Boissevain op het schildersdoek

‘De zes dochter van Boissevain’ door Thérèse Schwartze (1916). vlnr: Catharina Josphine (Teau), Maria Cornelia (Mary), Helena Catharina (Heentje), Emily Héloïse Boissevain. Voor staan Elisabeth Antonia (Els) en Dieuke Machteld Hilda Boissevain

De familie Boissevain liet zich graag vastleggen op het schildersdoek. In 1916 vervaardigde de beroemde Thérèse Schwartze (1851-1918) een groepsportret van de dochters van Charles Boissevain en Maria Pijnappel. Dit prachtige schilderij uit 1916 bevindt zich momenteel in het depot van het Amsterdam Museum.

Door: Esmeralda Tijhoff

In 2011 zag ik het werk voor het eerst. Wat is er te zien, en hoe belandde het doek in het Geheugen van Nederland? Een kleine zoektocht naar de achtergrond en herinnering van een schilderij. Op een dag bezocht ik een prachtig grachtenpand in Amsterdam waar een tentoonstelling gehouden werd met werk van Thérèse Schwartze (1851-1918). Schwartze stond bekend om haar warme portretschilderijen van families uit de rijke bovenlaag. Ze had een vlotte streek, maar zette haar subjecten en hun karakters toch altijd zeer realistisch neer. Schwartze’s stijl viel zo in de smaak, dat zij zelfs leden van het Koninklijk Huis mocht portretteren. In 1896 werd zij als eerste vrouw benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Ik had al van het werk van Schwartze gehoord, en reisde vol goede moed af naar Amsterdam om eindelijk de negentiende-eeuwse Amsterdamse elite via haar schilderijen in de ogen te kijken.

Ik bevond me in het Museum Van Loon, gesitueerd in het patriciërshuis aan de Keizersgracht 672. Binnen kon je een indruk krijgen hoe het huis in de negentiende eeuw gefunctioneerd had. De inrichting was gedaan met meubilair uit diverse eeuwen, en de keuken kon elk moment weer in gebruik worden genomen door een negentiende-eeuwse kok. Aan de muren hingen zoals beloofd grootse schilderijen van het Amsterdams patriciaat. Een perfecte locatie die de sfeer en context van de totstandkoming van de schilderijen kon benaderen. Eén schilderij had mijn aandacht direct gevangen, het is een van Schwartzes laatste grote werken: de zes dochters Boissevain.

Zes jonge vrouwen: een tijdsbeeld

Zes jonge vrouwen van diverse leeftijden kijken de bezoekers vanaf het schilderij zelfbewust aan. Ze leunen over een balustrade, links hangt een dik gordijn. Wellicht moet dit een balkon in een concerthuis voorstellen? Het levensgrote schilderij maakt met zijn 130,5 bij 146 cm behoorlijke indruk. De oudste was Helena Boissevain, ook wel Heentje genoemd, 19 jaar oud. Het jonge meisje over de balustrade was Dieuke, nog maar zes jaar oud.

De meisjes zijn losjes, maar toch redelijk rijkelijk aangekleed. In hun gezichten laat het karakter zich lezen. De kleding is vlug en met grove lijnen neergezet. Ze lijken ruim om de jonge vrouwen te hangen, waarbij de jurken van de oudere meisjes duidelijk zwaarder en rijker waren dan de witte kleden van de jongsten. Heentje draagt een parelmoer, zij is ten slotte al 19 en zal haar debut hebben gemaakt.

Zowel Heentje als Mary Boissevain hebben hun haar opgestoken, de jongere zussen dragen hun lange haren nog los. Lang haar was in die tijd een teken van welvaart en vrouwelijkheid. Lange haren vergde immers veel verzorgingstijd, en het beperkte je bewegingsvrijheid. Kinderen konden hun haren nog los dragen, maar als het kind een vrouw werd, moesten de haren netjes worden opgevlochten en opgestoken.

We zien dus verschillende manieren van de elite in het schilderij terug  om een leeftijdshiërarchie in het gezin aan te brengen. Verschil in haardracht (los versus vast), en verschil in kledingdracht (witte kleden versus volwaardige jurken). Tot slot is er nog het verschil in attributen zoals een halsketting. Het schilderij laat subtiel de welvaart van de dochters Boissevain zien. Dat kon ook anders, zoals dit pronk schilderij van A.G.M. van Ogtrop-Hanlo en haar vijf kinderen uit 1906 laat zien.

Thérèse Schwartze. Portret van A.G.M. van Ogtrop-Hanlo (1871-1944) en haar vijf kinderen. 1906.

Kleinkinderen of dochters van moeder?

Zo stond ik te peinzen bij het schilderij van Schwartze . Maar waren dit ‘mijn’ gezusters Boissevain waar ik momenteel een biografie over schrijf? Helaas stond ik niet tegenover de dochters van Jan Boissevain en Petronella Brugmans. Enkele van de meisjes dragen wel dezelfde namen; er is een Helena, een Elisabeth en natuurlijk een Maria. Maar het zijn namen die in de familie zeer vaak voorkomen. Dit waren de zes dochters van Charles Boissevain.

Aanvankelijk dacht ik dat het ging om Charles Boissevain (1842-1927), de broer van Jan, die heel bekend was omdat hij directeur was van het Algemeen Handelsblad. Niet zo gek dat ik dit dacht, want ook het Geheugen van Nederland rept over ‘de kinderen en kleinkinderen‘ van deze Charles. Maar nadere inspectie liet zien dat het om de kinderen van diens zoon Charles Ernest Henri Boissevain (1868-1940) ging. En weer nadere inspectie gaf blijk dat hun moeder niemand minder dan Maria Barbera Pijnappel (1870-1950) was, de voorzitster van de Nederlandsche Bond voor Vrouwenkiesrecht, lid van Provinciale Staten voor de Vrijheidsbond en algemeen voorzitter van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen! Waarom Het Geheugen Van Nederland de meisjes op het schilderij omschrijft als ‘kinderen en kleinkinderen van Charles Boissevain’, de eigenaar van het Algemeen Handelsblad, is mij dan ook een raadsel. Hun opa wordt de verwijzing bij hun schilderij, en niet hun beroemde moeder?

De erfenis van Boissevain

Zoals gezegd heeft de familie Boissevain aardig wat opdrachten gegeven aan Thérèse Schwartze. De schilderijen zijn via erfenissen terecht gekomen bij diverse familieleden. Dit schilderij van de zussen is door nazaat Teau Huisken-Boissevain in 1990 aan het Amsterdam Museum werd geschonken (inv.nr. SA 40866).

Van het gezin Boissevain waar ik onderzoek naar doe, zijn ook diverse portretten gemaakt, maar helaas is er geen enkel groepspotret van hen bekend. Van de beide jongste kinderen uit het gezin, Walrave Boissevain en Mia Boissevain, zijn prachtige schilderijen gemaakt die nu in privé bezit bij de familie zijn. Het schilderij van Mia is ook door Schwartze uitgevoerd, een prachtig staand portret waar Mia met een haast koninklijke houding schuin de wereld in kijkt.

Toch is Schwartze natuurlijk niet de enige schilder geweest die zich ontfermde over de Boissevains. Een schilderij van Jan Veth (1864-1925) is door Jaap Versteegh in 2007 herkend als een portret van (de oude) Charles Boissevain. Veth had Charles geschilderd als onderdeel van zijn serie ‘Bekende Tijdgenoten’, waarvoor hij overigens ook een portret maakte van Schwartze.

Charles Boissevain door Jan Veth

Charles zelf had ook al eens bij de bekende schilder Willem Witsen gevraagd voor een portret van zijn zoon Alfred Gideon Boissevain (1870-1922).

Alfred Boissevain door Willem Witsen

In 2010 is dit portret in de collectie van het Amsterdams Historisch Museum gekomen. Een klein briefje van Boissevain in 1916 aan Witsen verraadt hoe Charles deze schilder op een voetstuk plaatste: ‘Ik kijk van mijn plaats aan tafel nu steeds op het aangezicht zoo vol expressie van mijn zoon Alfred, dat gij vol leven, gloeiend van kleur en als of wij hem hoorden spreken voor ons hebt afgebeeld. Welk een groot talent is het uwe en wat schildert gij mooi!’ (Willem Witsen, Volledige briefwisseling)

Esmeralda Tijhoff is docent geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, expertise: Moderne Geschiedenis, Cultuurgeschiedenis, Vrouwengeschiedenis, Biografieën. Op haar website schrijft zij onder meer over geschiedenis en de familie Boissevain.

Onderstaand jeugdportret van Hilda Gerarda Boissevain (1877 – 1975) is gemaakt door Jacobus Johannes de Haan. Hij was fotograaf en portretschilder. Hij heeft bijvoorbeeld ook foto’s gemaakt van de koninklijke familie. Dit moet een van zijn eerste werken zijn geweest. Hij was toen 18 jaar (geboren 1868).

Weet u nog schilderijen van leden van de familie Boissevain? Met name ook van het gezin van Jan Boissevain en Petronella Brugmans. Laat het mij weten! 

Mia Boissevain door Thérèse Schwartze

Murphy in de roeiboot

Sommige sportieve activiteiten zijn moeilijk te combineren. Zo heb ik ervaren dat een lange roeitraining in een tweezonder niet meevalt daags na een minder sportief groepsuitje op een klipper op het IJsselmeer. Bij klipperzeilen staat ontspanning en recreatie centraal. Een roeitraining vergt inspanning en concentratie.

De voorbereiding op een roeitraining steekt allemaal heel nauw. De iPhone wordt in een waterdichte hoes bevestigd aan het voetenboord. Dit is van belang voor de communicatie, livetracking en natuurlijk voor het maken van foto’s tijdens de training. Het sporthorloge registreert slagritme, snelheid, doorlooptijd, afstand en hartslag en communiceert met de iPhone. Af en toe gaat ook de GoPro mee aan boord voor het maken van een video van een training of een wedstrijd. Met een zuignap kan de GoPro stevig worden bevestigd op de achtertaft van de boot. Veel tijd kost het niet om de techniek mee in de boot te nemen. Als alles naar behoren werkt heb je achteraf nuttige informatie en beelden om de inspanning na te beleven, te analyseren en te delen met sportvrienden. Je kunt prestaties vergelijken met prestaties van anderen en vergelijken met prestaties uit het verleden. De resultaten kun je ook eenvoudig presenteren in een overlay (bijvoorbeeld van snelheid en hartslag na een intervaltraining).

Met de naweeën van vishapjes en bier van de klippertocht nog in het lijf maakten wij ons klaar voor een lange training in de tweezonder. Nu bleek dat ik mijn hartslagband thuis had gelaten. Vervolgens liet mijn iPhone mij in de steek. De iPhone doet het altijd, maar deze keer was er alleen een blauw scherm en het lukte mij niet om het apparaat te resetten. ‘Alles wat mis kan gaan zal ook mis gaan’ luidt de eerste wet van Murphy. Zo verliep het ook toen wij in de vroege ochtend, met beperkte technische hulpmiddelen, begonnen aan onze training. Een ware wijsheid van onze coach zegt dat als de eerste halen van een training goed gaan, dat dan de hele training meestal goed gaat. Maar helaas ging het tijdens de eerste halen al mis.

Ondanks alle tegenslag hebben we nog een mooie tocht geroeid. Wij zagen een roeisloep varen bij de Kaag en molens langs de waterkant. We hebben genoten van het polderlandschap en de vele watervogels. Die prachtige beelden blijven voor altijd in onze herinnering.

Boulevard of Broken Dreams

De overheid en commerciële ICT-bedrijven vormen al jaren een slecht huwelijk. ICT-bedrijven klagen over de voortschrijdende juridificering van de aanbestedingspraktijk. De overheid voelt zich volkomen afhankelijk van ICT-bedrijven, die de overheid voornamelijk als melkkoe gebruiken. Vraag opdrachtgevers binnen de overheid naar hun ervaringen met ICT-bedrijven en hun oordeel liegt er niet om:

  • De teleurstelling overheerst
  • Wij zien leveranciers als zakkenvullers
  • (Monopolie) positie leverancier bepaalt de samenwerking
  • Het valt in de praktijk altijd tegen en na de gunning zit je er aan vast

Een goede relatie is altijd gebaseerd op wederzijds vertrouwen. Dat vertrouwen is beschaamd. ict-bedrijven mogen zich dit aantrekken. Zij hebben lang meer oog gehad voor (bescherming van) eigen omzet dan voor belangen van overheidsklanten. In reactie daarop zijn de aanbestedingsregels aangescherpt en hebben overheidsorganisaties contacten met leveranciers op een laag pitje gezet. Deze maatregelen werken veelal contraproductief. Hoe kunnen overheid en ICT-bedrijven beter samenwerken? Hoe kom je uit de kramp?

De sleutel bij het herwinnen van wederzijds vertrouwen ligt bij het bouwen van pre-competitieve relaties tussen overheid en bedrijven. Overheidsorganisaties kunnen zich daarbij oriënteren op de kennis en het aanbod van de markt en daar hun inkoopbeleid en aanbestedingen op afstemmen. Bedrijven kunnen de klantbehoefte achterhalen en hun verkoopkans inschatten en beïnvloeden. Bedrijven die voorafgaand aan een aanbesteding geen contact hebben gehad schatten hun winkans laag in en zullen de aanbesteding afkwalificeren. Overheidsorganisaties die leverancierscontacten mijden profiteren daardoor onvoldoende van marktwerking. Zij moeten rekening houden enkel aanbiedingen te krijgen van huisleveranciers  en werken zelf vendor lock-in in de hand.

Het zou helpen als overheidsorganisaties beter inzicht krijgen in belangen van ICT-bedrijven. Tijdens workshops leg ik uit hoe ICT-bedrijven werken. Waar worden zij op afgerekend en wat zijn hun drijfveren? Die elementen zijn bepalend voor het gedrag van ICT-bedrijven. Ik laat het dashboard van ICT-projecten van de Rijksoverheid zien: alle projecten staan op groen. Daarna toon ik het dashboard van dezelfde projecten van een ICT-bedrijf en bijna alle projecten staan op rood. Waar sturen ICT-bedrijven op? Welke onderdelen staan op rood? En waarom? De workshopdeelnemers zijn ambtenaren die al jarenlang opdrachten geven aan ICT-bedrijven, maar zij weten de antwoorden op die vragen meestal niet. Ik pleit voor meer openheid en transparantie tussen overheid en ICT-bedrijven. Door een beter wederzijds begrip kunnen cultuurverschillen makkelijker worden overbrugd.

Een van de cursisten had bij ICT-bedrijven de associatie: ‘boulevard of broken dreams’. Dat associeer ik op mijn beurt weer met de songtekst van het gelijknamige nummer van de Amerikaanse rockband Green Day: ‘Ik loop alleen. Ik loop alleen. Mijn schaduw is het enige dat langs me loopt’.

De overheid staat niet alleen en heeft de ICT-markt nodig. Laten overheid en ICT-bedrijven elkaar vasthouden om de grote uitdagingen op digitaal gebied aan te gaan. De ICT-markt is inmiddels volwassen en heeft de overheid veel te bieden.

Moderne tijden

De film Modern Times uit 1936 is een satire op de voortschrijdende industrialisatie in het begin van de twintigste eeuw. We zien arbeiders, bewaakt door camera’s en beeldschermen, monstrueuze machines bedienen. Een van hen is Charlie Chaplin, een zwerver. Hij werkt aan een lopende band en draait voortdurend bouten en moeren aan. Tussen alle slaafse wezens die de fabriek bevolken weet hij als enige zijn menselijkheid te bewaren.

De industrialisatie werkte dehumanisering in de hand. Arbeiders werkten onder miserabele omstandigheden aan de lopende band en verloren binding met het eindproduct.  De vervreemding van arbeiders na de industriële revolutie toont gelijkenis met onze huidige onderwerping aan de systemen. De moderne mens is verworden tot systeemslaaf, van wie het gedrag in toenemende mate kan worden gemanipuleerd. Door middel van data tracking en profiling wordt toegang verkregen tot persoonlijke informatie die als basis wordt gebruikt voor controle en beïnvloeding van mensen.

De Duitse filosoof Jürgen Habermas maakte een onderscheid tussen de ‘systeemwereld’ en ‘leefwereld’. De systeemwereld is alles wat mensen ontwikkeld hebben aan instellingen en structuren voor regulering op gebieden van o.a. economie, politiek, onderwijs, wetenschap, overheid, gezondheidszorg, verzorgingsstaat en rechtspraak. De leefwereld is het privé domein, waarin de mensen met elkaar omgaan buiten de systemen. In het verleden bestond een samenleving bijna helemaal uit ‘leefwereld’, maar in de moderne tijd is een steeds groter deel ‘systeemwereld’ geworden. De systeemwereld heeft vooruitgang gebracht en daar betalen we een prijs voor in de vorm van hebbelijkheden en onhebbelijkheden van vele systemen. (van der Lans 2010: 46)

De systeemwereld dijt uit en lijkt steeds verder af te drijven van de leefomgeving van mensen. De systeemwereld houdt te weinig rekening met individuele behoeften van mensen. Mensen herkennen zich niet in de abstracte systeemwereld. Mantelzorger Annette Stekelenburg vertolkt dit gevoel treffend op haar website: “Het meeste last heb ik van systemen, regels en protocollen. Niet de dagelijkse zorg maakt me moe, boos of verdrietig, maar de systemen, regels en protocollen en niet te vergeten de professionals die ons onze kracht afnemen door de regie uit handen te nemen. Mijn gezin is niet in een regeling te vangen, dat snapt iedereen. Wij zijn de uitzondering op de regel. Wij passen niet in het systeem.”

Mensen begrijpen de systeemwereld niet. De systeemwereld begrijpt zichzelf vaak ook niet. Het is een ongelijksoortige verzameling van systemen en subsystemen. Die zijn vaak een doel op zich en werken niet altijd even goed samen. Mensen worden daarvan de dupe. Zo werd uit de verhoren van de parlementaire enquête naar de Fyra duidelijk dat alle betrokken actoren – zoals de politiek, het ministerie, Nederlandse en Belgische Spoorwegen, Italiaanse treinenbouwer en inspectie – keurig hebben gehandeld binnen hun eigen werkterrein. Daarbij bediende ieder op zich het eigen belang. Dit belemmerde het dienen van het overkoepelende belang, namelijk het verbeteren van de vervoersmobiliteit. De titel van het eindrapport vat het probleem kort samen met ‘Reiziger in de kou’.

In onze moderne tijden verschuift het zwaartepunt in de richting van de systeemwereld. De systeemwereld en leefomgeving moeten meer in balans komen. Mensen en belangengroeperingen verzetten zich in toenemende mate tegen onbegrijpelijke regels, systemen en procedures waarbij het uiteindelijke doel soms helemaal uit het oog is verloren. Klagen helpt al lang niet meer. Een hedendaagse Charlie Chaplin is veel effectiever.

 

Prestatietocht werd toertocht

Zaterdag vroeg in de ochtend duwden wij onze roeiboot van de steiger voor de start van een prestatietocht. Meestal roeien we tussen Leiden en Leidschendam op en neer ter voorbereiding op de lange afstandswedstrijden. Voor deze tocht hadden we ons laten inspireren door de route van een toertocht richting Noordwijk die later op de dag voor toerploegen werd georganiseerd. Het was ons opgevallen dat toerroeiers standaard peddel, pikhaak en grondanker meenemen voor hun tocht. Wij beperkten onze bagage tot de noodzakelijke proviand: water, koeken en een powershot. Nadat we de GoPro hadden gemonteerd en de live tracking hadden geactiveerd waren we gereed voor vertrek.

Het eerste stuk langs Leiden ging voor de wind. We roeiden over De Zijl en passeerden de grote rode boei die het begin van het open water van Het Joppe markeert. Nu bleek dat we de afslag naar de Groote Sloot hadden gemist. We besloten Het Joppe over te steken en via Warmonderleede naar de afslag richting Noordwijk te varen. Deze loopt via de Haarlemmertrekvaart, die een veel te smalle sloot vol waterplanten bleek te zijn. Regelmatig bleven we met onze bladen haken in de planten. De betonnen tunnelbak onder de A44 moesten we met ingetrokken riemen door zien te komen. Verderop raakte mijn riem verstrikt in een dobber van een scheldende visser. Bij de onderdoorgang van de kruising van de N444 en de N450 werden we geconfronteerd met een versmalling van damwanden. Door de bladen te haken in de profielen wisten wij ons een uitweg uit de tunnel te wrikken.

Vanaf Noordwijk namen we de Maandagse Watering richting Katwijk. Na een pauzestop roeiden we door naar de Katwijkse binnensluis. Daar dronken we onze powershot om vervolgens de elf kilometer terugtocht tegen de wind in aan te vangen. Laverend tussen de sloepjes en zeeverkenners roeiden we terug naar de vereniging. Bij aankomst stond de teller op 37,5 kilometer, geroeid in 3h16 en een half uur pauze. Wij hebben genoten van het roeien in het Hollandse polderlandschap, maar ook geleerd dat het roeien van een toertocht andere vaardigheden vereist dan het trainen in een wedstrijdboot.

Goed opdrachtgeverschap

Een succesvol ICT-project vergt een goed samenspel tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. De opdrachtgever moet de juiste condities scheppen om de opdrachtnemer optimaal te laten presteren. De opdrachtnemer moet kwaliteit op de eerste plaats zetten. Zowel opdrachtnemer als opdrachtgever moeten bereid zijn zich kwetsbaar op te stellen en streven naar een win-win relatie. Wederzijds vertrouwen is een belangrijke succesfactor.

Twaalf jaar geleden was ik betrokken bij één van de ambitieuze overheidsprojecten: het ontwikkelen van de ICT-infrastructuur voor een shared service van personeelsdiensten voor de rijksoverheid. Wij hadden de opdracht om de personeelsadministraties van alle ministeries op één platform te bundelen en daar zelfbedieningsfuncties aan toe te voegen. Maar het lukte in een jaar tijd niet om alle ministeries op één lijn te krijgen. Door gebrek aan wederzijds vertrouwen werd anderhalf jaar na de projectstart gezamenlijk overeengekomen het contract te ontbinden. Alle partijen zijn tekortgeschoten, maar na de scheiding toont de opdrachtgever nog weinig zelfreflectie. In een interview in Binnenlands Bestuur geeft hij de opdrachtnemer de schuld van de mislukte relatie:

“Helaas, het kunstje was voor hen moeilijker dan gedacht. Wij rekenden op hun massieve bijstand, maar die kwam niet terwijl de ontwikkelingskosten opliepen. We merkten dat wij het werk van die marktpartijen zaten te doen. De opdracht was om eerst de personeelsprocessen te standaardiseren zodat ze geautomatiseerd konden worden. We hadden gehoopt dat de marktpartijen wisten welke standaards gangbaar waren en hoe de organisatie daaraan kon worden aangepast. Maar we kwamen er achter dat we daar zelf meer verstand van hadden.”

De Algemene Rekenkamer constateerde tekortkomingen in het opdrachtgeverschap van de overheid. Die tekortkomingen werden snel gerepareerd. Er kwam een gefaseerde aanpak met een actieve rol van de ministeries en marktpartijen. De overheid maakte werk van de standaardisatie en ICT-bedrijven zorgden aansluitend voor implementatie van de systemen. Na een doorstart werd het project alsnog een succes, dankzij professioneel opdrachtgeverschap en goede samenwerking.

Vorige maand presenteerde de Studiegroep ‘Informatiesamenleving en Overheid’ een advies over het verbeteren van het functioneren van de digitale overheid. De studiegroep laat zich in het rapport kritisch uit over de afhankelijkheid van grote ICT-aanbieders. Die zou een belangrijke belemmering vormen voor verdere digitale transformatie. De voorzitter van de studiegroep hierover in iBestuur: “Dit rapport is geen pleidooi tegen uitbesteden. Maar wij zeggen wel dat we alleen dingen zouden moeten uitbesteden die we in principe ook zelf kunnen doen. Dat impliceert dat onze expertise tenminste gelijkwaardig moet zijn aan die van de markt.” Het is een opmerkelijke uitspraak die veel vragen oproept. Duidelijk is evenwel dat de overheid in deze meer afstand neemt van de markt en meer ontwikkelingen voor een digitale infrastructuur met eigen mensen wil gaan doen.

De voorgenomen wijze van doorontwikkeling van de digitale infrastructuur staat in schril contrast met de benadering die de overheid hanteert voor de inrichting van de fysieke infrastructuur. Daar wordt juist geïnvesteerd in verbetering van de relatie met de markt. Vertegenwoordigers van overheden, brancheorganisaties en bedrijven stelden gezamenlijk een Marktvisie op, gericht op samenwerking en wederzijds vertrouwen. De hiërarchische opdrachtgever-opdrachtnemer verhouding maakt plaats voor samenwerking in de keten op basis van gelijkwaardigheid en complementariteit, met ieder een eigen rol en verantwoordelijkheid. Het initiatief van Rijkswaterstaat getuigt van goed opdrachtgeverschap en verdient navolging in andere sectoren.

Digitale Overheid Waarmaken

De overheid moet een fundamentele andere omgang met digitalisering ontwikkelen. De Digitale Generieke Infrastructuur is een vitale infrastructuur van ons land, waarvan de financiering structureel moet worden geborgd. De aansturing van een doorlopende digitalisering moet op topniveau worden verankerd binnen de (rijks)overheid en politieke aansturing. Overheidsorganisaties moeten zelf de regie voeren bij digitalisering van hun primaire processen en daarvoor gezamenlijk hun kennisniveau verhogen. Dat stellen de topambtenaren van de Studiegroep Informatiesamenleving en Overheid in het rapport ‘Maak Waar!’.

Burgers en bedrijven zijn inmiddels vertrouwd met digitale dienstverlening van de overheid. Meer dan 600 organisaties bieden digitale diensten aan via DigiD. Het inlogmiddel heeft meer dan 13 miljoen gebruikers die, volgens beheerder Logius, in 2016 250 miljoen keer inlogden. Dat bereik is met name hoog door dienstverlening van uitvoeringsorganisaties, zoals de Belastingdienst. De vooringevulde belastingaangifte  verhoogt de kwaliteit van de aangifte en bespaart belastingbetalers veel tijd. De dienst wordt elk jaar beter en completer. Dit jaar kostte het mij amper een kwartier om de aangifte van mijzelf en van mijn vrouw te controleren en op te sturen.

Minder bekend is het digitaal loket van het Centraal Justitieel Incassobureau. Deze organisatie staat bekend vanwege de efficiënte afhandeling van verkeersboetes via acceptgiro’s. Door de overgang naar een Europees betaalsysteem komt de acceptgiro binnenkort te vervallen. De overschakeling naar online incasso via iDeal was de trigger voor de lancering van een digitaal loket voor onze boetes voor de lichte verkeersovertredingen. Het loket geeft een overzicht van onze openstaande en afgehandelde boetes. Je kunt de foto’s opvragen, online betalen en digitaal in beroep gaan. De website is in begrijpelijke taal opgesteld en werkt prima op een tablet of mobiel.

Tot op heden heeft de overheid met name de eigen processen en diensten geautomatiseerd. Een volgende grote stap kan worden gezet door overheidsklanten en beleidsdoelen centraal te stellen bij digitalisering. In de ‘dienstverlening’ van het CJIB zijn de verkeersboetes geen doel op zich, maar bedoeld als sanctie om de overtreder te prikkelen om niet meer in herhaling te vallen. Naleving van toegestane snelheid en verkeersregels draagt bij aan betere veiligheid, milieu en doorstroming. Die doelen kunnen ook worden bereikt door op locatie de maximum toelaatbare snelheid aan de auto door te geven. Automobilisten hoeven dan niet langer te speuren in het analoge oerwoud van bordjes met steeds wisselende snelheden en tijdsaanduidingen langs de snelweg. Als de toegelaten snelheid wordt gekoppeld aan een snelheidsbegrenzer worden boetes, uitvoeringsorganisatie en digitaal loket in één klap overbodig. Het incasseren van geld kunnen we dan voortaan volledig aan de Belastingdienst overlaten.

Door digitalisering en samenwerking tussen overheid, private partijen en mensen in de samenleving kunnen we zaken anders organiseren en nieuwe waardediensten in het leven roepen. Daardoor kan economische groei worden versneld en onze samenleving gezonder, slimmer, socialer, veiliger en duurzamer worden gemaakt. De mogelijkheden zijn legio, bijvoorbeeld voor bevordering van gezondheidszorg, mobiliteit en participatie. De overheid kan het goede voorbeeld geven door te streven naar volledige transparantie, vrijgeven van betrouwbare open data, organiseren van internetconsultaties bij beleidsvorming en stemmen via internet te faciliteren. Een digitale overheid moet ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen. De informatiesamenleving laat zich niet top down aansturen. Nieuwe leiders binnen politiek en overheid moeten een digitale overheid door innovatie en samenwerking waarmaken.