de inlandse ambtenaren was een soort van familieregering ontstaan, die aller noodlottigste gevolgen had. Daaraan is door Boissevain een einde gemaakt en toen hij in 1911 aftrad kon hij het bestuur van het gewest in handen van zijn opvolger overgeven, in heel wat betere toestand, dan waarin hij het had ontvangen. Slechts acht jaren heeft hij van zijn welverdiende rust, na zo’n welbesteed leven, mogen genieten, maar de belangen van het corps B.B. bleef hij nog behartigen, daar hij geruime tijd zitting had in het bestuur der Vereniging van Ambtenaren bij het B.B. Met Boissevain is een der krachtigste figuren van het B.B. uit een thans afgesloten periode heengegaan. Man van daden, niet van woorden en ‘papieren brieven’, placht hij snel te handelen, zonder eerst angstvalig te vragen “is er wel een antecedent” of “wat zeggen de bepalingen?” Het spreekt van zelf dat zulk een man in de smaak moest vallen van de Gouveneur-Generaal van Heutsz, die zijn adviezen op de hoogste prijs stelde en daarvan meermalen ondubbelzinnig blijken van gaf. Een zetel in de Raad van Indië scheen voor hem niet bestemd, doch werd door een ander resident van Java, jonger in dienst dan hij, bezet. Dat dit hem griefde spreekt van zelf en was met nog andere teleurstellingen in de dienst, gedurende het jaar 1910, wel de oorzaak dat hij begin 1911 zijn pensioen vroeg op 58 jarige leeftijd, nog in de kracht des levens.
Naar populariteit streefde hij niet; hij was streng in de dienst, streng ook voor zijn ondergeschikten, vorderde veel van hen, maar steunde ook zijn ambtenaren, waar zulks nodig was, stond voor hen op de bres. Ofschoon autocraat, dreef hij geenszins zijn mening à tort et à travert door, als men op goede gronden kon aantonen dat die aanvechtbaar was. Dan gaf hij toe en apprecieerde dat men rond voor zijn gevoelen uitkwam. Als resident van Madioen ontving hij het ridderkruis van de Nederlands Leeuw, een welverdiende onderscheiding, maar groter onderscheiding is dat zijn naam zal voortleven bij het corps voor welks belangen hij steeds op zo energieke wijze opkam.
R.I.P. van Bijleveld, ’s-Gravenhage (april 1919)
Bloedend hart van Europa

De terroristische aanslagen in Brussel treffen Europa in het hart. Het vliegveld Zaventem en het metrostation Maalbeek in het centrum van de Europese Macht zijn internationale doelen. Mijn gedachten zijn in eerste plaats bij de slachtoffers uit alle hoeken van de wereld. Ik denk ook aan alle Brusselaars, die tot kort veilig waren in hun mooie stad.
Brussel is de stad waar ik ben opgegroeid. Tot mijn achttiende woonde ik in de Brusselse gemeente Sint-Pieters-Woluwe in de Avenue des Frères Legrain. Onze wijk werd ‘Quartier Europe’ genoemd, omdat daar veel buitenlanders woonden die werkzaam waren bij de Europese Gemeenschap. De schoolbus stopte op de hoek van onze straat. Leerlingen van zes nationaliteiten werden naar de Europese School in de Avenue du Vert Chasseur in Ukkel gebracht en ’s middags weer thuisbezorgd. In mijn laatste schooljaren ging ik ook wel eens op de fiets of met een oude 2CV naar school.
Duizenden Nederlanders wonen in Brussel. Zij richtten hun eigen hockey- en tennisclub op, gelegen aan de Blijde Inkomstlaan in Hoeilaart. Zaterdags trainde ik op onze hockeyclub ‘Oranje’. Zondags speelden wij onze wedstrijden in de Belgische competitie. Met mijn grootvader maakte ik vele wandelingen naar het centrum en de musea langs de boulevards. Vanuit een café keken we samen uren naar het voorbij razende verkeer. Wij zagen de metrolijnen bouwen, de stad uitdijen met nieuwe wijken en hoogbouw verrijzen. Brussel werd drukker en internationaler. Verder was het een gemoedelijke doch saaie, maar veilige stad.
Na mijn studie vond ik mijn eerste baan bij een softwarebedrijf in Brussel. Het voelde als thuiskomen: de Grote Markt, de Rue des Boucher, het café ‘A la Mort Subite’. Niet langer leefde niet ik in een Nederlandse gemeenschap in Brussel, maar trok op met Belgische collega’s en de mensen in de wijk. Ik huurde een appartement in Schaarbeek aan de Avenue Paul Deschanel vlakbij het prachtige Josaphat Park. Ik liep mijn rondjes door het park en deed mijn conditietraining in de sportschool tegenover het appartement. Aan de overkant van de Avenue Rogier woonden vrijwel uitsluitend allochtonen. Ik zag mannen in de cafés de hele dag kaarten en thee drinken. De winkels in de wijk waren tot ’s avonds laat open. Een collega adviseerde mij daar niet te winkelen en ook niet door die wijk te lopen. Het zou er onveilig zijn en de politie zou er geen gezag hebben.
Brussel is een stad van grote verscheidenheid. De stad biedt onderdak aan vele nationaliteiten die elk in gemeenschap samenleven. Het bestuur is verdeeld over negentien gemeentelijke districten met elk een eigen bestuur en politieke groeperingen gekoppeld aan bloedgroep en taal. De hoofdstedelijke politiemacht is opgedeeld in zes verschillende politiezones. Het gefragmenteerde bestuur en gebrek aan coördinatie resulteert in regiobinding en vrijheid aan inwoners. Een centrale aanpak van de grote problemen – waaronder terreurdreiging – ontbreekt. Maar terrorisme kan niet worden bestreden binnen gemeente- of landsgrenzen. Europese samenwerking, solidariteit en internationaal gecoördineerde aanpak zijn noodzakelijk. “Wie het hart van Europa raakt, raakt heel Europa. Dat vraagt om één Europees antwoord”, schrijft de Vlaamse zakenkrant De Tijd daags na de aanslagen in Brussel.
Telefonisch contact met Adolphe Boissevain

De contracten en correspondentie tussen Athanase Adolphe Henri Boissevain (1843-1921) en de Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij (MBTM) geven een beeld van de aanleg van een unieke telefoonverbinding “buitennetaansluiting”, die de NBTM voor Adolphe aanlegde tussen zijn huis Prins Hendriksoord te Lage Vuursche en de gemeente Amsterdam. Maar het gaat ook om de perikelen van een welgestelde particulier in de periode, dat de Staat steeds meer de telefoondienst overneemt van particuliere telefoonmaatschappijen.
Uit de vinding van Alexander Bell, het telefoonhoorntje uit 1876, was door toevoeging van een microfoon, een bel, een dynamo en enkele andere zaken een toestel gegroeid, dat ten algemene nutte kon worden geëxploiteerd. De eerste telefooncentrale werd niet lang daarna te New Haven (Connecticut) in de Verenigde Staten in gebruik genomen. De Nederlandse Staat zag de voordelen van dit apparaat eigenlijk alleen in het doorspreken van de al langer bestaande telegrammen. In de exploitatie van zoiets als een telefoondienst zag de overheid daarbij geen taak voor zichzelf. Particuliere initiatieven daartoe – onder concessie – lieten niet lang op zich wachten en Amsterdam beet de spits af. Uit een aantal aanvragen om een concessie voor het inrichten van een telefoonnet koos de gemeenteraad de International Bell Telephone Company als de meest geschikte voor de exploitatie. Deze droeg de concessies over aan de NV Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij (NBTM), die intussen voor het aanleggen en beheren van telefoonnetten was opgericht. Op 1 juni 1881 werd als eerste in Nederland het Amsterdamse net in gebruik genomen, met 49 aangeslotenen. Later ontstonden ook in andere plaatsen particuliere maatschappijen.
Mensen uit de wereld van handel en industrie, die buiten het concessiegebied van de lokale telefoonexploitant woonden, wensten echter ook in de telefoongemeenschap te worden opgenomen. Dit kon slechts door het maken van dikwijls lange verbindingen over het grondgebied van een aantal gemeentes en particulieren. Daarvoor was toestemming nodig van de betrokkenen en de nationale overheid. Het waren zgn. buitennetaansluitingen, dus geen verbindingen tussen lokale netten met een interlokaal karakter (daarvan was pas vanaf 1887 sprake). Bij een buiten-netaansluiting is sprake van een abonnee, die buiten het gebied van zijn lokale telefoonnet woont. Tot de eerste van deze lange verbindingen met het Amsterdamse net behoort die van A.A.H. Boissevain te Prins Hendriksoord.
In 1885 toont de 43-jarige Adolphe belangstelling voor een telefoonaansluiting in zijn huis. Zijn drukke werkzaamheden in binnen- en buitenland liggen hieraan ten grondslag. In december van het jaar krijgt de NBTM toestemming van de minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid om de lijn aan te leggen. De NBTM moet hiervoor jaarlijks ƒ 100,- aan de Staat betalen. In juni 1886 is het contract tussen de NBTM en Boissevain rond. Adolphe krijgt in zijn huis een Bell-telefoon en Blake-overbrenger met trekapparaat. De overbrenger is genoemd naar Francis Blake, die een verbeterde versie van de eerste echte “microfoon” ontwikkelde en die op grote schaal in de eerste Nederlandse netten wordt toegepast.
Adolphe huurt de instrumenten, mag ze alleen ten eigen nutte gebruiken en moet er als een goed huisvader voor zorgen. De NBTM zorgt voor de verbinding met Amsterdam, het goede functioneren ervan en het onderhoud aan de toestellen in Prins Hendriksoord. Mocht de verbinding onverhoopt langer dan een maand niet functioneren, dan kan Adolphe 1/12 van het door hem verschuldigde bedrag terug ontvangen. Ze sluiten een contract voor 10 jaar af voor een bedrag van ƒ 700,- per jaar. In 1896 loopt het contract dus af. Dit is hetzelfde jaar waarin ook de concessie (om het lokale net te exploiteren) van de gemeente Amsterdam aan de NBTM afloopt.
Palen en dradenbundels: twee draden per verbinding zijn nodig om een optimale kwaliteit te bereiken. Deze lopen langs straten, spoor- en waterwegen. De plaatselijke lijnen waaieren in grote getale uit van de zgn. kooipalen en de op de daken van de huizen geplaatste dakstellingen. In veel gevallen is de wirwar zo groot, dat het geheel op een dicht spinneweb leek. Daarvan is in 1886 in Lage Vuursche natuurlijk nog geen sprake, maar de verbinding met Adolphe raakt zijn buurman wel. En dat is niet de minste: jhr mr P.J. Bosch van Drakestein, commissaris van de koning in Noord-Brabant en eigenaar van het naastgelegen landgoed Drakestein. De NBTM sluit met hem een contract voor het plaatsen van telefoonpalen op zijn landgoed ten behoeve van de verbinding met Prins Hendriksoord. Om de 60 meter komt er een paal te staan, waarvoor Bosch van Drakestein de lokaties moet aanwijzen. Jaarlijks ontvangt hij hiervoor van Boissevain een vergoeding van ƒ 100,-. Mocht de jonkheer echter ooit zelf ook een telefoonaansluiting willen hebben, dan kan hij gratis “aanhaken”. De door hem te ontvangen vergoeding van ƒ 100,- voor Adolphe’s palen vervalt dan wel!
De telefoon wordt populairder en profijtelijker in Nederland. Steeds meer beginnen de lokale en nationale overheden interesse te tonen in het zelf exploiteren van de netten. Dit gebeurt ook met het lokale telefoonnet van Amsterdam, dat in 1896 door de gemeente wordt overgenomen. Een jaar later neemt het Rijk het interlokale net over, waardoor de Rijkstelefoondienst ontstaat. Het is het jaar, waarin de 54-jarige Adolphe toetreedt tot het bestuur van het Burgerziekenhuis. Zijn dochter Gerardine, gehuwd met de Amsterdamse assuradeur Gerrit van der Aa en wonend in “Zomerlust” te Hilversum, krijgt in 1898 een telefoonaansluiting voor niet-openbaar gebruik met Prins Hendrikoord. Een belangrijk feit in de nieuwe eeuw is het in werking treden van de Telegraaf en Telefoonwet 1904. Deze wet geeft het Rijk meer armslag in de exploitatie van de telefonie, die in 1910 voor het eerst zelfs een batig saldo oplevert.
In 1918 wordt Adolphe het slachtoffer van alle veranderingen. Vijf jaar eerder is Drakestein – via de palen van Adolphe – aangesloten op het telefoonnet en volgens afspraak zou die aansluiting gratis zijn. Daarmee is de jaarlijks door Adolphe te betalen vergoeding van ƒ 100,-, voor de op zijn buurmnans landgoed geplaatste telefoonpalen, vervallen. Maar eind 1916 wordt er een Koninklijk Besluit van kracht, dat geen gratis aansluitingen meer toelaat. Bosch van Drakestein moet betalen en doet dat ook. Maar als compensatie eist hij nu ƒ 132,- per jaar vergoeding van Boissevain voor de op zijn landgoed geplaatste palen! In een pittige brief aan de directeur-generaal der Posterijen en Telegrafie laat Adolphe weten, dat dit geheel in tegenspraak is met de destijds gemaakte afspraken en dat hij hieraan niet tegemoet wenst te komen. Het antwoord van de minister bevestigt het tijdsbeeld. De snelle ontwikkelingen in het telefoonbedrijf in de afgelopen decennia hebben de oude afspraken over de private buitennetaansluiting van het lokale telefoonbedrijf NBTM achterhaald. De verbinding tussen Prins Hendriksoord en Amsterdam vindt tegenwoordig plaats via het interlokale telefoonnet en daarvoor moet het interlokale tarief worden betaald. Adolphe Boissevain is zijn exclusieve recht op een eigen telefoonverbinding kwijt en moet meegaan met de regels die gelden voor de vele duizenden die inmiddels ook een telefoonaansluiting hebben.
Charles F.C.G. Boissevain
BRONNEN:
- Nederlands Patriciaat, 1988 (= NP);
- Honderd jaar telefoon, 1881 – 1981;
- Contracten en correspondentie met A.A.H. Boissevain (1886 – 1921).
Hardnekkige valsspelers

Net zijn wij bekomen van dopingschandalen in de wielersport. Nu regent het bedrogrecords in alle disciplines van de topsport. Het gaat over omkoping binnen de atletiekbond IAAF, matchfixing in de voetbal- en tennissport, corruptie bij voetbalbond FIFA, mechanische doping met verborgen fietshulpmotortje. En we hebben natuurlijk nog steeds de gewone doping. Russische sporters slikken een verboden prestatiebevorderend medicijn tegen hartfalen. Fraude in de topsport domineert de verslaggeving.
Door de vele vormen van wangedrag gaan we op een andere manier naar de sport kijken. Welke prestatie kunnen wij nog geloven? Wat is het schaatsrecord van minder dan 34 seconden op de 500 meter waard? De prestatie van een wielrenster die in het zadel op de Koppenberg 10 seconden van haar concurrentes wegrijdt lijkt niet geloofwaardig.
Een tennisser die na een aantal dubbele fouten de partij weggeeft vinden wij ook verdacht. Als hebzucht het wint van sportiviteit ligt fraude op de loer. In de vorige eeuw gold het aannemen van geld voor sportprestaties nog als onsportief gedrag dat bestreden moest worden. Door de toenemende belangstelling vanuit de media werden de amateurbepalingen afgeschaft en commercialiseerde de topsport.
Onder druk van de commercie wordt alles in het werk gesteld om fraude toe te dekken of te verdraaien. Bij iedere verdenking volgen steevast ontkenning of excuses. “Het is mijn fiets niet. Het is de fiets van een vriend. Het is een vergissing”, zegt een van mechanische doping betrapte wielrenster. “Ik neem het middel al sinds 2006 toen ik kampte met gezondheidsproblemen.” zegt de tennisster die niet goed naar de lijst met verboden producten heeft gekeken. “Hij kan het niet geloven en wij ook niet. Het was een schok voor ons allemaal, want we geloven echt dat hij geen verboden middelen heeft genomen en dat hij absoluut onschuldig is in deze situatie”, zegt een teammanager over een positieve dopingtest: “We weten niet hoe deze substantie in z’n urinemonster terecht is gekomen.” De sportbond probeert alle gevallen af te doen als een curieus incident: “Zij zijn er door anderen ingeluisd, zij zijn het slachtoffer van andere leden in hun ploeg.” De bondsvoorzitter baseert deze uitspraak op uitslagen van een test met een leugendetector.
Alle ontkenningen van fraude klinken ongeloofwaardig. Het is ook onwaarschijnlijk dat dopinggebruik uitsluitend het initiatief is van individuele sporters. Toch wordt nog steeds jacht gemaakt op individuele sporters. Middels whereabouts moeten zij continu beschikbaar zijn voor een dopingtest. Wanneer wordt strijd verlegd naar de criminele netwerken in de topsport? Individuele klunzen zijn onbelangrijk, want het zijn criminele netwerken die hardnekkige valsspelers voortbrengen.
Achterdeurtje is ongewenst

“Een bot is een programmaatje dat doet alsof het een mens is. Een softwarerobotje, een volautomatische opdracht die zelfstandig wordt uitgevoerd, die een netwerk kan afzoeken en informatie kan vergaren. Bots zijn overal, nemen langzaam het internet over, zoekmachines draaien op bots die overal informatie uit websites halen en bijeen brengen.”
Dit is geen tekst van Wikipedia, maar een passage uit de thriller ‘Bot’ van Charles den Tex. Bots worden veel toegepast in computerspellen om tegenspelers en medespelers toe te voegen aan het spel. Zoekmachines zoals Google en Bing gebruiken bots om webpagina’s te selecteren. Deze bots worden spiders genoemd en zoeken het web af. Zij analyseren, selecteren en tonen relevante webpagina’s. Chatbots, zoals Apple’s virtuele assistent Siri, worden ontwikkeld om op een menselijke manier te kunnen communiceren. Zo heeft Terre des Hommes het virtuele meisje Sweetie ontwikkeld om daders van webcamseks met kinderen te ontmaskeren. De bot in het boek van Den Tex heeft minder goede bedoelingen. De software moet diep binnendringen in de systemen van klanten om met de verkregen informatie klanten onlosmakelijk te binden.
Zakenman Willem Hartema laat een informatiesysteem bouwen om het maximale uit zijn klanten te halen. Het is geen systeem dat legaal in de markt verkrijgbaar is. Bas Pantier, een hyperintelligente computernerd, ontwikkelt de software exclusief voor de zakenman. Bas maakt deel uit van een groepje nerds die code schrijft en versleutelingen maakt. Zij opereren anoniem in de onderwereld van het internet. Via het netwerk tor (The Onion Router) kunnen zij online anoniem blijven en opereren in de spelonken van het internet die voor Google en browsers verborgen blijven. Hoewel Bas de grenzen van het ethisch toelaatbare overschrijdt, roept juist hij de sympathie op in de thriller van Den Tex.
Het avontuur van Bas Pantier is weliswaar fictie, maar bepaald niet onrealistisch afgaande op getuigenissen over de digitale onderwereld. Onderzoeker Jamie Bartlett dook zelf onder in het Dark Net en schreef daarover in zijn gelijknamige boek. Hij kocht drugs op het Dark Net en sprak met activisten, liefhebbers van kinderporno en computernerds. Hij maakt duidelijk waarom het anonieme Dark Net aantrekkelijk is voor wapen- en drugshandelaars en verspreiders van kinderporno. Hij laat de duistere kant van het Dark Net zien. Hij benadrukt ook de creatieve kant, zoals de toepassing voor bitcoins. “Het Dark Net kweekt een adembenemende creativiteit. Het merendeel van de sites die ik heb bezocht was verbazingwekkend adaptief en innovatief”, schrijft Bartlett.
Niemand, behalve zakenman Willem Hartema, kan het informatiesysteem activeren. Nadat Willem dood wordt gevonden ontstaat een gevecht om de controle over het systeem. Ontwikkelaar Bas Pantier heeft geen toegang meer, want hij heeft geen achterdeurtje in het systeem gebouwd. Dit doet ons denken aan het conflict tussen Apple en de Amerikaanse overheid over het kraken van telefoons van terroristen. Als ontwikkelaars een achterdeurtje inbouwen kunnen veiligheidsdiensten de toegang opeisen en zullen ook criminelen en sjoemelende bedrijven jacht maken op toegang tot onze systemen. Een achterdeurtje op ons mobiel is daarom ongewenst.