Disruptieve overheid

disruptie

In de digitale economie is de klant bepalend. Bedrijven en instellingen die hun klanten het best begrijpen en daar snel op inspelen zijn de winnaars. Het denken vanuit de klant leidt tot disruptieve bedrijfsmodellen. Bekende voorbeelden daarvan zijn:

  • Über: het grootste taxibedrijf ter wereld dat geen taxi’s bezit
  • Airbnb: de grootste vakantiehuisvestingaanbieder dat geen vastgoed bezit
  • WhatsApp en WeChat: grote telecomaanbieders die geen infrastructuur hebben
  • Alibaba: de kapitaalkrachtigste verkoper die geen inventaris heeft
  • Facebook: het populairste mediaplatform dat zelf geen content maakt
  • SocietyOne: de snelst groeiende bank die geen geld heeft
  • Netflix: het grootste filmhuis dat geen bioscoop bezit
  • Apple en Google: de grootste softwareleveranciers die zelf geen apps ontwikkelen

Het belangrijkste kenmerk van deze bedrijven is dat ze volledig datagedreven zijn. Het zijn de gebruikers die de waarde toevoegen in het netwerk, bijvoorbeeld door content, goederen of huis te delen. De bedrijven werken als een platform met data als belangrijkste kapitaal. Op basis van data wordt steeds verfijnder gepersonaliseerde dienstverlening geboden.

Gevestigde bedrijven, zoals banken, taxibedrijven, hotelketens, warenhuizen, dreigen te worden ingehaald door disruptieve nieuwkomers. Digitale transformatie is essentieel om te kunnen overleven in de digitale economie. De sleutel van het succes ligt bij het centraal stellen van de klant. Die wil goede service en zijn zaken snel via zijn mobiel kunnen afhandelen. Annet Aris, docent digitale strategie aan de Franse businessschool Insead, noemt in het FD de volgende drie factoren waarop bedrijven en instellingen worden beoordeeld: transparantie, efficiency en keuzevrijheid. In het FD zijn negen sectoren gescoord op een zogenaamde disruptiemeter.

Het is niet verrassend dat de overheid slecht scoort op alle drie de factoren. Dit oordeel wordt bevestigd FD-lezers. De reacties zijn unaniem negatief over de overheidsdiensten: Ze hebben niet het gevoel dat de overheid luistert, of weet wat de burger wil. ‘We betalen ons suf en de service is slecht’, schrijft een ontevreden lezer. Maar ach, wat verwachten we ook van een monopolist, stelt een ander. ‘De overheid is een grote eenheidsworst.’

Mensen verwachten van de overheid een dienstverlening die vergelijkbaar is met die van commerciële dienstverleners. Die verwachting kan de overheid niet waarmaken. Digitale transformatie vereist ontkokering van de organisatie, samenwerking en gerichte investering. Op die punten laat de overheid het afweten. De interne organisatie wordt vooralsnog niet gewijzigd en het geld ontbreekt om een toekomstvaste digitale infrastructuur te implementeren. De technologische ontwikkelingen gaan snel, in een tempo dat de overheid nu niet kan bijhouden.

De overheid wacht nu de zware taak zichzelf te transformeren tot een netwerkoverheid in de netwerksamenleving. Grenzen tussen publieke en private organisaties zullen verdergaand vervagen. Met een grote verzameling registraties zit onze overheid op goud. Overheidsorganisaties zoals RDW, KNMI, CBS, RIVM en Kadaster beheren en ontsluiten de data. Dit blijft een kerntaak van de overheid. Data van KNMI en RDW wordt nu al gebruikt voor hoogwaardige dienstverlening door derden. Die lijn kan de overheid doortrekken door de dienstverlening die nu nog door de overheid wordt uitgevoerd over te laten aan private dienstverleners. Daardoor ontstaat meer  marktwerking. Voor klanten  biedt dat het perspectief van een verbetering van transparantie, efficiency en keuzevrijheid.

Van Caroline Boissevain naar Daniël en terug

Amsterdam

Amsterdam is naast een tolerante stad tussen 1700 en 1850 ook een stad met economische aantrekkingskracht. Dit is ongetwijfeld de reden geweest dat de uit Frankrijk afkomstige familie Boissevain zich daar vestigt. In de negentiende eeuw heeft onze familie zij zich daar op economisch en maatschappelijk gebied verder ontwikkeld. Hier volgt een wandeling door Amsterdam langs de verschillende huizen waar de Boissevains hebben gewoond en gewerkt.

We beginnen bij de Ronde Lutherse Kerk aan het Singel, vlakbij de brug naar de Haarlem­merstraat (als je van het station komt moet je een beetje rechts aanhouden). Ga in gedachten terug naar de eerste helft van de negentiende eeuw. De kerk staat in brand! Het is één grote vuurzee. De paarden met de brandspuiten denderen langs. Sommige pakhuizen beginnen ook al vlam te vatten. De 23-jarige Caroline wordt bang. Ze woont daar in de buurt en is sinds een paar jaar getrouwd met Willem de Clerq, die later beroemd wordt als letterkundige, improvisator en zakenman. Ze is alleen thuis en vlucht. Vlug haar mooie hoed met een grote veer opgezet en daar gaat ze, door een regen van vonken, naar haar vader Daniël. Wij gaan haar achterna. Ze is misschien over de brug naar de Haarlemmerstraat gerend, over de brug naar links en dan de Brouwersgracht op. Het Melkmeisjesbruggetje gaan we voorbij, de volgende brug nemen we naar links en we zijn we op de Herengracht aan de even kant. Kijk even om je heen, dit is één van de mooiste plekjes van Amsterdam. Een paar jaar later was ze zeker het pand no. 40 binnengegaan, want daar werkte haar man als directeur van de Nederlandsche Handel Maatschappij, maar zover is het tijdens de brand nog niet. Caroline en wij lopen dus door.

Bij het huis no. 60 staan we even stil. In dit huis woonde later vader Daniël aan het einde van zijn leven. Ook zijn firma Boissevain & Co. was daar toen gevestigd. Tijdens de Franse overheersing is het een internationale handelszaak in granen, Duits linnen, Franse wijnen en voor zover aanwezig in koloniale waren en Engelse geweven stoffen. Vanaf 1820 komt de nadruk op de scheepvaart te liggen. Boissevain & Co. groeit uit tot een rederij met zeven schepen, die vooral op Indië varen.

Herengracht 60

Boven de deur van no. 60 zie je een bas-reliëf met een afbeelding van Lodewijk XIII, koning van Frankrijk. Dat is er natuurlijk niet door Daniël geplaatst maar door een vorige bewoner. Het pand is trouwens geen eigendom van Daniël, hij heeft het in huur. Het is veel groter dan je zou verwachten, want het loopt aan de achterkant achter het buurpand om en heeft aan de tuinkant een zaal van vijf ramen breed. Dit huis gaat na het overlijden van Daniël over op zijn zoon en opvolger in de firma Gédéon Jérémie. Hij maakt de rederij groot, ondanks moeilijke politieke omstandigheden. In dit huis ontvangt hij toonaangevende Amsterdamse families, maar ook de kapiteins van zijn zeilschepen. Zie zo’n zeebonk staan, net terug van de vaart op Indië. Hij komt verslag uitbrengen en hij heeft zijn ringbaard voor de gelegenheid keurig gekamd.

Maar Caroline is doorgelopen, immers in dit huis woonde toen nog geen familie. Wij komen langs het aardige huis 102 waar de in 1841 geboren Edouard een tijd gewoond heeft en even verder langs het fraai gerestaureerde huis 112 waar Guillaume, de jongste broer van Caroline, woonde. Hij was de enige van de zes broers, die geen eigen zaak had. Wij komen alle broers in dit verhaal tegen: Gédéon Jérémie, Daniël II (de II ter onderscheiding van zijn vader Daniël), Charles Faber, Eduard Constatin, Henri Jean Arnaud en Guillaume.

We gaan verder, eerst langs het foeilelijke pand 124, dat in de plaats is gekomen van het mooie grachtenhuis waar Gédéon Jérémie zijn laatste jaren heeft gesleten. Nu gaan we langs de Leliegracht en komen bij Herengracht 168, thans het Theatermuseum. Aan het einde van de vorige eeuw woont daar Mijnhart, zoon van Daniël II en bankier in ruste vanaf zijn veertigste jaar. Zoals verschillende andere Boissevains in die tijd woont hij alleen ’s winters in Amsterdam, ’s zomers woont hij buiten. Het huis is gebouwd door de beroemde 17de-eeuwse architect Vingboons. Kijk even hoe schitterend het ligt in de bocht van de Herengracht. De voordeur staat open. Zie de binnenkant van de deur: een kunstwerk van wit en koper.

Herengracht 168

Aan de overkant stonden toen natuurlijk niet de lelijke kantoren van nu, maar grachtenhuizen. In één van die huizen ging de firma Boissevain & Kooy, ook een rederij en handelszaak, van Charles Faber van start. Deze jongere broer van Gédéon Jérémie was getrouwd met Hester Kooy. Haar vader had in het huwelijk toegestemd op voorwaarde dat Charles het schip in de firma zou inbrengen, dat juist voor de firma Boissevain & Co. was gebouwd. Aldus geschiedde, maar wel met enig hartzeer bij Gédéon Jérémie!

Wij steken de Raadhuisstraat over en vervolgen onze weg langs de Herengracht. Wij kijken naar de overkant. Daar bevindt zich het grote pand 237-239 (acht ramen breed) dat momenteel leeg staat. Vanaf 1886 is de firma van Adolphe Boissevain er gevestigd. Adolphe (ook een zoon van Daniël II) was een groot bankier, hij is de naamgever van het stadje Boissevain in Canada. De geschiedenis daarvan is, dat de spoorwegmaatschappij Canadian Pacific haar spoorlijn van oost naar west weer een stukje verder naar het westen wilde uitbreiden. Adolphe heeft samen met twee anderen voor de financiën gezorgd.

Herengracht 237-239

Uit dankbaarheid zijn toen de drie volgende haltes naar de drie bankiers vernoemd: Boissevain, Pierson en Tegelberg. De firma van Adolphe is uitgegroeid tot het bankiers­huis Pierson en als ik mij goed herinner was Pierson tot voor kort nog in het pand gevestigd. Adolphe woonde later op Prins Hendriksoord in de Lage Vuursche. Van hem gaat het verhaal, dat hij, toen de automobiel zijn entree in Neder­land maakte, al zijn twaalf rijtuigen en karossen verving door twaalf auto’s. Een mens moet met zijn tijd meegaan, nietwaar.

Wij wandelen weer verder. Op nummers 316, 320 en 324 hebben ook Boissevains gewoond, voor kortere tijd. Het was toen heel gewoon om te verhuizen, maar in de vorige eeuw bleven onze voorouders dezelfde omgeving trouw.

Kijk, daar in de verte zien we Caroline op de stoep van het huis van haar vader staan. Ze ziet er wat verfomfaaid uit, de veer op haar hoed is half verbrand! Het is het huis no. 370 even voorbij de Huidenstraat. Het maakt deel uit van de “Cromhouthuizen” die door de architect Vingboons gebouwd zijn. Het is een groot huis, de tuin loopt door tot op de Keizersgracht waar Daniël’s magazijn lag. Eerlijk gezegd ben ik een beetje aan het smokkelen want hij was al verhuisd naar Herengracht 184 voordat Caroline voor de brand vluchtte, maar dit huis bestaat niet meer – vergeef het me dus maar. Toen hij verhuisde gingen mee: “1 schuit met Koopmansgoederen en 1 dito met gladde Goed”, want ook een firma was aan zijn huis gevestigd.

Wij komen nu aan het pronkstuk van de Boissevain woningen: no. 386, ook in een bocht van de Herengracht, een breed, monumentaal huis. Hier woonde Jan Boissevain, zoon van Gédéon Jérémie en de medefir­mant in de rederij en de handelsfirma Boissevain & Co. Maar de rederij bezat alleen zeilschepen en vooral toen het Suezkanaal was gegraven waar slechts stoomschepen doorheen mochten had de zeilvaart het moeilijk. Jan heeft dit ingezien, heeft de zeilschepen verkocht en de handelszaken beëindigd.

herengracht386-phv

Hij heeft een leidende rol gespeeld bij de oprichting van de Stoomvaart Mij in Nederland, waarbij hij met een enorm doorzettingsvermogen en grote overredings­kracht de ernstige aanloopmoeilijkheden heeft weten te overwinnen. Hij had ook ingezien dat de tijd van de kleine rederijen voorbij was. Een belangrijk man! Wij lopen nu niet door naar de Leidsestraat maar we gaan rechtsaf de Leidsegracht op en dan naar Keizersgracht 482. Hier woonde Gideon, ook een zoon van Daniël II, in die dagen een bekende econoom en oprichter van de Kas-Vereniging, welke bank nu Kasassociatie heet. Hij was ook betrokken bij de Banque de Paris et des Pays Bas.

Wij komen langs het aardige Molenpad. Aan de overkant woonde het echtpaar Gildemeester-Boissevain, een zusje van onze Caroline. Even verderop aan de oneven kant van de Keizersgracht, op no. 321, woonde Walrave, wethouder van Amsterdam, maar dat was al in de twintigste eeuw.

Keizersgracht 321

Op no. 221 bevond zich de firma Gebrs. Boissevain, commissionairs in effecten, opgericht door twee jongere broers van Caroline en van Gédéon Jérémie: Daniël II en Eduard Constatin. Deze tweede Daniël voelde zich op den duur meer aangetrokken tot de verzekeringswereld.

Op dit terrein was ook zijn jongere broer Henri Jean werkzaam onder de firma H.J.A. Boissevain en Zoon, assurantiebezorgers. Hij en zij firma waren gevestigd op no. 143. Later was het eigendom van zijn zoon Prof. Ursul Boissevain, hoogleraar in de oude Geschiedenis en Romeinse Antiquiteiten in Groningen. Het huis is tot 1930 in de familie gebleven. Een mooi gobelin behang uit dit huis hangt nu in het Haags Gemeentemuseum.

Aan het eind van onze wandeling staan we even stil bij no. 133 waar Gebrs. Boissevain ook een tijd gevestigd was. Eduard Constatin woonde boven en onder de zaak, met dien verstande dat het personeel op het souterrain huisde. ’s Zomers woonde hij in Hilversum. Ook zijn zoon Willem woonde aldus. Het betekende dat er twee maal per jaar verhuisd werd. De familie reisde met de trein. Het personeel vervoerde de bagage, waaronder de serviezen en het tafelzilver, met de trekschuit. Als je dan bedenkt dat Willem twaalf kinderen had en dat er altijd wel een nurse en een nanny waren, dan betekende het een aardige kleine volksverhuizing.

We eindigen bij het Huis met de Hoofden, no. 123. Dit is geen Boissevain huis, maar hier was de Openbare Handelsschool gevestigd, dé opleiding voor jonge Bois­sevains die voor het bedrijfsleven voorbestemd waren, tot in het begin van deze eeuw. Dat het niet zo’n slechte opleiding was, is denk ik duidelijk geworden. Hier nemen we afscheid.

Auteur: Ernst G. Boissevain (geschreven in 1993)

Zie ook: Publicatie  Stamboom van de familie Boissevain

Ambtenaar staat nog centraal

35664_ambteleuk

Uiterlijk in 2017 kunnen we alle zaken met de overheid digitaal afhandelen. Op ieder gewenst tijdstip kunnen we dan vanaf de bank een vergunning aanvragen of vanuit het ziekenhuis via een app geboorteaangifte doen. Het maakt niet meer uit bij welke overheidsorganisatie je aanklopt, want de overheid belooft integrale dienstverlening. Dat is de ambitie van het programma Digitaal 2017. 66 procent van de ‘volumediensten’ is inmiddels digitaal. Minister Ronald Plasterk toonde zich ‘als minister verantwoordelijk voor de digitale overheid’ tijdens het overheidscongres tevreden over de geboekte voortgang. Dat is mooi, maar belangrijker is dat de overheidsklanten ook tevreden zijn.

Tijdens hetzelfde congres citeerde een bankier uit een brief die hij had ontvangen van de Belastingdienst. De brief was een antwoord op een verzoek voor kinderopvangtoeslag die hij vijf maanden eerder had gestuurd. ‘Geachte heer/mevrouw’ is de aanhef van de ambtelijke brief. Belastingdienst/Toeslagen deelt mee de aanvraag nog niet te kunnen afhandelen omdat gegevens ontbreken. Welke gegevens dit betreft wordt niet vermeld. De brief zegt meer over het proces dat de ambtenaar doorloopt dan over de situatie van de klant. Voor dienstverleners die de klant centraal willen zetten is dit een schoolvoorbeeld hoe het niet moet.

Overheidsorganisaties kunnen veel leren van digitalisering die zich in de bankensector voltrekt. Banken spelen in op de trend om via meerdere kanalen op consistente wijze te communiceren. Zij stellen de klantbeleving centraal. Mensen verwachten van de overheid een vergelijkbare dienstverlening. Net als bij de overheid hebben banken de uitdaging om de klantgegevens in verspreide IT-systemen te gebruiken in het contact met klanten. ‘De klant centraal’ gaat verder dan bestaande processen digitaliseren. Het gevaar is dat je historisch gegroeide manuele processen digitaliseert, terwijl je met digitalisering juist heel veel nieuwe mogelijkheden (zoals gepersonaliseerde dienstverlening) hebt.

De Belastingdienst doet nu de blauwe enveloppe in de ban. De ambtelijke brieven worden in de toekomst bezorgd in een digitale berichtenbox. Hierdoor wordt  een overheidsbesparing op print- en portokosten gerealiseerd. Voor de briefontvangers biedt het weinig meerwaarde. Het is automatisering van de bestaande bureaucratie. Digicommissaris Bas Eenhoorn is kritisch over de digitale vernieuwing binnen de overheid. “We moeten ons meer afvragen waarom we het nog op de oude manier doen” zegt hij in het Financieele Dagblad. De berichtenbox noemt hij als voorbeeld van wat er bij de digitale vernieuwing van de overheid niet goed gaat: “Steeds meer zien we dat de berichtenbox niet voldoet. Burgers kunnen niet terugmailen, mobiel gebruik is beperkt en er moet steeds opnieuw worden ingelogd met DigiD.”

De overheid beschikt over een grote hoeveelheid persoonlijke data. Met de vooringevulde aangifte laat de Belastingdienst zien dat ontsluiting van persoonlijke data veel gemak kan bieden aan belastingbetalers. Door digitalisering kan deze lijn worden doorgetrokken, waardoor de overheid contextueel met overheidsklanten gaat communiceren. Daardoor kan de overheid onpersoonlijke communicatie ombuigen in communicatie die persoonlijk, relevant en waardevol is. Overheidsorganisaties zullen het daarmee voor overheidsklanten niet alleen makkelijker maken, maar bovenal ook nog eens veel leuker.

Succesvolle mislukkingen

Kort geleden zag ik de film over de Apollo 13-maanmissie in het vliegtuig op weg naar Amerika. ‘Houston, we’ve got a problem’ meldde piloot John Swigert nadat een zuurstoftank was ontploft. Kort daarop hielden ook de andere tanks er mee op. We kennen de afloop van de missie. Maar het blijft spannend om te zien hoe de bemanning weer veilig op aarde kon terugkeren. Uiteindelijk overheerste blijdschap en trots. Het gaat de Amerikaanse geschiedenis in als ‘most succesful failure’.

Die kwalificatie bracht mij er toe te bedenken welke succesvolle mislukkingen wij in Nederland hebben beleefd. Als ik Google mag geloven dan gaan alle mislukkingen in ons land over ICT-projecten. ‘Overheid verspilt jaarlijks 1 tot 5 miljard door ICT-projecten’ en ‘Kans op mislukken IT-projecten bij overheid nog steeds groot’ staan bovenaan in de lijst. Het is veel moeilijker terug te vinden welke problematische projecten uiteindelijk wel succes hebben gebracht. In welke projecten hebben we een cisissituatie weten om te buigen in een positieve afloop? Daarbij denk ik in eerste instantie aan de DigiNotar hack.

DigiNotar was een internetbeveiligingsbedrijf dat het exclusieve recht van de overheid had gekregen als Trust leverancier. In juni 2011 braken Iraanse hackers in bij het bedrijf, dat de hack pas in juli ontdekte en verzweeg. Pas nadat in een blog melding was gemaakt van de inbraak volgde op 30 augustus een bevestiging van DigiNotar over de hack. Overheidsbeheerder Logius verstuurde daarna, afgaand op een verklaring van DigiNotar, het geruststellend bericht dat de certificaten van de overheid wel veilig waren. Extern onderzoek wees kort daarop uit dat dit niet het geval was. In de vroege ochtend van 2 september zegde de overheid het vertrouwen in DigiNotar op. Door adequaat op te treden heeft de overheid de crisis snel bezworen en werd de infrastructuur binnen twee weken hersteld.

Een mislukking was ook de aanbesteding van het shared service center voor personeelsdiensten P-direkt. Anderhalf jaar na de gunning constateerden zowel IBM als het ministerie van BZK dat de aanbesteding onvoldoende basis vormde voor een succesvolle totstandkoming van P-direkt. In oktober 2005 werd het contract ontbonden. Na de doorstart van het project werd afgestapt van een Big Bang-benadering en meer tijd genomen voor de implementatie. De afnemers van P-direkt werden intensief betrokken bij de voorbereiding, processen werden gestandaardiseerd en de opbouw van P-direkt werd stapsgewijs gerealiseerd. Dit was mogelijk dankzij overtuigend leiderschap en een heldere en integrale besturing van het veranderproces. De investeringen die zijn gedaan met de totstandkoming van P-direkt zijn inmiddels ruimschoots terugverdiend.

In de nacht van 17 op 18 juli 2012 ramden twee personenauto’s de ingangen van het gemeentehuis in Waalre. Het pand ging daarna in vlammen op. De gemeente stond voor de taak de dienstverlening te herstellen. De gemeentelijke ICT moest vanaf de grond opnieuw worden opgebouwd. Internet en telefonie moesten snel worden hersteld. Binnen 48 uur werd een noodloket Burgerzaken ingericht en konden medewerkers van de gemeente met nieuwe laptops aan de slag op een nieuwe tijdelijke locatie. In opdracht van de VIAG schreef journaliste Marieke Vos het verhaal van ICT-coördinator Sylvia Mollen en haar team in de dagen en maanden na de brand in de vorm van een ICT-thriller. De bijlage bevat checklists die gemeenten kunnen gebruiken om te zien of zij voldoende zijn voorbereid op een verwoestende calamiteit zoals in Waalre.

In Amerika kon het publiek de problemen met Apollo 13 via de televisie op de voet volgen. De succesvolle terugkeer van de bemanning werd collectief gevierd. In ons land proberen we de problemen zo lang mogelijk toe te dekken. En als de problemen achter de rug zijn, dan herinneren wij ons alleen nog de mislukking zelf. Zo werd P-direkt tot voor kort in de pers nog afgeschilderd als een groot debacle. Onze overheid beschikt over een krachtig herstelvermogen. Met iets meer openheid en transparantie bij de overheid kan ook de buitenwacht daarvan getuige zijn.

Familie in Tropisch Nederland

Nederlands Indië

“Wij blijven heerschen in Indië door dat springtij van jong Hollandsch bloed, dat jaarlijks naar de tropen opstijgt”

Deze uitspraak van Charles Boissevain in zijn boek Tropisch Nederland dateert van het begin van de twintigste eeuw. De auteur geeft in zijn boek naar zijn zeggen uitdrukking aan de “hartelijke wijze hoe na wij zijn verbonden aan onze Oost, hoe Indië een deel van ons zelf, van ons verleden, onze tradi­tie, ons leven en onze eer is.”

Anno 1992 wijst Indonesië vooralsnog alle ontwikkelings­hulp, gefinancierd door de Nederlandse overheid, af. Indone­sië hekelt het ‘roekeloze gebruik van ontwik­kelingshulp als instru­ment van intimidatie of middel om Indonesië te bedreigen’. Nederland veroordeelt de openbare schending van de mensen­rechten in Oost-Timor. Indonesië herinnert Nederland aan een voor dat land buitenge­woon pijnlijk verleden, dat het gevolg is van eeuwen onmense­lijke koloniale onderdruk­king, alsmede barbaarse wreedheden begaan tijdens de onafhan­kelijkheids­oorlog, nog minder dan vijftig jaar geleden.

De 350 jaar waarin Nederlanders geleefd, gewerkt en gevochten hebben in het eilandenrijk dat tegenwoordig Indonesië heet, hebben aan beide kanten sporen achtergelaten die wellicht nooit helemaal zullen verdwijnen. Na de Java-oorlog in 1830 werd Indië als kolonie eigendom van de Neder­landse staat. Het zogenaamde ‘cultuurstelsel’ bracht een radicale verande­ring teweeg in het dagelijkse leven van ontelbare Indonesiërs, vooral op agrarisch Java. Elke Javaanse boer werd verplicht een vijfde deel van zijn grond te bebouwen met producten die het Nederlandse gouverne­ment van hem wilde hebben. Op deze manier viel het de bestuurders van de kolonie niet moeilijk de uitgaven laag en de inkomsten hoog te houden. Aan het moeder­land kon jaarlijks een ‘Batig Slot’ van vele miljoenen worden aangeboden. Tussen 1860 en 1880 beleefde de kolonie de ondergang van het gehate cultuurstel­sel en de opkomst van de grote ondernemingen: de suiker-, koffie-, thee- en tabaksplantages, de tin- en steenkoolmijnen en oliemaat­schappijen. De aanzet voor deze ontwik­kelingen was gegeven door de opkomst van het liberalisme in Nederland. Er werden wegen gezocht en gevonden om Nederland­se ondernemers in Indië aan grond te helpen. Banken en Handels­maatschappij­en verschaften het nodige kapitaal. Met de opkomst van de particuliere ondernemingen in Indië trokken na 1870 duizenden Nederlanders naar het eilandenrijk. In de jaren daarvoor waren het nog uitsluitend soldaten en avonturiers die naar Indië trokken. In de jaren na 1870 werd hun plaats ingenomen door planters, fabrieks­directeuren, boekhouders, schrijvers, bestuursambtenaren en opzichters. Onder hen een aantal van onze voorouders.

De afstammelingen van Daniël Boissevain werden naar Indië gedreven door hun handelsgeest. De nakomelingen van Jean Henri Guillaume Boissevain hebben voornamelijk in bestuurlijke zin een relatie met Indië. In dit artikel ga ik in op het ontstaan van de relatie met Indië van de nazaten van Daniël in de tweede helft van de vorige eeuw. Informatie hiervoor heb ik ontleend aan de boeken van Charles Boissevain (Tropisch Nederland en Onze Voortrek­kers), Maria (Mia) Boissevain (Een Amster­damsche Familie) en Walrave Boissevain (Mijn Leven).

Maria (Mia) Boissevain (1878-1959)

De handelstraditie van onze familie begon bij Daniël. Deze werd geboren in 1772 en huwde op 23-jarige leeftijd Johanna Retemeyer. Kort na zijn huwelijk overleed zijn schoonvader, die chef was van een groot handels­huis. Daniël nam na zijn overlijden de zaken over en associeerde zich met zijn oom M.J. Retemeyer en later met zijn zwager. De handel in Duitse linnen goede­ren, Franse wijn en granen bloeide, maar kende ook een dieptepunt in het begin van de vorige eeuw tijdens de Napoleontische overheersing.

Mia Boissevain schreef over haar grootvader: “Hij zag dat de zaken zooals zij tot nu toe gedreven waren, onder de veranderende omstandigheden verlies moesten brengen. Daartoe bracht hij op zee vlugge schoeners op de Levant en flinke barksche­pen voor de grote vaart. Deze prachtige zeilschepen, van welke o.a. de namen Jan Pieterszoon Coen, Bestevaer van Nederland en Oranje mij zijn bijgebleven, waren zijn trots. Een van zijn genoegens was om met zijn kinderen naar de Handelskade te wandelen om kapitein en bemanning bij aankomst te verwelko­men.” Charles Boissevain schreef over zijn vader: “Elken ochtend als hij bij het ontbijt binnen kwam, ging hij uit het venster kijken naar het haantje op de Westertoren, want hij was afhankelijk van de wind… lagen er schepen in het Nieuwediep, die uitzeilen moesten, dan was Oostenwind onontbeerlijk.

jan boissevain

Gideons zoon Jan, geboren in 1836, kwam op jonge leeftijd te werken op de rederij van zijn vader, waar hij al vroeg tot het inzicht kwam, dat de tijd van de zeilschepen aan een einde kwam. Jaren voor er sprake was van stoom­vaart naar Nederlands Indië, was hij reeds bezig met plannen voor het omvormen van de rederij van zijn vader naar een stoom­vaartlijn. Mia Boissevain schreef over haar vader: “Avond aan avond besteedde hij aan de bestudering dier plannen. Maar zijn vader had er weinig oren naar. Hij was gehecht aan zijn trotsche zeilschepen en het bedroefde hem, dat al de vakkennis en zeemanschap verloren zouden gaan.” Jan Boissevain werd mede-oprichter en directeur van de Stoomvaartmaat­schappij Nederland die op Indië voer. De maatschappij werd in de eerste jaren van haar bestaan geconfron­teerd met scheeps­rampen. “De vreeselijke ramp van de ‘Willem III’ die op de eerste uitreis op weg naar Southampton verbrandde, het vergaan van de “Koning der Nederlanden” in open zee, met wekenlange onzekerheid over het lot der bemanning, het waren rampen die bijna onoverkomen­lijk leken. Met dankbaarheid gedacht mijn vader altijd den eerevoorzitter der Maatschappij, Prins Hendrik der Nederlanden, die ter vergadering gekomen geen enkel woord van blaam uitte en alleen maar zeide: “Wij moeten weer vooruit.” Hij voegde de daad bij het woord door een enorm kapitaal op de nieuwe leening in te schrijven“, aldus Mia Boissevain. Jan Boisse­vain was lid van de Amster­damse Gemeenteraad en de Provinci­ale Staten van Noord-Holland en was mede-oprich­ter van de Amster­damsche Droog­dokmaat­schappij en tal van andere lichamen. Hoogtepunt in zijn leven vormt zijn aandeel in de oprichting van de Koninklijke Pakket­vaartmaat­schappij en de stichting van de Neder­lands-Indische Landbouwmaatschappij. De Koninklij­ke Pakketvaartmaat­schappij zou later drie grote passagierssche­pen voor de vaart naar China en Zuid Afrika vernoemen naar de oprichters van de maatschappij: Boissevain, Ruys en Tegelberg. Charles Boisse­vain schreef over zijn broer: “Wat heeft die Maatschap­pij Nederland, die nationale stoomvaart tusschen Nederland en Indië vestigde, een tegenspoeden gehad. De geschiede­nis van de onderneming herinnerde ons volk aan de bezwaren, die groote ondernemingen steeds te overwinnen hebben. Jan Boissevain had te werken in een land, dat van subsidies wars is en aan eigen initia­tief der burgers groote belangen overlaat. Dat is krachtwek­kend, zeker. Maar in de eerste plaats krachtei­schend! Men had noodig een organisatie in Neder­landsch-Indië met kantoren en agenten in al de havens langs Java’s kust, van waar uit het binnenland het best bereikt werd. Men had noodig den steun van de regeering en volksvertegenwoordiging en het vertrouwen en de welwillendheid van den handel en van de reizigers naar Insulinde. De Regeering rekende steeds op de hulp van de Maatschappij, als in Atjeh of elders snelle bijstand noodig was en hielp haar indirect een weinig.

Jans broer Jacob Pieter, geboren in 1844, was chef van de firma Reiss & Co te Batavia. Jans zoon Walrave, geboren in 1876, bezocht op jonge leeftijd zijn Bataafse oom en schreef daarover: “In Batavia werd ik afgehaald door den bediende van mijn oom Jacob Pieter. Hij bewoonde een aardig huis aan de Molenvliet, had mij voor de helft daarvan afgestaan en voor uitstekende bediende gezorgd. Hoe hartelijk heeft mijn oom Jacob Pieter daar voor mij gezorgd. Hij introduceerde mij aan de tafel zijner vrienden en overal elders in Batavia en ik werd op de harte­lijkste wijze ontvangen.” Walrave Boissevain werkte voor de pakket­vaart in Indië en schreef over zijn opdracht voor deze maatschap­pij: “Toen ik eenigszins wegwijs was geworden bij de K.P.M., kreeg ik de op­dracht, een inspectiereis door de Molukken te maken. Ik moest mij met de vertegenwoor­digers van de regeering, residenten, assistent residenten en controlleurs in verbinding stellen, om te informee­ren, of de gouvernements­diensten naar behooren werden uitge­voerd. Ik moest de kas en de boeken controlee­ren en met de plaatselijke handelaren overleg plegen, of zij ook wenschen en grieven hadden. Voor een éénentwintig-jarige dus een belangrij­ke opdracht.

Bossevain,_Charles

Charles Boissevain (1842-1924)

Jans broer Charles, geboren in 1842, was schrijver en hoofdredac­teur van het Algemeen Handels­blad. Hij bezocht een aantal maanden Indië en schreef daarover in zijn boek Tropisch Nederland: “Een gevoel, dat jeugd ken­schetst, verheugde mij telkens in Java en Sumatra. Daar was het mij weer mogelijk te ontwaken met het besef, dat de dag wellicht iets zeer nieuws en schitterends brengen zou. Zulk een gevoel licht den last der jaren van de schouders en verjongt ons.” Naar het Nederlandse volk deed hij de volgende oproep: “Nu bid ik ernstig alle ouders om uw zonen gehuwd naar Indië te zenden. Geen opoffe­ring, die dit mogelijk maakt, is te groot. Regeering, help mee. Gij vrouwen, die leidt het machtige nieuwe vrouwenle­ven, helpt mede… be­grijpt! Wij blijven heerschen in Indië door springtij van jong Hollandsch bloed, dat jaarlijks naar de Tropen opstijgt. Maar laat toch vooral evenveel vrouwen naar Indië gaan! Dit geschiede bovenal terwille van het vaderland!

Auteur: Jan Willem Boissevain (geschreven in 1992)

Zie ook: Publicatie Stamboom van de familie Boissevain

Nieuwe wijn in oude zakken

v-d-logo1

V&D en La Place vechten voor doorstart, meldt de website van het failliet verklaarde warenhuis. ‘Voor een succesvolle doorstart is het belangrijk dat de winkels en restaurants zo lang mogelijk in bedrijf blijven.’ Het bedrijf heeft de digitale boot finaal gemist, maar uitgerekend de webshop van V&D is sinds de Kerst gesloten.

Het is een wonder dat de V&D nog bestaat. Dertig jaar heeft het bedrijf gekwakkeld. Het kostenniveau was te hoog en de verliezen liepen almaar op. Een grondige sanering werd in de tachtiger jaren nog door Dreesman persoonlijk afgeblazen. Pogingen om de formule van het warenhuis te veranderen bleken geen succes. Het bleek niet meer dan oude wijn in nieuwe zakken. De Bijenkorf, de Hema en de Action hebben een duidelijk herkenbaar profiel. De V&D bleef de stoffige middenmoter met een rommelige aanblik, een ouderwets assortiment en een matige service. Meer dan eens zag ik het personeel achter de balie met elkaar in gesprek klagend over hun arbeidsvoorwaarden. Bij iedere vraag word je doorverwezen of het bos ingestuurd. Herman Finkers heeft het imago van V&D treffend neergezet in zijn scene ‘verkoopt u ook kussentjes?’

Vijf jaar geleden kwam V&D in handen van een Amerikaanse investeerder. Bedrijfsonderdelen werden met forse winsten verkocht. Panden werden verkocht en tegen hoge kosten teruggehuurd. De korte termijnwinst vloeide in de zakken van de investeerder. Het bedrijf is inmiddels volledig kaalgeplukt. Verdere kostenbesparingen liepen vast op verzet van het personeel en rechtszaken. In de zomer lukte het alsnog een loonakkoord te bereiken. Met verhuurders werden afspraken gemaakt voor structureel lagere huren. Het mocht allemaal niet baten. Het verdienmodel van V&D deugt niet. V&D maakt een omzet van 619 miljoen met 10.000 medewerkers. Bol.com heeft een omzet van 680 miljoen met 700 mensen en levert een betere service.  Een te warme winter werd V&D uiteindelijk fataal.

De curatoren zullen met een doorstart de belangen van de schuldeisers zoveel mogelijk proberen veilig te stellen. Waarschijnlijk liggen de plannen voor de doorstart allang klaar. In veel binnensteden zal de V&D uit het straatbeeld verdwijnen. Het personeel dat doorgaat zal een nieuw en flexibeler contract voorgeschoteld krijgen. Op de langere termijn zal ook dat niet houdbaar zijn.

Zelfs als het bedrijf er in slaagt de service te verbeteren, dan nog is het nieuwe wijn in oude zakken. “Jonge wijn doet men niet in oude zakken, want dan barsten de zakken en de wijn loopt weg. Jonge wijn doet men in nieuwe zakken en beide blijven samen behouden” zegt de Bijbel daarover. De oude zakken staan hierbij symbool voor het oude vertrouwde verdienmodel van een klant die de winkel inloopt om een kussentje te kopen. Inmiddels concurreert het warenhuis met online shops in China en de rest van de wereld. We moeten ons altijd realiseren dat de wijn er niet voor de zak is. De zakken zijn er om de wijn goed in te bewaren. Oude zakken voldoen niet. Ze zijn uitgedroogd en kunnen scheuren tijdens het fermentatieproces.

2015 herzien

De statistieken hulpaapjes van WordPress.com hebben voor 2015 een jaarlijks rapport voorbereid.

Hier is een fragment:

In de concertzaal in het Sydney Opera House passen 2.700 mensen. Deze blog werd in 2015 ongeveer 11.000 keer bekeken. Als je blog een concert zou zijn in het Sydney Opera House, zou het ongeveer 4 uitverkochte optredens nodig hebben voordat zoveel mensen het zouden zien.

Klik hier om het complete rapport te bekijken.

Sjoemelen met miljoenen afgestraft

Cat

Het afgelopen jaar zette het herstel van de economie verder door. Het volume van bedrijfsinvesteringen is toegenomen en het vertrouwen van consumenten verbeterd. De huizenprijzen stijgen weer en de files op de Nederlandse wegen worden almaar langer. Tegelijkertijd verdampten miljarden euro’s op effectenbeurzen als gevolg van fraudezaken. „Our company was dishonest” sprak Volkswagen-baas Horn: „We totally screwed up.”

Gesjoemel met software

In september dit jaar maakte de Amerikaanse milieutoezichthouder EPA bekend dat Volkswagen speciale software in de auto’s gebruikt om uitstootgegevens te vervalsen. Deze zogenaamde sjoemelsoftware heeft door wanneer het om een test gaat en zorgt er dan voor dat de emmissietest minder uitstoot van schadelijke stoffen gedetecteert dan wanneer de auto’s op de weg rijden. In eerste instantie zou deze manipulatie betrekking hebben op een half miljoen verkochte auto’s in de Verenigde Staten. Inmiddels is bekend dat wereldwijd meer dan 11 miljoen dieselauto’s zijn uitgerust met sjoemelsoftware. De verwachte claims en boetes lopen in de miljarden. Een week na het bekend worden van de fraude had de beurswaarde van Volkswagen ruim 25 miljard ingeleverd en trad VW-topman Winterkorn af.

Gesjoemel met aanbestedingen

Afgelopen jaar berichtten de media veelvuldig over fraude bij aanbestedingen. De fraudezaak binnen NS spande de kroon. Deze zomer bleek dat NS-dochter Qbuzz een afgezwaaide directeur van concurrent Veolia als bedrijfsspion had ingezet om vertrouwelijk informatie te bemachtigen voor de aanbesteding van het openbaar vervoer in Limburg. Hij werd via een adviesbureau ingehuurd om zich richten op het winnen van de aanbesteding. De inhuur via het adviesbureau was bedoeld om het concurrentiebeding te omzeilen. De voormalig Veolia-directeur kreeg een telefoon en emailaccount onder een andere naam. Qbuzz won de aanbesteding, maar de provincie trok de consessie in toen de fraude aan het licht kwam. NS-topman Timo Huges werd gedwongen af te treden.

Gesjoemel met geld

Deze maand ging de beurskoers van Arcadis onderuit nadat de Braziliaanse politie de kantoren van het Nederlandse ingenieursbureau was binnengevallen. Volgens analisten zou hierbij sprake zijn van een fraude van 50 miljoen euro bij een watermanagementproject in het noorden van Brazilië. Eerder dit jaar kwamen fraudegevallen bij Imtech en SBM Offshore aan het licht. Bij SBM Offshore gaat het om omkoping. De olieplatformbouwer betaalde een recordschikking naar aanleiding van de smeergeldaffaire. Het installatiebedrijf Imtech met 22.000 werknemers kwam in de problemen nadat grootschalige boekhoudfraude aan het licht kwam bij de bouw van een pretpark in Polen. Daarna doken in de Duitse tak van Imtech nog diverse fraudegevallen op. Financiers trokken daarna hun handen van het bedrijf af. In augustus ging Imtech failliet.

Kat in het donker

De verleiding om te frauderen neemt toe naar mate het financieel belang groter wordt en de pakkans kleiner. Het is opvallend dat de meeste fraude diep in de organisatie of ver weg van het moederbedrijf wordt gepleegd. In vrijwel alle gevallen zegt de top onwetend te zijn en overvallen door het nieuws dat naar buiten komt. Soms is de fraude begonnen voor hun aantreden bij het bedrijf. Dat ontslaat topmensen niet van hun verantwoordelijkheid. Als zij niet van het gesjoemel binnen hun bedrijf wisten, dan had de top dat moeten weten en optreden. Topmensen worden in toenemende mate vervolgd en gestraft voor het sjoemelen met miljoenen.

Christ is King

2015-12-23_215408000_329FE_iOS

Zondagmiddag 12 juli 1998 rijden we de wat blubberige campground van de plaats Boissevain (provincie Manitoba) in Canada op. Ons verlangen om het plaatsje te zien, doet de 756 kilometer die we hebben afgelegd vanaf Cloguet (Minnesota) in de VS geheel vergeten. En blubber zijn we wel gewend in de Peace Garden en de Turtle Mountains, die ten zuiden van Boissevain liggen en waar we net de grens met de VS zijn overgestoken. De combinatie van warm weer en vochtig gras geeft ons de verklaring voor de vele insecten die we van ons lijf moeten houden. Later begrijpen we dat er altijd veel muggen en black flies in het plaatsje zitten. Niet voor niks staat in het dorpscentrum een gigantische paal met allemaal vogelhuisjes, waarvan de bewoners worden geacht de Boissevainers tegen de insectenoverlast te beschermen.

tommy

De drukte van flanerende bewoners op onze dag van aankomst blijkt niet normaal te zijn. Het markeert het einde van een driedaags festival dat onder de naam ‘27th Annual Canadian Turtle Derby’ Boissevain in de vaart der volkeren omhoog stoot. Vanuit het middelpunt van een grote cirkel wordt een aantal schildpadden losgelaten. De eerste die de rand van de cirkel aanraakt heeft gewonnen. In hoeverre de padden zich bewust zijn van het doel van hun missie, dan wel getraind zijn voor deze bezigheid, is mij niet bekend. Een wandeling die zondagavond en de volgende ochtend geven ons echter een beter beeld van de normale gang van zaken daar. Centraal staat een aantal graansilo’s aan de spoorlijn, die in 1882 mede door toedoen van Athanase Adolphe Henri Boissevain (1843-1921) kon worden gerealiseerd. Het verbouwen van diverse soorten graan, de opslag en het transport ervan vormt de economische basis voor de welvaart van de circa 2.500 inwoners. Hun huizen, winkels en de vele kerken voor de overige levensbehoeften bepalen voorts het beeld langs de twee elkaar kruisende hoofdstraten.

Naast de jaarlijkse Turtle Derby bieden de circa 20 zeer grote muurschilderingen op even zovele dode muren een permanente confrontatie met de historie van de omgeving. Degene met de beeltenis van A.A.H. Boissevain herdenkt de eerste (in 1885) en de laatste (in 1958) passagierstrein die Boissevain aandeed. De straten en huizen zien er proper uit, het straatbeeld is rustig doch gevuld met bewoners die aan het werk zijn. Mijn gesprekken met een aantal van hen in het VVV-kantoor, een kledingzaak en een servieswinkel bevestigen eveneens mijn indruk dat men hier volledig profiteert van de welvaart en harmonieus samenleeft. Wat meer kunnen we eigenlijk nog wensen voor dit dorpje, waarmee wij door een gemeenschappelijke naam ons verbonden voelen?

Charles F.C.G. Boissevain (1998)

De vrijheid bewijst zichzelf naarmate zij verwezenlijkt wordt

Parijs aanslagen

Begin dit jaar werd de wereld opgeschikt door de schokkende beelden van de aanslag op Charlie Hebdo. Het was een aanval op de vrijheid van meningsuiting. De 13 november aanslagen in Parijs waren een aanval op onze vrije manier van leven. Zij herinneren ons aan de terroristische aanslagen op 11 september 2001. Een datum die onze geschiedenis markeert. De beelden van de vliegtuigen die zich in de Twin Towers boorden vergeten wij nooit. Waar waren wij tijdens de aanslagen en welke invloed hadden de gebeurtenissen op ons?

Op het moment van de aanslagen was ik op het ministerie van Defensie. Samen met collega’s gaf ik daar een presentatie. Maandenlang hadden wij ons op daarop voorbereid. Het was een belangrijk moment om onze visie te presenteren en te toetsen. Tijdens de presentatie werd de hoogste militair in rang weggeroepen. We konden ons verhaal nog wel afmaken. Na een open discussie verlieten we tevreden het Defensiegebouw aan het Plein in Den Haag. Eenmaal buiten werden wij aangeklampt door een jongeman die ons vroeg of wij aan de kant van de Amerikanen stonden. Wij negeerden die vraag en zochten een plaats op een van de terrassen aan het Plein om ons bezoek aan het ministerie te evalueren. Naast onze tafel werd een groot scherm gemonteerd. Even later zagen wij daarop de beelden van de vliegtuigen die zich door de Twin Towers boorden. Het publiek stroomde van alle kanten toe om de beelden te zien. Opeens zaten wij midden in een arena van rampkijkers. 

In de auto op weg naar huis belde ik mijn vrouw. Zij had het nieuws nog niet gehoord. Wij besloten dat wij onze jonge kinderen niet wilden blootstellen aan de gruwelijke beelden. De televisie in de woonkamer ging niet aan, maar lang konden we het nieuws niet verborgen houden. Een week na de aanslagen maakte onze zoon tekeningen over de beelden die hij had gezien op het jeugdjournaal. Je ziet torens in brand staan. Er hangt een vliegtuigtuig in de lucht. Mensen springen naar beneden, met een parachute. Ambulances zijn onderweg.

9-11(02)

Op een volgende tekening zie je een toren instorten. Lachende mensen kijken uit de ramen.

9-11(01)

Hoe beleeft een jongen van vier de beelden van de aanslagen? Voor hem was het een gebeurtenis met veel actie. Hij associeerde de beelden nog niet met een grote ramp en veel slachtoffers.

“De vijanden van de vrijheid hebben een oorlogsdaad tegen ons land gesteld.” sprak George W. Bush na de terroristische aanslagen. Die uitspraak vormde de start van de ‘War on Terror’. In de jacht op het meesterbrein achter de aanslagen werd Afghanistan ingevallen. Daarna volgde de zinloze invasie in Irak op zoek naar niet aanwezige massavernietingswapens. Die inval leidde tot een destabilisering in het Midden Oosten. Het machtsvacuüm dat ontstond na het vertrek van de Amerikaanse troepen legde de voedingsbodem voor rebellenlegers en terroristische groeperingen.

“De vrijheid bewijst zichzelf naarmate zij verwezenlijkt wordt” zei de Franse filosoof Jean-Paul Sartre: “De vrijheid wordt niet cadeau gedaan; men moet zichzelf veroveren op zijn hartstochten, op zijn geslacht, op zijn klasse en zijn volk en met zichzelf de andere mensen veroveren.”