Telefonisch contact met Adolphe Boissevain

nl266129

De contracten en correspondentie tussen Athanase Adolphe Henri Boissevain (1843-1921) en de Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij (MBTM) geven een beeld van de aanleg van een unieke telefoonverbinding “buitennetaansluiting”, die de NBTM voor Adolphe aanlegde tussen zijn huis Prins Hendriksoord te Lage Vuursche en de gemeente Amsterdam. Maar het gaat ook om de perikelen van een welgestelde particulier in de periode, dat de Staat steeds meer de telefoondienst overneemt van particuliere telefoonmaatschappijen.

Uit de vinding van Alexander Bell, het telefoonhoorntje uit 1876, was door toevoeging van een microfoon, een bel, een dynamo en enkele andere zaken een toestel gegroeid, dat ten algemene nutte kon worden geëxploiteerd. De eerste telefooncentrale werd niet lang daarna te New Haven (Connecticut) in de Verenigde Staten in gebruik genomen. De Nederlandse Staat zag de voordelen van dit apparaat eigenlijk alleen in het doorspreken van de al langer bestaande telegrammen. In de exploitatie van zoiets als een telefoondienst zag de overheid daarbij geen taak voor zichzelf. Particuliere initiatieven daartoe – onder concessie – lieten niet lang op zich wachten en Amsterdam beet de spits af. Uit een aantal aanvragen om een concessie voor het inrichten van een telefoonnet koos de gemeenteraad de International Bell Telephone Company als de meest geschikte voor de exploitatie. Deze droeg de concessies over aan de NV Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij (NBTM), die intussen voor het aanleggen en beheren van telefoonnet­ten was opgericht. Op 1 juni 1881 werd als eerste in Nederland het Amsterdamse net in gebruik genomen, met 49 aangeslotenen. Later ontstonden ook in andere plaatsen particuliere maatschappijen.

Mensen uit de wereld van handel en industrie, die buiten het concessiegebied van de lokale telefoonex­ploitant woonden, wensten echter ook in de telefoongemeenschap te worden opgenomen. Dit kon slechts door het maken van dikwijls lange verbindingen over het grondgebied van een aantal gemeentes en particulieren. Daarvoor was toestemming nodig van de betrokkenen en de nationale overheid. Het waren zgn. buitennetaansluitingen, dus geen verbindingen tussen lokale netten met een interlokaal karakter (daarvan was pas vanaf 1887 sprake). Bij een buiten-netaansluiting is sprake van een abonnee, die buiten het gebied van zijn lokale telefoonnet woont. Tot de eerste van deze lange verbindingen met het Amsterdamse net behoort die van A.A.H. Boissevain te Prins Hendrik­soord.

In 1885 toont de 43-jarige Adolphe belangstelling voor een telefoonaansluiting in zijn huis. Zijn drukke werkzaamheden in binnen- en buitenland liggen hieraan ten grondslag. In december van het jaar krijgt de NBTM toestemming van de minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid om de lijn aan te leggen. De NBTM moet hiervoor jaarlijks ƒ 100,- aan de Staat betalen. In juni 1886 is het contract tussen de NBTM en Boissevain rond. Adolphe krijgt in zijn huis een Bell-telefoon en Blake-overbrenger met trekapparaat. De overbrenger is genoemd naar Francis Blake, die een verbeterde versie van de eerste echte “microfoon” ontwikkelde en die op grote schaal in de eerste Nederlandse netten wordt toegepast.

Adolphe huurt de instrumenten, mag ze alleen ten eigen nutte gebruiken en moet er als een goed huisvader voor zorgen. De NBTM zorgt voor de verbinding met Amsterdam, het goede functioneren ervan en het onderhoud aan de toestellen in Prins Hendriksoord. Mocht de verbinding onverhoopt langer dan een maand niet functioneren, dan kan Adolphe 1/12 van het door hem verschuldigde bedrag terug ontvangen. Ze sluiten een contract voor 10 jaar af voor een bedrag van ƒ 700,- per jaar. In 1896 loopt het contract dus af. Dit is hetzelfde jaar waarin ook de concessie (om het lokale net te exploiteren) van de gemeente Amsterdam aan de NBTM afloopt.

Palen en dradenbundels: twee draden per verbinding zijn nodig om een optimale kwaliteit te bereiken. Deze lopen langs straten, spoor- en waterwegen. De plaatselijke lijnen waaieren in grote getale uit van de zgn. kooipalen en de op de daken van de huizen geplaatste dakstellingen. In veel gevallen is de wirwar zo groot, dat het geheel op een dicht spinneweb leek. Daarvan is in 1886 in Lage Vuursche natuurlijk nog geen sprake, maar de verbinding met Adolphe raakt zijn buurman wel. En dat is niet de minste: jhr mr P.J. Bosch van Drakestein, commissaris van de koning in Noord-Brabant en eigenaar van het naastgelegen landgoed Drakestein. De NBTM sluit met hem een contract voor het plaatsen van telefoonpalen op zijn landgoed ten behoeve van de verbinding met Prins Hendriksoord. Om de 60 meter komt er een paal te staan, waarvoor Bosch van Drakestein de lokaties moet aanwijzen. Jaarlijks ontvangt hij hiervoor van Boissevain een vergoeding van ƒ 100,-. Mocht de jonkheer echter ooit zelf ook een telefoonaansluiting willen hebben, dan kan hij gratis “aanhaken”. De door hem te ontvangen vergoeding van ƒ 100,- voor Adolphe’s palen vervalt dan wel!

De telefoon wordt populairder en profijtelijker in Nederland. Steeds meer beginnen de lokale en nationale overheden interesse te tonen in het zelf exploiteren van de netten. Dit gebeurt ook met het lokale telefoonnet van Amsterdam, dat in 1896 door de gemeente wordt overgenomen. Een jaar later neemt het Rijk het interlokale net over, waardoor de Rijkstelefoondienst ontstaat. Het is het jaar, waarin de 54-jarige Adolphe toetreedt tot het bestuur van het Burgerziekenhuis. Zijn dochter Gerardine, gehuwd met de Amsterdamse assuradeur Gerrit van der Aa en wonend in “Zomerlust” te Hilversum, krijgt in 1898 een telefoonaansluiting voor niet-openbaar gebruik met Prins Hendrikoord. Een belangrijk feit in de nieuwe eeuw is het in werking treden van de Telegraaf en Telefoonwet 1904. Deze wet geeft het Rijk meer armslag in de exploitatie van de telefonie, die in 1910 voor het eerst zelfs een batig saldo oplevert.

In 1918 wordt Adolphe het slachtoffer van alle veranderingen. Vijf jaar eerder is Drakestein – via de palen van Adolphe – aangesloten op het telefoonnet en volgens afspraak zou die aansluiting gratis zijn. Daarmee is de jaarlijks door Adolphe te betalen vergoeding van ƒ 100,-, voor de op zijn buurmnans landgoed geplaatste telefoonpalen, vervallen. Maar eind 1916 wordt er een Koninklijk Besluit van kracht, dat geen gratis aansluitingen meer toelaat. Bosch van Drakestein moet betalen en doet dat ook. Maar als compensatie eist hij nu ƒ 132,- per jaar vergoeding van Boissevain voor de op zijn landgoed geplaatste palen! In een pittige brief aan de directeur-generaal der Posterijen en Telegrafie laat Adolphe weten, dat dit geheel in tegenspraak is met de destijds gemaakte afspraken en dat hij hieraan niet tegemoet wenst te komen. Het antwoord van de minister bevestigt het tijdsbeeld. De snelle ontwikkelingen in het telefoonbedrijf in de afgelopen decennia hebben de oude afspraken over de private buitennetaansluiting van het lokale telefoonbedrijf NBTM achterhaald. De verbinding tussen Prins Hendriksoord en Amsterdam vindt tegenwoordig plaats via het interlokale telefoonnet en daarvoor moet het interlokale tarief worden betaald. Adolphe Boissevain is zijn exclusieve recht op een eigen telefoonverbinding kwijt en moet meegaan met de regels die gelden voor de vele duizenden die inmiddels ook een telefoonaansluiting hebben.

Charles F.C.G. Boissevain

BRONNEN:

  • Nederlands Patriciaat, 1988 (= NP);
  • Honderd jaar telefoon, 1881 – 1981;
  • Contracten en correspondentie met A.A.H. Boissevain (1886 – 1921).

Hardnekkige valsspelers

meldonium

Net zijn wij bekomen van dopingschandalen in de wielersport. Nu regent het bedrogrecords in alle disciplines van de topsport. Het gaat over omkoping binnen de atletiekbond IAAF, matchfixing in de voetbal- en tennissport, corruptie bij voetbalbond FIFA, mechanische doping met verborgen fietshulpmotortje. En we hebben natuurlijk nog steeds de gewone doping. Russische sporters slikken een verboden prestatiebevorderend medicijn tegen hartfalen. Fraude in de topsport domineert de verslaggeving.

Door de vele vormen van wangedrag gaan we op een andere manier naar de sport kijken. Welke prestatie kunnen wij nog geloven? Wat is het schaatsrecord van minder dan 34 seconden op de 500 meter waard? De prestatie van een wielrenster die in het zadel op de Koppenberg 10 seconden van haar concurrentes wegrijdt lijkt niet geloofwaardig.

Een tennisser die na een aantal dubbele fouten de partij weggeeft vinden wij ook verdacht. Als hebzucht het wint van sportiviteit ligt fraude op de loer. In de vorige eeuw gold het aannemen van geld voor sportprestaties nog als onsportief gedrag dat bestreden moest worden. Door de toenemende belangstelling vanuit de media werden de amateurbepalingen afgeschaft en commercialiseerde de topsport.

Onder druk van de commercie wordt alles in het werk gesteld om fraude toe te dekken of te verdraaien. Bij iedere verdenking volgen steevast ontkenning of excuses. “Het is mijn fiets niet. Het is de fiets van een vriend. Het is een vergissing”, zegt een van mechanische doping betrapte wielrenster. “Ik neem het middel al sinds 2006 toen ik kampte met gezondheidsproblemen.” zegt de tennisster die niet goed naar de lijst met verboden producten heeft gekeken. “Hij kan het niet geloven en wij ook niet. Het was een schok voor ons allemaal, want we geloven echt dat hij geen verboden middelen heeft genomen en dat hij absoluut onschuldig is in deze situatie”, zegt een teammanager over een positieve dopingtest: “We weten niet hoe deze substantie in z’n urinemonster terecht is gekomen.” De sportbond probeert alle gevallen af te doen als een curieus incident: “Zij zijn er door anderen ingeluisd, zij zijn het slachtoffer van andere leden in hun ploeg.” De bondsvoorzitter baseert deze uitspraak op uitslagen van een test met een leugendetector.

Alle ontkenningen van fraude klinken ongeloofwaardig. Het is ook onwaarschijnlijk dat dopinggebruik uitsluitend het initiatief is van individuele sporters. Toch wordt nog steeds jacht gemaakt op individuele sporters. Middels whereabouts moeten zij continu beschikbaar zijn voor een dopingtest. Wanneer wordt strijd verlegd naar de criminele netwerken in de topsport? Individuele klunzen zijn onbelangrijk, want het zijn criminele netwerken die hardnekkige valsspelers voortbrengen.

Achterdeurtje is ongewenst

2016-02-20_184851000_F43BD_iOS

“Een bot is een programmaatje dat doet alsof het een mens is. Een softwarerobotje, een volautomatische opdracht die zelfstandig wordt uitgevoerd, die een netwerk kan afzoeken en informatie kan vergaren. Bots zijn overal, nemen langzaam het internet over, zoekmachines draaien op bots die overal informatie uit websites halen en bijeen brengen.”

Dit is geen tekst van Wikipedia, maar een passage uit de thriller ‘Bot’ van Charles den Tex. Bots worden veel toegepast in computerspellen om tegenspelers en medespelers toe te voegen aan het spel. Zoekmachines zoals Google en Bing gebruiken bots om webpagina’s te selecteren. Deze bots worden spiders genoemd en zoeken het web af. Zij analyseren, selecteren en tonen relevante webpagina’s. Chatbots, zoals Apple’s virtuele assistent Siri, worden ontwikkeld om op een menselijke manier te kunnen communiceren. Zo heeft Terre des Hommes het virtuele meisje Sweetie ontwikkeld om daders van webcamseks met kinderen te ontmaskeren. De bot in het boek van Den Tex heeft minder goede bedoelingen. De software moet diep binnendringen in de systemen van klanten om met de verkregen informatie klanten onlosmakelijk te binden.

Zakenman Willem Hartema laat een informatiesysteem bouwen om het maximale uit zijn klanten te halen. Het is geen systeem dat legaal in de markt verkrijgbaar is. Bas Pantier, een hyperintelligente computernerd, ontwikkelt de software exclusief voor de zakenman. Bas maakt deel uit van een groepje nerds die code schrijft en versleutelingen maakt. Zij opereren anoniem in de onderwereld van het internet. Via het netwerk tor (The Onion Router) kunnen zij online anoniem blijven en opereren in de spelonken van het internet die voor Google en browsers verborgen blijven. Hoewel Bas de grenzen van het ethisch toelaatbare overschrijdt, roept juist hij de sympathie op in de thriller van Den Tex.

Het avontuur van Bas Pantier is weliswaar fictie, maar bepaald niet onrealistisch afgaande op getuigenissen over de digitale onderwereld. Onderzoeker Jamie Bartlett dook zelf onder in het Dark Net en schreef daarover in zijn gelijknamige boek. Hij kocht drugs op het Dark Net en sprak met activisten, liefhebbers van kinderporno en computernerds. Hij maakt duidelijk waarom het anonieme Dark Net aantrekkelijk is voor wapen- en drugshandelaars en verspreiders van kinderporno. Hij laat de duistere kant van het Dark Net zien. Hij benadrukt ook de creatieve kant, zoals de toepassing voor bitcoins.  “Het Dark Net kweekt een adembenemende creativiteit. Het merendeel van de sites die ik heb bezocht was verbazingwekkend adaptief en innovatief”, schrijft Bartlett.

Niemand, behalve zakenman Willem Hartema, kan het informatiesysteem activeren. Nadat Willem dood wordt gevonden ontstaat een gevecht om de controle over het systeem. Ontwikkelaar Bas Pantier heeft geen toegang meer, want hij heeft geen achterdeurtje in het systeem gebouwd. Dit doet ons denken aan het conflict tussen Apple en de Amerikaanse overheid over het kraken van telefoons van terroristen. Als ontwikkelaars een achterdeurtje inbouwen kunnen veiligheidsdiensten de toegang opeisen en zullen ook criminelen en sjoemelende bedrijven jacht maken op toegang tot onze systemen. Een achterdeurtje op ons mobiel is daarom ongewenst.

dr. Mia Boissevain: dierkundige en feministe

Maria (Mia) Boissevain (1878-1959)

Maria (Mia) Boissevain (1878-1959)

Maria (Mia) Boissevain (1878 – 1959) was betrokken bij de strijd om het vrouwenkiesrecht. Zij kreeg publieke bekendheid door haar optreden als voorzitster van het comité, dat de zeer succesvolle tentoonstelling ‘De Vrouw 1813-1913’ organiseerde. Mia heeft in 1915 in een manuscript onder de titel ‘Een Amsterdamsche familie’ haar familie en sociale omgeving en haar leven tot dan toe beschreven.

De jongste van de Jantjes

In Amsterdam worden de twee grote families Boissevain met nazaten van Gideon Jeremie door bekenden aangeduid als de Jantjes en de Charles-tjes, verwijzend naar de namen van de vaders. Jan Boissevain is getrouwd met een van de zusjes Brugmans: Petronella Gerharda Johanna (1838-1905) dochter van stadsadvocaat Mr. A. Brugmans. Bij de Jantjes wordt op 8 april 1878 het laatste en negende kind geboren: Maria Boissevain. Ze wordt van jongsaf aan Mia genoemd. Mia’s nanny Annie is de zuster van eveneens Engels sprekende Polly, die ten huize van haar oom Charles Boissevain en tante Emily Héloïse MacDonnell de scepter zwaait over de kinderkamer. Er is verder een huisknecht Jannes, een keukenmeid en een huishoudster Sophie. Het gezin woont pas sinds het jaar voor Mia’s geboorte op de Kloveniersburgwal 74, een dubbel herenhuis. Aan de ene kant van de stoep zijn de drie ramen van de zonnige voorkamer, aan de andere kant nog twee ramen. Een brede gang komt uit op een binnenplaatsje en een kleine tuin, met de keuken links naast het eind van de gang en rechts de eetkamer. De binnenplaats grenst aan twee kanten aan het Universiteitsgebouw aan de Oudemanhuispoort. Vader Jan is reder en actief in allerlei besturen. Er zijn vaak gasten, zoals kapiteins, die hun schip behouden thuisgebracht hadden en gasten uit de Kaapkolonie, Engelsen, Schotten, Ieren en Canadezen.

jan boissevain

Het gezin wordt door anderen beschreven als een groot en woelig gezin. Als Mia geboren wordt, variëren de leeftijden van de overige kinderen van 15 tot 2 jaar. Bij de voordeur hing een groot bord met de namen van de kinderen en daarachter bordjes: uit of thuis. Toen Romé, die de tweede vrouw van Wally zou worden, in 1913 voor het eerst over de Jantjes hoorde, was het de opmerking: ‘O! de Boissevains, een énige familie. Aan de ene kant van de tafel gooien ze met roomsoezen, aan de andere kant praten ze over Plato. ’ De spelletjes van de familie hebben ook niveau. Romé geeft een voorbeeld van een spelletje Raad eens wat ik in gedachten heb? Is het een delfstof of iets levends, etc.? Daarbij was de oplossing een keer: de dolk die Othello zou hebben gebruikt om Desdemona te doden, als hij het niet met een kussen gedaan had.

Thuis op de Kloveniersburgwal

De roomsoezen suggereren meer luxe dan er was. De familie leeft relatief op ruime voet en later ook wel meer in weelde, maar in het huishouden werd de uiterste zuinigheid betracht. Het huis was zeer eenvoudig ingericht, zonder dure meubels of schilderijen. Moeder heeft natuurlijk wel een prachtige japon om uit te gaan, maar jassen van de kinderen worden verlengd en gekeerd, sokken gestopt. Kleren van oudere kinderen worden afgedragen door de jongere. Bij de maaltijd mocht je niet meer dan drie boterhammen eten, waarvan alleen de eerste twee met beleg. Als er geld over is, geeft men het liever aan mensen die het meer nodig hebben. Mevrouw Boissevain-Brugmans ontvangt op maandagochtend een hele stoet armlastige vrouwtjes en andere personen zonder inkomen en deelde turfkaarten, voedsel en eventueel naaiwerk uit. Mia’s broer Wally (1876), het achtste kind van de Jantjes, vertelde later aan zijn kinderen hoe zijn vader met de kleine Mia aan het ontbijt aardbeien at: ‘Een kleintje voor Pepa, een kokkert voor Mia.’ Nichtje Hester, het vijfde kind van oom Charles, herinnerde zich dat ze met Mia uit het raam van het huis van de Jantjes naar het boeiende uitzicht stond te kijken, toen ‘o wonder, tante Nella uit huis naar de boot stapte, pal voor het huis, en Jannes den Beste volgde met vele dekens en voedsel. Tante Nella verdween in ’t vooronder. Wat een voedsel voor de verbeelding van een 4- en 8-jarige!’ In het betreffende legschip, dat gebruikt werd voor laden en lossen, woonde een schipper met een groot aantal kinderen, waar de moeder van Mia zich regelmatig om bekommerde.

Spelen na schooltijd

Hester zat in Amsterdam op een school naast die van Matthijs, het vijfde kind van de Jantjes en ging een tijdlang lunchen bij de familie op de Kloveniersburgwal. Dan liep ze met Thijs ‘door de Oudemanhuispoort, waar zo’n mysterieus winkeltje was, waar ‘n helder belletje rinkelde als Thijs de deur opendeed en dan kocht hij dan een groot groenig stuk sucade, waarvan hij gretig at en soms, genereus, een homp bewaarde voor de kleintjes: Wally en Mia!’ Ze herinnerde zich Mia uit die tijd als een klein donker meisje. Ook nichtje Hilda, het zevende kind van oom Charles kwam vaak over de vloer. Zij herinnerde zich vooral de verkleedkist met daarin verrukkelijke kleren, waarschijnlijk oude hofjaponnen van de moeder en grootmoeder van Mia. Ze verkleedden zich vaak en speelden charades. Wally vertelde Romé later: ‘Als ik uit school kwam, holde ik naar binnen, dan van het plat van de keuken naar het dak van één van de Universiteitsgebouwen. Mia en haar vriendin Sisi zaten daar al.’ De kinderen keken soms door de ramen de kamers van de universiteit binnen, terwijl de professoren college stonden te geven. Maar ze keken ook vaak naar wat zich afspeelde in de huizen van de Slijkstraat, waaronder ‘kloppartijen gepaard met scheldwoorden uit de bezieling van het ogenblik geboren. ’ Daar deden ze wijselijk geen verslag van in huis.

Familie van Jan Boissevain met Mia, Walrave, Nella, An, Thijs, Heleen, Charles Daniël Walrave , Li, Aat van Hall, Wil de Vos, Sissy Blijdenstein en Gi den Tex

Teylingerbosch

In 1883, als Mia nog maar vijf jaar is, ontdekt vader Jan dat ‘Teylingerbosch’ leeg staat. Het is een huis aan het eind van een brede beukenlaan, behorend bij het landgoed De Vogelenzang, nabij Haarlem. De Jantjes brachten gedurende tien jaar elk jaar van begin mei tot eind september de zomer op Teylingerbosch door. Het is een eldorado voor de kinderen; ze kunnen veel buiten spelen en Mia geniet er intens van. Voor het huis staan twee enorme lindes, die heerlijk ruiken en zomers gonzen van de bijen. De stam van de bomen is begroeid met witte klimrozen die de hele zomer bloeien. Er is een bloementuin. De sloten om het terrein zitten vol leven. In de weilanden en in het bos zitten talloze soorten vogels. In het bos zijn paddestoelen en mossen en in de duinen leert Mia allerlei soorten planten kennen, typerend voor droge duinpannen of vochtige duinvalleien. Het is nog geen waterwingebied. An en Mia gaan soms met manden en proviand naar het ‘Paradijs’, een plek ver weg in de duinen waar nog een oude wel is. Ze kamperen dan onder een grote vlier. Ze plukken bosaardbeitjes en komen thuis met een rijke oogst aan bramen en duindoorn, duindistels en doosjes met harige rupsen.

Nichtjes en neefjes

Nichtje Hester herinnerde zich decennia later nog de vele wilde avonturen op Teylingerbosch. Ze vond An, het zesde kind van de Jantjes, en Maria ‘heldinnen in het hanteren van al die glibberige diertjes uit de sloot, en in ’t springen over sloten! Meestal viel er een in – altijd de schuld van de polsstok!’ Als Hester dan in Zandvoort bij de Charles-tjes thuiskwam kreeg ze een standje van Polly: ‘Well, I declare, you always come back with dirty, torn or wet clothes!’ Ook nichtje Hilda bewaarde hier goede herinneringen aan: duinwandelingen, door een gat in de heg, snoepen in de moestuin en dat slootje springen. Ze was een keer over het weiland te ver doorgelopen. De sloot was daar erg breed en er stormden koeien op haar af. Olga, de zus van Hilda en Mia riepen aan de overkant: ‘Spring erin, spring erin’, wat Hilda ook dadelijk deed. Het snoepen illustreerde Mia later zelf ook nog eens aan schoonzus Romé bij een bezoek aan Teylingerbosch. Ze klom plotseling op een steen en reikte over een oude muur: ‘Zie je, zo plukte ik de rijpe morellen uit de moestuin.’ De familie Den Tex, met tante Hester, de tweelingzuster van oom Charles, kwam in de Pinkstervakantie logeren. Neefje Godfried herinnerde zich dat Mia zo aardig was om samen met hem – als destijds vrij doof en daardoor vrij saai neefje als hekkensluiters mee te wandelen achter een groot groep vrolijk pratende familieleden.

Lagere school

Op een dag in september is het uit met de pret en gaat Mia voor het eerst naar een lagere school aan het Frederiksplein. Ze vindt naar school gaan niet zo leuk en ze heeft moeite met de manier waarop standsverschillen een rol spelen. Het jaar daarop gaat ze naar een particuliere jongens- en meisjesschool, die ze bepaald leuker vindt. Ze wordt een bengel en is haantje de voorste bij spelletjes. Qua leerprestaties behoorde ze waarschijnlijk tot de goede maar niet uitstekende leerlingen. De laatste jaren van de school had ze middelmatige onderwijzers en het laatste jaar vond ze ronduit onaangenaam, ook vanwege de spanningen tussen de beginnende pubers.

Middelbare school

Vervolgens gaat Mia vijf jaar naar de Middelbare School voor meisjes. De school was gevestigd in een van de mooie huizen aan de Heerengracht nabij de Vijzelstraat en had de bijnaam ‘gouden meisjesschool’. Deze was opgericht door een groep vermogende Amsterdammers, die extra goed onderwijs voor hun dochters wensten. Naast de school hadden de meeste meisjes nog piano-, zang- of andere extra lessen, gymnastiek- en godsdienstles. Mia had ook pianoles en ging naar catechisatie ten huize van de dominee. Daarbij zaten nog zo’n dertig andere jonge meisjes, waaronder meisjes die al een betrekking hadden als dienstbode. Over die schooljaren had Mia gemengde gevoelens: te weinig vrijheid, huiswerk, extra lessen, piano studeren en ander verplichtingen maakten vooral dat ze erg verlangde naar de tijd dat ze de schooldeur voor goed achter zich dicht kon doen. Ze verbeeldde zich dat er daarna een gouden tijd zou aanbreken.

Van school af

Het eerste jaar (1894-95) dat Mia, 16-17 jaar oud, van school af is, loopt ze zich vreselijk te vervelen. Van haar zeven broers en zusters zijn twee zussen verloofd, haar oudste broer Charles Daniël Walrave is al een tijd het huis uit en woont in Montreal, haar broer Matthijs heeft een baan als advocaat in Amsterdam en haar jongste broer Walrave is voor drie jaar naar Indië vertrokken. Twee van haar vriendinnen zijn naar Frankrijk om de taal te leren spreken. Mia volgt Franse conversatieles, omdat ze dat ondanks zeven jaar onderwijs niet behoorlijk kan spreken. Ze doet wat huishoudelijk werk en krijgt wat paardrijlessen. Ze leest van alles en nog wat, waaronder van begin tot eind alle ingebonden jaargangen van ‘De Gids’, die in haar vaders boekenkast stonden. Mia’s oudste zuster Elisabeth houdt zich bezig met maatschappelijk werk en armenzorg en is onderdirectrice van de Stichting ‘Ons Huis’. Ze zou later directrice van het Opleidingsinstituut voor Sociale Arbeid worden. Mia gaat vaak met haar zuster mee en helpt een handje, maar dat soort werk gaat haar niet erg goed af en het inspireert haar niet. Ze wordt er bijna depressief van getuige haar latere opmerkingen dat ze in die tijd ’s morgens ‘de wereld loodzwaar op mij voelde drukken – alles leek mij een druppel in de oceaan, ik zag geen hefboom om mij op te werken of tot een besluit te komen.’

Botaniecollege

De lethargie is afgelopen als ze een keer met haar ruim zes jaar oudere zuster Anna Maria meegaat naar een botaniecollege van Hugo de Vries. An had elders in den lande een tijd een huisarts vergezeld op zijn huisbezoeken en min of meer als doktersassistente gefunctioneerd. Daarna wilde medicijnen studeren. Ze had in een jaar haar HBS-diploma gehaald en studeert nu medicijnen aan de Universiteit van Amsterdam. Ze heeft ook grote belangstelling voor de natuurwetenschappen en volgt daarom ook de colleges van de Vries. An zou overigens niet afstuderen vanwege haar huwelijk. Professor Hugo de Vries deed in die tijd baanbrekend werk op het gebied van de erfelijkheidstheorie en het belang van mutaties. Tijdens het college stond hij achter een lange tafel vol planten en gedroogde voorwerpen uit de natuur, die door zijn eigen kweekproeven of spontaan een interessante afwijking hadden gekregen. Na het college volgde een practicum waarbij de studenten met de microscoop de anatomie van planten bekeken.

Studeren

Mia wist nu wat ze wilde. Een paar maanden later gingen haar ouders akkoord met een studie in de natuurwetenschappen. Evenals de studie van haar zuster An was dat voor die tijd ongebruikelijk, maar niet baanbrekend. Het echtpaar Jan Boissevain was bevriend met het echtpaar Mr. J.C en Marie de Vries. Deze Marie was een nicht van Hugo de Vries en had met de vrouw van Max Weber behoord tot de eerste generatie vrouwelijke biologiestudenten. An was ook zeer goed met Marie de Vries bevriend en deelde haar belangstelling voor botanie. Volgens Mia heeft er zelden een meer belezen vrouw bestaan, die het gelezene ook zo tot een deel van haar wezen gemaakt had. Ze citeerde tijdens wandelingen probleemloos uit Goethe, Homerus, Plato of Boeddhistische beschouwingen. Mia volgt in de zomer voorbereidende lessen in wis- en scheikunde en gaat 18 jaar oud naar de Universiteit van Amsterdam. De natuurwetenschappen maken in deze periode bij de Universiteit van Amsterdam een bloeitijd door. Mia vindt de nieuwe ontdekkingen in de fysica, chemie, geologie, kristallografie en genetica uiterst boeiend. Ze besteedt in haar manuscript over de Amsterdamse familie zes dichtgetypte pagina’s aan de vele interessante aspecten van de studie. Ze studeert plant- en dierkunde en specialiseert zich in zoölogie.

Zoölogie

In Amsterdam is Max Weber hoogleraar zoölogie. Op zijn practica leert hij de studenten geduldig preparaten te maken, goed te observeren en zorgvuldige tekeningen te maken. Weber was anatoom en ook een bedreven preparateur. Hij verrichtte regelmatig sectie op gestorven dieren van Artis. Volgens Mia was het een buitenkans om de secties op grote dieren te kunnen bijwonen. Als Weber omgeven door zijn studenten bezig was leek het ‘als in Rembrandts Anatomische Les.’ Mia vond de secties meesterstukken van techniek, gezien het schijnbare gemak en de zekerheid waarmee Weber ze uitvoerde. Tijdens het werk gaf Weber ook doorlopend college over vergelijkende anatomie van de organen waardoor je op een middag meer leerde dan door urenlange studie. Mevrouw Weber was ook biologe en gespecialiseerd in algen. Zij heeft honderden algen voor het eerst beschreven en benoemd, stelde een uniek herbarium samen en schreef ook diverse andere standaardwerken. Het biologenechtpaar Weber had een huis in Amsterdam en een buitenhuis in Eerbeek met een grote tuin, twee laboratoria, werkkamers en heel veel boeken. Van hier uit organiseerden zij voor groepjes studenten excursies, waarbij er van alles verzameld werd. Hierbij werden onder andere de nog onbekende vroedmeesterpad en een heidekikker ontdekt. Volgens de overlevering viste Mia als assistente van professor Weber donderpadden van de knoflookpad uit de vijver van Eerbeek, die er daarvoor en daarna nooit meer gevonden zijn. Tijdens haar studie komt de Siboga-expeditie terug, die in 1899-1900 in Nederlands-Indië onderzoek heeft gedaan. Mia krijgt een belangrijke taak in het uitpakken en sorteren van de rijke vangst en bekijkt met name de schelpen. Hieruit ontstaat waarschijnlijk het idee voor haar promotieonderzoek.

Promotieonderzoek

Na vijf jaar biologiestudie is Mia klaar en vertrekt naar Zürich, waar ze een jaar onderzoek doet aan de Dentalium entalis L., een zeeworm met een gladde schelp, genaamd olifantstandje. De schelp lijkt inderdaad op een miniatuur olifantstand, een paar centimeter lang en aan beide zijden open. Het weekdier kan zich met een gespierde voet over de zeebodem verplaatsen, enigszins zoals een slak. Mia krijgt uit Napels reeds gefixeerde exemplaren, die ze op verschillende manieren kleurt, in plakjes snijdt en onder een microscoop bestudeert. Ze beschrijft in detail de voet en de mantel, speciale wimpercellen, verschillende soorten klieren, de bloedcirculatie, het zenuwstelsel en de hersenen, nieren en darmen. Van alle onderdelen van het dier maakt ze zeer zorgvuldige tekeningen. Mia vergelijkt haar bevindingen met die van twee andere biologen, corrigeert de oude resultaten en vult ze aan met nieuwe gegevens. De resultaten worden in 1903 gepubliceerd en dat is voldoende voor het verkrijgen van de doktergraad. Het was in die tijd gebruikelijk dat men na een jaar onderzoek promoveerde. Mia is dan 25 jaar. Drie jaar later publiceert ze een artikel over diverse schelpen gevonden bij de Siboga expeditie. Eén soort schelp is een variant van het olifantstandje en wordt naar haar genoemd: Dentalium entalis var. indicum Boissevain.

Werken als bioloog

In 1893, toen Mia vijftien was, had haar vader een buitenhuis in De Bilt gekocht: ‘Jagtlust’, op een kwartiertje lopen van het station. Sindsdien woonden de Jantjes daar elk jaar vier maanden in de zomer. Na een heel vroeg ontbijt vertrokken diverse gezinsleden naar het station en namen daar om zeven uur de eerste trein naar Amsterdam. Na de dood van hun ouders in 1904 resp. 1905 wordt Jagtlust verkocht en betrekken Mia en haar broer Matthijs ‘Boschzigt’, de enigszins verbouwde tuinmanswoning van Jagtlust. Ook Mia’s zuster Heleen woont hier een tijd. Ze pendelen dus op en neer naar Amsterdam, waar Thijs advocaat is en Mia als conservatrice in het museum van Artis werkt. Het valt haar zwaar haar werk, de huishouding, het ontvangen van gasten, het onderhouden van de bloementuin met bijenkasten met elkaar te combineren. Mia en Thijs wonen ook nog een jaar in München, waar Mia zoölogisch onderzoek doet. Ze publiceert in 1908 een wetenschappelijk artikel over het kweken van microscopisch kleine eencellige zeebeestjes, met een doorsnee van ongeveer 0,15 millimeter. Deze Actinosphaerium Eichhornii ziet er onder de microscoop uit als een kleine zonnetje, rond, met veel sprieten. Het Duitse artikel wordt in 1925 nog eens in het Nederlands gepubliceerd. Terug in Bilthoven besteedt ze verder veel tijd aan haar tuin en aan ‘de vrouwenzaak’, waarover later meer.

Pissebedden

Op enig tijdstip is Mia zich gaan interesseren voor de pissebedden in de tuin van Boschzigt. Ze vertelde aan geïnteresseerde neefjes en nichtjes dat die beestjes eigenaardige zwammen in hun darmen herbergen. Haar pleegkind Mia, de dochter van Mia’s zuster Nel, herinnerde zich dat tante Mia een keer bij een bezoek blij was te horen dat deze beestjes ook ergens in of bij het huis te vinden waren. Ze stopte tot verbazing van de familie onmiddellijk een aantal exemplaren om mee te nemen in een luciferdoosje, waar ze meteen de vindplaats op schreef. Haar schoonzus Romé Boissevain-Kalff, die haar broer Walrave in 1913 leerde kennen, herinnerde zich nog ‘de gloednieuwe vondst van een bacterie in de ingewanden van een pissebed, ter ere van Dr.Kerbert, de toenmalige directeur van Artis, Kerbertia genoemd.’ Bezoekers van Boschzigt stonden gefascineerd te kijken hoe Mia met een apparaat een deel van zo’n diertje in ragfijne schijfjes sneed. De pissebed, die de dag tevoren nog plezierig leefde onder een vochtige steen, gaf nu het romantische leven van een bacterie in zijn darmkanaal prijs, uitgespreid in een keurig lint van duizend doorzichtige mootjes, die door de microtoom op microscoopglaasjes werden gelegd.

Leven als bioloog

Mia was al heel vroeg geïnteresseerd in alles wat leeft en groeit en ze wordt ook het soort bioloog dat zich voor de biologie in veel dagelijkse situaties interesseert en dat met groot enthousiasme op anderen weet over te brengen. Haar zuster Nella herinnerde zich dat Mia, toen ze bij haar broer Wally in huis woonde (1910-1913), op verzoek eens een cursus cellen en celdeling gaf. ‘Het leek alsof het heel makkelijk te begrijpen was omdat het zo helder en weloverwogen werd voorgedragen.’ Diverse neefjes en nichtjes, die ‘Boschzigt’ bezoeken, herinneren zich decennia later nog dat ze op salamanders visten, orchideeën en Zonnedauw vonden. Mia vertelde over de Vlaamsche Gaai en de Mierenleeuw, dissecteerde mollen en zette insecten op sterk water om deze te determineren.

Ook later in haar leven was ze nog niets van haar enthousiasme kwijt volgens haar kleinkind Suzie, de dochter van haar geadopteerde dochter Daisy. Mia zorgde in Londen regelmatig voor de kleinkinderen Michael en Suzie, tot ze elf en twaalf jaar waren (1941-1954). ‘The zoology and biology never left her and we grew up with lots of experiments, from collecting caterpillars and keeping them until they turned into moths, to turning red cabbage water from green to blue to yellow by adding bits of sugar, or vinegar, or whatever. (…) She taught us about flowers and how to press them and I could read and write a bit by the time I went to school at 4.’ Er zaten nogal wat muizen in het huis na de oorlog en toen Mia een keer een dode zwangere muis in een val had gevonden, ontleedde ze die zorgvuldig omdat Suzie wilde weten waar de baby’s waren. Toen Suzie voor het eerst biologie kreeg op school, ging de eerste les over amoeben. Dus klom Mia,75 jaar oud, naar de goot die boven de derde verdieping langs het dak liep.‘She collected a large handful of mud which she put under a microscope and I saw an amoeba and lots of other things besides! She always took me on Sundays to the museums, (particularly the Science museum) and the art galleries, and then I would be encouraged to make a little project of my own.She would give me a lovely, clean, empty exercise book and pens and crayons. I would pick my project, (maybe fossils, trees, woods,or horses),research it and then fill my lovely book with my writing and drawings on this subject.’ Na 1915 kwam er van de beroepsmatige beoefening van de biologie niet veel meer. Het laatste wat Mia schreef was Een voorstel tot Algemene Stamboomregeling van de Mens, in het feestnummer ter ere van haar zeventigjarige leermeester Max Weber (1923).

De opkomst van de vrouwenbeweging

‘Ik beschouw het vrouwenkiesrecht als het allerbelangrijkst, wat de naaste toekomst ons brengen kan, belangrijker dan welk onderwerp de partijen ook voor’t ogenblik verdeelt. Buiten alle partijstrijd om beschouw ik het vrouwenkiesrecht als het eenige middel om paal en perk te stellen aan de wantoestanden, die op haar gebied heerschen.’

(Dr. Mia Boissevain, presidente van de tentoonstelling ‘De Vrouw 1813- 1913’ in de folder van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht)

De eerste Nederlandse geschriften over de wenselijkheid van verbetering van de rechten van vrouwen dateren van 1870. In de tijd daarna ontstaan eerst een paar vrouwenbladen. Vervolgens komt er ook wat beweging in de politiek: vanaf 1885 ontstaan er vrouwenverenigingen in de Sociaal Democratische Partij. Deze zijn echter vooral bedoeld om propaganda voor meer mannenkiesrecht te maken en aandacht voor de eigen partij te bevorderen. In 1889 richtten Wilhelmina Drucker en anderen de Vrije Vrouwenvereeniging (VVV) op, de eerste organisatie die primair de belangen van vrouwen als doelstelling heeft. Een paar jaar later blijkt ten tijde van een wetsvoorstel tot herziening van het kiesrecht, dat de bestaande politieke partijen geen enkele belangstelling voor vrouwenkiesrecht hebben. Daarom stampt de VVV in 1894 een Vereniging voor Vrouwenkiesrecht (VvVK) uit de grond. Mia is op dat moment bijna 16 en bereidt zich voor op het eindexamen van haar middelbare school.

Studieperiode: 1896-1901

Mia gaat op haar 18 de studeren. Vrouwen konden toen formeel al 25 jaar studeren: Aletta Jacobs was in 1871 de eerste vrouwelijke student. Mia werd door haar ouders gesteund. Haar oudere zuster An studeerde ook al medicijnen. Mia was bevriend met Marie de Vries, een briljante vrouw die al een generatie eerder biologie had gestudeerd. (Zie Bulletin 2006, pagina 12)

In haar manuscript ‘Een Amsterdamsche familie’ schrijft Mia: ‘Het leek mij de gewoonste zaak van de wereld aan de universiteit te studeren. Overal, zoowel van de studenten als van de professoren, ondervond ik de grootste tegemoetkoming. Toch was ik mij wel bewust van het betrekkelijke nieuwe van die onderneming en had sterk het besef dat ik me als meisje heel ingetogen gedragen moest.

Dat besef werd bevorderd doordat meisjes tijdens college geacht werden op de voorste bank te zitten Deze gewoonte bestond overigens ook op andere universiteiten. Toen Mia de eerste keer met An meeging naar een college, kwamen ze op het laatste moment binnen. De eerste bank was al geheel bezet, maar twee studenten maakten daar plaats voor de meisjes, onder luid applaus van de overige ongeveer honderd studenten. Ook op andere manieren werd Mia’s uitzonderingspositie benadrukt. Halverwege haar studietijd werd er een wetenschappelijk artikel gepubliceerd over de afmetingen van hersenen bij allerlei zoogdieren, volgens welke vrouwen een kleiner hersengewicht hadden dan mannen. Dat gaf op het zoölogisch laboratorium, waar Mia het enige meisje was, aanleiding tot quasi-leuke beweringen. Meisjes zouden wel braaf kunnen studeren, maar kunnen geen wetenschappelijk initiatief vertonen of serieuze wetenschappelijke prestaties leveren. Bovendien zouden ze daarbij banen van mannen in beslag nemen. Dergelijke opmerkingen maakten dat Mia meer bewust over haar eigen positie begon na te denken. Ook al lette ze niet zo erg op de vrouwenbeweging, Mia kreeg er in die tijd toch wel wat van mee. In 1898 bezocht Mia, 20 jaar oud, met haar moeder de Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in Den Haag. Een standbeeld van een vrouw met een zware kruiwagen met stenen blijft haar erg bij. (Ze) ‘zag toen in dat de vrouwenbeweging niet maar een beweging voor eenige intellectuele en ontwikkelde menschen alleen was,’ zo schrijft ze in 1915 in haar memoires. Mia vertelt daarin verder niets over haar uitzonderingspositie als vrouw tijdens haar studie, maar ze heeft er sommige familieleden blijkbaar wel over verteld. Volgens Jan den Tex, een neef waar Mia veel contact mee had en de zoon van Mia’s oudere zuster An en Gideon den Tex, waren de jongens niet altijd even aardig. Ze tapten vaak schuine moppen in het bijzijn van de meisjes. Volgens haar peetdochter Mia, de dochter van Mia’s zuster Nella en Aat van Hall, liet een van de hoogleraren tijdens een college openlijk zijn afkeuring blijken een vrouw onder zijn gehoor te zien. Daarom ging ze in Zürich studeren. Volgens de herinneringen van Jan den Tex was de botanicus professor Hugo de Vries een tegenstander van meisjesstudenten en liet dat ook blijken. Volgens Jan werd professor de Vries ‘verliefd op haar en dwong haar bijzonder lief te zijn om haar examens te halen. Zo werd studeren in Amsterdam onmogelijk voor haar. Ze is naar Zürich gegaan om daar verder te studeren.’ Het gesuggereerde verband tussen de situatie in Amsterdam en haar promotie in Zürich is voor nuancering vatbaar. De memoires van Mia wijzen niet op een sterk anti-vrouwenklimaat tijdens haar opleiding. De Vries kan Mia hebben lastig gevallen, dat kan heel vervelend zijn geweest en zeker een stimulans om in een andere stad te promoveren. De Vries zou echter inhoudelijk niets met haar promotiewerk te maken hebben gehad: hij was planten- en mutatiedeskundige. Mia was dierkundige, gespecialiseerd in zeebeesten en vooral schelpdieren, Ze studeerde af aan het zoölogisch laboratorium van professor Max Weber. Haar onderzoek in Zürich betrof een onderwerp dat direct aansloot bij werk dat ze eerder in Amsterdam had gedaan.

Zurich: 1902-1903

Volgens de website van de universiteit van Zürich schreef Mia zich daar in oktober 1902 in en beëindigde de inschrijving in juli 1903. Het academische klimaat in Zürich zal een stuk vrouwvriendelijker zijn geweest dan dat in Nederland. Het aantal vrouwelijke studenten in Zwitserland was gemiddeld 10%. Negentig procent van deze studentes kwam uit het buitenland, waaronder overigens ook vrouwen die uit Rusland waren gevlucht en zich inschreven als student ter legitimatie van hun verblijf. Vooral de Duitstalige universiteiten van Zürich en Bern trokken veel buitenlanders aan. Mia had in Zürich een heerlijke tijd en voelde zich volkomen vrij. Ze ontmoette er ‘een aantal frissche jonge vrouwen, vooral Scandinavische, Russische en Amerikaansche, die dieper over de vrouwenproblemen nagedacht hadden’ dan zijzelf.

Op bezoek bij Aletta Jacobs: 1905

Nadat Mia uit Zürich teruggekomen was, overleden haar ouders kort na elkaar. Het ouderlijk huis in Bilthoven werd verkocht en Mia verhuisde met haar broer Matthijs en haar zuster Heleen in 1905 naar de tuinmanswoning ‘Boschzigt’. Geïnspireerd door de gesprekken in Zürich, probeert Mia uit te vinden wat er in Nederland op het gebied van de vrouwenemancipatie gedaan wordt en gaat op bezoek bij Aletta Jacobs. Dr. Jacobs, 51 jaar oud, had een paar jaar eerder haar dokterspraktijk neergelegd toen ze voorzitter van de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht was geworden. Jacobs was voorstander van kinderbeperking en had sympathie voor de vrije liefde. Dat was op zichzelf al genoeg voor een sterke afkeer tegen haar persoon in nette kringen. Er werd ontzettend over haar geroddeld en er deden verhalen de ronde dat ze illegale abortussen uitgevoerd zou hebben. De vrouwen, die dit zouden hebben kunnen bevestigen, hebben dit echter nooit gedaan. Mia kijkt op de stoep voor het huis zenuwachtig om zich heen of iemand haar misschien gezien heeft, omdat ze bang is dat men haar ‘zou verdenken voor een illegale operatie daar op bezoek te gaan.’ Mia ervaart het gesprek met Aletta Jacobs als prettig en informatief. Ze krijgt een aantal brochures over de rechtspositie van de vrouw in Nederland en Aletta vertelt over haar recente reis naar Amerika, waar het vrouwenkiesrecht in Colorado net is ingevoerd. Ze hebben een levendige discussie. Mia vindt Aletta oprecht en scherp, ze heeft een helder politiek inzicht en ze blijft altijd zakelijk, op persoonlijke aanvallen reageert ze niet.

Congres Vrouwenkiesrecht: 1908

Mia schreef later: ‘Ieder die de moeite wil doen in de dagbladen en tijdschriften uit die dagen na te lezen, zal het opvallen hoe vaak de vrouwen belachelijk werden gemaakt en de mythe van de manwijven – dat waren de vrouwen die bewust naar verbetering streefden – aangedikt werd.’

De VvVK zou in juni 1908 gedurende een week gastvrouw zijn voor het derde Internationale Congres voor Vrouwenkiesrecht. Het Amsterdamse Concertgebouw was afgehuurd voor de bijeenkomsten van de 1.200 buitenlandse gasten uit 21 landen. Op verzoek van Aletta Jacobs hielp Mia bij de voorbereiding van het congres. Mia had zich voorgenomen om tijdens het congres op zoek naar manwijven te gaan. Die blijken echter niet te vinden. Ze ontmoet wel twee pioniers van de vrouwenbeweging: Wilhemina Drucker (61) en Joanna Naber (49). Vooral de eerste is in de dagbladen zo vaak belachelijk gemaakt dat Mia verwachtte, dat dat dan wel een van die manwijven zal zijn. In werkelijkheid bleek mevrouw Drucker een ‘klein, heel eenvoudig, uiterst gesoigneerd vrouwtje, dat eerder de indruk maakt verlegen te zijn.’ Mia raakt op het congres diep onder de indruk van de spreeksters, waaronder de presidentes van de Amerikaanse en Engelse vrouwenkiesrechtorganisaties.

Mia en Rosa

Kort voor de opening van het congres wordt Mia gevraagd om tijdens het congres in de hal een informatiebureau voor congresgangers te verzorgen. Daarbij werkt ze samen met Rosa Manus. Mia kende Rosa alleen uit de verte. Rosa is drie jaar jonger dan Mia en zat een aantal klassen lager op dezelfde lagere en middelbare school. Rosa is afkomstig uit een zeer welgestelde joodse familie. Rosa was op school een matige leerling. Haar vader vond het niet goed dat ze betaalde arbeid verrichtte, maar bij vrijwilligerswerk bleek dat ze een fenomenaal organisatietalent had. Ze zou later de rechterhand van Aletta Jacobs en secretaresse voor de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht worden.

Het duo wordt zo enthousiast door het congres dat ze daarna voorstellen een Propaganda Commissie voor de VvVK te vormen. Ze moeten dan nog wel veel leren over de verantwoordelijkheden en taakverdeling in een organisatie. De dames organiseerden eens in Amsterdam een bijeenkomst met voordrachten, waarvoor ze zonder overleg 1 gulden entree vroegen, bedoeld om de kas te spekken. De voorzitter van de VvVK afdeling Amsterdam werd daar zo kwaad over, dat ze in eigen persoon bij de ingang ging zitten om er voor te zorgen dat de leden van de vereniging maar een dubbeltje hoefden te betalen. Later organiseerden ze avonden met een dubbeltje entree waarbij de toeloop zo groot was, dat de politie er aan te pas moest komen om het gedrang van mensen, die er niet meer in konden, in goede banen te leiden. Als presidente van de Commissie opent Mia zulke avonden.

vrouwenemancipatie

Vrouwenemancipatie. De opening van de tentoonstelling ‘De vrouw 1813-1913’ in Amsterdam. In het midden op de voorgrond links mevrouw van Loon-Egidius, vertegenwoordigster van de Koningin, rechts Mia Boissevain, voorzitter van het tentoonstellingscomité. Tussen beide dames staand Mej. Manus. rechts op de trap minister Talma, tegen de pilaar mr. van Leeuwen, commissaris der Koningin in Noord-Holland. Nederland, 1913.

Intussen krijgt Mia een meer centrale rol in de VvVK: ze reist medio 1911 met Aletta Jacobs en Rosa Manus naar de Internationale Congres van de Wereldbond voor Vrouwkiesrecht in Stockholm. Daar zal ze ook Nella Boissevain gezien hebben, haar nicht, het negende kind van Mia’s oom Charles (NP p 69), die daar namens de concurrerende Bond voor Vrouwenkiesrecht het woord doet. Al deze activiteiten geven Mia en Rosa voldoende ervaring om in 1912 voor te stellen om een tentoonstelling over de veranderde positie van de vrouw 1813-1913 te organiseren.

Klarissa Nienhuys, Groningen

(Kleindochter van Maria Boissevain – Pijnappel en dochter van de romanschrijfster Dieuke Boissevain)

 

Publicaties over Mia Boissevain

Esmeralda Tijhoff: Ooggetuigen van de Eerste Wereldoorlog Mia Boissevain

Huygens ING: Biografie Boissevain, Maria (1878-1959)

Wikipedia: Maria Boissevain

Terugkeer met de ‘Boissevain’

ms boissevain

Eind dertigerjaren van de vorige eeuw vertrekken mijn grootouders met gezin uit Nederlands Indië voor groot verlof in Nederland. De Tweede Wereldoorlog breekt uit en terugkeer naar Indië is onmogelijk. Het gezin vestigt zich in Den Haag en overleeft de oorlog. Mijn overgrootvader Eduard Frans Janssen van Raaij is in Indië achtergebleven. 30 januari 1945 overlijdt hij in het krijgsgevangenkamp van Tjimahi. Daarmee komt een einde aan bijna een eeuw koloniale familiegeschiedenis.

De geschiedenis van mijn familie in Nederlands Indië bleef voor mij verborgen. Na het overlijden van mijn vader erfde ik de fotoalbums en brieven uit die tijd. Ik zie mijn overgrootvader Willem Frederik Lamoraal Boissevain als resident in smetteloos wit kostuum op de foto’s poseren na een tijgerjacht. Ook is er een fotoalbum over de reis naar Nederland dwars door Duitsland. Vlaggen met hakenkruisen hangen uit de gebouwen. Aan nader onderzoek naar het koloniale- en oorlogsleven van mijn voorouders ben ik nog niet toegekomen.

Diederik van Vleuten ontroert met zijn eerste soloprogramma ‘Daar Werd Wat Groots Verricht’ veel mensen met een Indisch verleden. Het programma gaat over een eeuw familie- en vaderlandse geschiedenis, die veel oude herinneringen naar boven brengt. Hij vertelt het levensverhaal van zijn oudoom Jan. Wij horen over zijn leven in het voormalig Nederlands Indië, het Jappenkamp tijdens de bezetting en de capitulatie van Japan die direct werd gevolgd door het uitroepen van een onafhankelijke ‘Republic Indonesia’. Jan en zijn vrouw Aukje van Vleuten keren in het passagiersschip ‘Boissevain’ terug naar Nederland. Oud-Indiëgangers brengen dit schip in verband met het voormalig Nederlands Indië.

Midden in de crisistijd besluit de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM) om de ontoereikende schepen op de lijnen tussen Azië, Java en Afrika te vervangen door drie snelle motorschepen met elk drie schroe­ven. De schepen worden ver­noemd naar Jan Boissevain, Willem Ruys en Petrus Emilius Tegelberg. Deze drie mannen richten in 1888 de KPM op voor het onderhouden van scheepsverbindingen in de Nederlands Oost-Indische Archipel. Tijdens de Tweede Wereldoorlog worden de schepen gevorderd door het Engelse Ministry of Wartransport en omgebouwd om dienst te doen voor troepentransporten. Zij nemen ze deel aan de landingen in Noord-Afrika en Italië.

Na de oorlog keert het 175 lange schip de ‘Boissevain’ (oorspronkelijk gebouwd voor 657 passagiers) weer terug naar de KPM. Het schip brengt vele Indische repatrianten, waaronder de Van Vleutens, terug naar Nederland. In de jaren ’46 en ’47 worden Nederlandse dienstplichtigen, die worden ingezet bij de politionele acties, met het schip verscheept. Het troepenschip vertrekt uit de haven van Amsterdam met 3.000 militairen aan boord. In 1946 breekt muiterij uit op de ‘Boissevain’ tijdens het troepentransport. Een groep mariniers wordt naar Egypte gevlogen en met een torpedoboot naar de ‘Boissevain’, die in de Rode Zee ligt, gevaren om de orde te herstellen. In 1968 komt de ‘Boissevain’ bij de oostkust van Japan in aanvaring met een Japans motorschip. Hierbij komt het Japanse schip tot zinken. Enkele maanden later wordt de beschadigde ‘Boissevain’ in Taiwan gesloopt. De naam van het schip blijft voor altijd verbonden aan de vaderlandse geschiedenis bij de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog.

Denken vanuit de burger

procession dansante d'Echternach 2006

In 1996 selecteerde een stuurgroep onder leiding van toenmalig staatssecretaris Jacob Kohnstamm vijftien pilotprojecten voor het programma Overheidsloket 2000. Hiermee werd het startsein gegeven voor een Elektronische Overheid met als centrale motto ‘Denken vanuit de burger’. Bij de veranderingen zou niet langer de eigen overheidsorganisatie centraal staan, maar de vraag van de burger. Er werd serieus werk gemaakt van modernisering van de overheidsdienstverlening. De e-overheid en de vorming van een front office stonden centraal.

Twintig jaar na de start van OL2000 wordt nog steeds gewerkt aan een betere dienstverlenende overheid. Afgelopen jaren zijn daarover veel plannen en rapporten verschenen (zie tijdlijn hieronder). Er zijn successen geboekt. Denk hierbij aan de vooraf ingevulde belastingaangifte, de bundeling van bedrijfsvoeringsfuncties binnen het Rijk en het BSN-nummer in de zorg. Het merendeel van de overheidsdiensten kan inmiddels digitaal worden afgenomen. Helaas ging er ook het nodige mis. Diverse projecten faalden vanwege een overmaat aan ambitie en onvoldoende sturing. Herhaaldelijk is daar onderzoek naar gedaan, met steeds dezelfde conclusies. Nog steeds is het onbekend hoeveel de overheid besteedt aan ICT. Laat staan hoeveel geld wordt verspild als gevolg van falende projecten.

Gebrek aan doorzettingsmacht en samenwerking breekt de overheid op bij grote veranderingen. Minister Plasterk schrijft deze maand dat het kabinet “doorgaat met het stapsgewijs ontwikkelen van het eID. Dat wordt een nieuwe standaard om burgers en bedrijven veilige en betrouwbare toegang te verlenen tot online dienstverlening van overheid en bedrijfsleven. Met pilots wordt het gebruik van zowel publieke als private inlogmiddelen beproefd.” Het gaat vooruit, maar nog steeds bijzonder traag met vallen en opstaan. Het heeft veel weg van de Processie van Echternach: drie stappen vooruit, gevolgd door twee stappen achteruit.

Burgers en ondernemers moeten in 2017 hun zaken veilig en makkelijk digitaal met de overheid kunnen afhandelen. Voormalig Rijks CIO Dion Kotteman benadrukt in dat verband dat de overheid moet denken vanuit de burger en niet vanuit eigen silo’s: “Daarbij hoort ook een discussie over taken en rolopvatting. We gaan naar standaardisatie, maar we komen van een situatie waar veel maatwerk was. Er is echt sprake van ‘work in progress’.”

1996 Overheidsloket 2000
Het motto van Overheidsloket 2000 (OL2000), het eerste programma van wat destijds nog niet de Elektronische Overheid heette, was ‘Denken en werken vanuit de burger’. Het wilde daarmee uitdrukken dat je bij veranderingen niet moet uitgaan van je eigen organisatie, maar vanuit de burger. Met Overheidsloket 2000 geeft de overheid het signaal dat men serieus werk wil maken van de dienstverlening. Met name de e-overheid en de vorming van een front office staan centraal. Vijftien proefprojecten worden geselecteerd voor het OL2000.
2003 Programma Andere Overheid
Het accent ligt op verbetering van de bedrijfsvoering en de back office. Het concept van basisregistraties wordt geïntroduceerd. Men heeft een overheid voor ogen die niet naar de bekende weg vraagt, klantgericht is, zich niet voor de gek laat houden, weet waar ze het over heeft, haar zaken op orde heeft en niet meer uitgeeft dan nodig is. Andere Overheid werkt aan een krachtige overheid, die de samenleving centraal stelt én slagvaardig is. Het programma omvat de thema’s: Betere dienstverlening, Minder bureaucratie en Slagvaardige organisatie. Bij alle thema’s is een Andere werkwijze van belang, zoals samenwerken en luisteren naar burgers. Bij de uitvoering van de rijkstaken zal meer en beter gebruik worden gemaakt van ICT.
2004 Op weg naar de elektronische overheid
  In 2007 kan 65% van de publieke dienstverlening via internet verlopen, is er sprake van eenmalige gegevensverstrekking en meervoudig gebruik en is er een elektronisch identificatiesysteem voor de verificatie van burgers en bedrijven.
2005 Publieke dienstverlening, professionele gemeenten
  VNG commissie gemeentelijke dienstverlening/commissie Jorritsma stelt dat gemeenten in 2015 dé poort tot publieke dienstverlening zijn.
Oktober 2005 P-direkt contract ontbonden
  Overheid betaalt aan IBM  een afkoopsom van 20.8 miljoen.
18 april 2006 Verklaring ‘Betere dienstverlening, minder administratieve lasten met de elektronische overheid’
  Stimulans voor de e-overheid: 12 bouwstenen en het programma i-teams om gemeenten bij de implementatie te ondersteunen.
2006 Forum Standaardisatie
  Het kabinet stelt het College en Forum Standaardisatie in ter bevordering van interoperabiliteit en het gebruik van open standaarden.
september 2006 Tussen het kastje en de muur
  PvdA Kamerleden Martijn van Dam en Anja Timmer schrijven: ‘Tussen het kastje en de muur’. ‘Ambtenaren saboteren ICT voor honderden miljoenen euro’s en pleidooi voor een verbod op overbodige formulieren.’
Juni 2007 Artikel Trouw
  Jaarlijks zou vier à vijf miljard euro – net zoveel als de hele Betuwelijn heeft gekost- aan ICT projecten werd verspild. Jan Friso Groote, hoogleraar computertechnologie in Eindhoven, zegt via verschillende berekeningen steeds op eenzelfde jaarlijkse miljardenstrop uit te komen. Chris Verhoef verklaart dat het cijfer nog weleens hoger zouden kunnen liggen: ‘Vijf jaar geleden is voor het ministerie van Vrom onderzoek gedaan naar automatisering bij de overheid. Volgens dat onderzoek kwam maar liefst de helft van alle projecten nooit tot voltooiing.’
25 september 2007 Programma vernieuwing Rijksdienst
Een rijksdienst die beter beleid maakt, minder verkokerd is, efficiënter werkt en in omvang kleiner is.
29 november 2007 Lessen uit ICT-projecten bij de overheid A
  De Algemene Rekenkamer constateert dat de overheid heeft de neiging ICT-projecten te complex te maken. De politieke besluitvorming speelt hierbij een rol. Door te hoge ambitie of aanvullende wensen van minister of Tweede Kamer neemt het risico op het mislukken van ICT-projecten toe. Referentie naar artikel in Trouw uit 2007: ‘wij plaatsen bij deze cijfers enkele kanttekeningen’.
2007 en 2008 Gemeente heeft Antwoord© en “Overheid heeft Antwoord©
  Gezamenlijke publicaties van de Vereniging Directeuren Publieksdiensten, Divosa, VNG, en ICTU programma’s Overheid heeft Antwoord en Egem. Hierin wordt de visie van een gemeentelijke front office in 2015 in 5 groeifasen en bouwstenen verder uitgewerkt.
27 januari 2008 Arda Gerkers (SP Tweede Kamerlid) opent een meldpunt ICT-verspilling
  Van de aanbesteding tot de inhuur van te veel externen: op alle vlakken gaat het mis met ICT-projecten bij de overheid. SP-rapport ‘ICT bij de overheid: wondermiddel of hoofdpijndossier?’
Juni 2008 UWV stopt bouw ICT-systeem voor WIA
  UWV besluit niet verder te gaan met de ontwikkeling van het iCT-systeem voor de WIA, opvolger van de WAO. Door een te hoog ambitieniveau wordt het project te complex en technisch en financieel onbeheersbaar.
1 juli 2008 Lessen uit ICT-projecten bij de overheid B
  De Algemene Rekenkamer constateert dat ICT-projecten van de overheid vaak te ambitieus en te complex worden door de combinatie van politieke, organisatorische en technische factoren. Bij deze te complexe projecten is er geen balans tussen ambitie, beschikbare mensen, middelen en tijd.
2008 NUP: Nationale UitvoeringsProgramma
  Door de veelheid en onoverzichtelijkheid van alle initiatieven dreigen de ontwikkelingen te verzanden. De commissie Postma/Wallage doet voorstellen voor meer focus en prioritering. Dit resulteert in een lijst van 19 bouwstenen, met name gericht op realisatie van de e-overheid. Belangrijke bouwstenen van e-overheid voor een geïntegreerde dienstverlening zijn: basisregistraties, eenduidige nummers voor personen en bedrijven, middelen voor identificatie, authenticatie en machtiging en de gemeenschappelijke voorzieningen voor gegevensuitwisseling.
2009 Eindverslag ICT-werkgroep Tweede Kamer
ICT-werkgroep onder leiding van SP-Kamerlid Arda Gerkens  brengt rapport uit met wat er fout ging en doet aanbevelingen. Het rapport bevat een handreiking voor de behandeling van ICT-projecten.
1 januari 2010 P-Direkt is live
Gefaseerde aansluiting op P-Direkt vanaf 2007. Zeven ministeries zijn aangesloten zijn op het totale dienstverleningspakket van P-Direkt. Het ministerie van AZ, BZK (inclusief Hoge Colleges van Staat), Justitie, LNV en VROM stappen over. De medewerkers van deze ministeries komen formeel bij P-Direkt werken. Sociale Zaken en OCW sluiten later aan.
22 februari 2010 Gatewayreview over het Nationaal Uitvoeringsprogramma
‘Gateway-review’ onder leiding van Docter van Leeuwen zet het sein op rood. NUP is te complex, te eenzijdig gericht op techniek en ontbeert een visie en ondersteuning van implementatie.
25 – 27 mei 2010 World Congress on IT en ‘Declaration of Amsterdam’
Tijdens dit wereld congres dat iedere twee jaar wordt georganiseerd, komen uit meer dan tachtig landen ruim tweeduizend captains of industry, regeringsleiders en wetenschappers bijeen. De deelnemers bespreken op wereldniveau de uiteenlopende toepassingsmogelijkheden van informatie- en communicatietechnologie. In de Declaration of Amsterdam staat dat de ICT-sector zich in gaat zetten om de economische groei te stimuleren. Ook moet ICT een rol spelen bij grote sociale uitdagingen zoals klimaatverandering, gezondheid en kwaliteit van leven.
2010 Dienstverlening: samen doen
Overheidsbrede visie op dienstverlening met zes ambities voor dienstverlening in 2020 moet voldoen: de vraag van burgers, bedrijven en instellingen staat centraal, opereren als één overheid.
14-2-2011 Uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst
Streven naar een “kleinere overheid” en een ombuiging van 6,14 miljard euro in 2015 en 6,56 miljard euro structureel. Het realiseren van deze ambitie vraagt om een compacte overheid. Dit raakt alle overheidslagen: rijk, provincies, gemeenten en waterschappen.
2-3-2011 WRR Rapport iOverheid
De alomtegenwoordige inzet van informatie- en communicatietechnologie (ict) door de overheid heeft ervoor gezorgd dat deze niet langer meer als een eOverheid, gericht op dienstverlening en gebruikmakend van techniek, kan worden gekarakteriseerd. In de dagelijkse praktijk is veeleer een iOverheid ontstaan, gekenmerkt door informatiestromen en -netwerken en gericht op niet alleen dienstverlening, maar ook controle en zorg. Deze iOverheid brengt vergaande veranderingen in de relatie tussen burgers en overheden met zich mee. Een iAutoriteit moet ervoor zorgen dat misrepresentaties van burgers in de backoffice en overige systemen daadwerkelijk worden gecorrigeerd. Stel een permanente commissie voor de iOverheid in die jaarlijks aan het parlement rapporteert over de ‘staat van informatie’.
Juni 2011 Waterschappen verbreken banden met Logica
Het ict-debacle bij de waterschappen staat niet op zichzelf. Ook bij uitkeringsorganisatie UWV zijn de kosten uit de hand gelopen. Een groot automatiseringsproject van Capgemini zou in 2004 maximaal 40 miljoen gaan kosten.
2 september 2011 DigiNotar Hack
Minister Donner zegt vertrouwen op in DigiNotar en kondigt maatregelen aan om de betrouwbaarheid van de overheidswebsites te waarborgen.
15-11-2011 I-strategie Rijk
Verbrokkelde ICT-infrastructuur van de rijksdienst meer een eenheid laten worden, en daarmee de kosten te drukken. Het aantal datacenters wordt teruggebracht, er wordt één ICT beveiligingsfunctie voor de rijksdienst ingericht en worden voorstellen ontwikkeld om de ontwikkeling en het gebruik van software te harmoniseren.
1-12-2011 VVD Kamerlid Brigitte van der Burg vraagt minister Donner om ‘Deltaplan ICT’
Drie belangrijke elementen voor een Deltaplan: simpelere regelgeving om de haalbaarheid van automatisering te verbeteren, een andere manier van selecteren en afrekenen met leveranciers dan het gebruikelijke uurtje-factuurtje, en opschoning van de databases van de overheid.
December 2011 Nederland Open in Verbinding gestopt
Het programmabureau Nederland Open in Verbinding heeft haar werkzaamheden eind 2011 beëindigd. De medewerkers zijn inmiddels werkzaam op andere projecten, zowel binnen als buiten ICTU.
1 Januari 2012 Oprichting Nationaal Cyber Security Centrum
Het NCSC bestaat uit een samenwerking van publieke en private organisaties die zich richt op een integrale aanpak van cyber security. Binnen het NCSC wordt tactische en operationele kennis en expertise uit de publieke en private sectoren bij elkaar gebracht. Op deze manier komt er meer inzicht in ontwikkelingen, dreigingen & trends en kan er meer ondersteuning worden gegeven bij incidentafhandeling en crisisbesluitvorming op het gebied van digitale veiligheid.
26 Januari 2012 Convenant Verbetering samenwerking tussen de rijksoverheid en het ICT-bedrijfsleven
Het programma Samenwerking Rijk en ICT-bedrijfsleven bestaat uit de volgende onderdelen: verbeteren van de samenwerking, Publiek-Private Samenwerking, Kwaliteit van ICT-projecten, Goed Aanbesteden en Talentbehoud en –ontwikkeling.
5 juli 2012 Opdracht parlementair onderzoek ICT-projecten bij de rijksoverheid
Het doel van het parlementaire onderzoek naar ICT-projecten bij de overheid is tweeledig: 1 Het in kaart brengen van de misgelopen maatschappelijke effecten (ten behoeve van de gebruiker) (inclusief maatschappelijke en financiële kosten) door het niet op orde hebben van informatieprocessen en -stromen van de overheid door middel van ICT(-projecten). 2 Duidelijk maken wat de prioritaire stappen zijn die een optimale inrichting van de informatieprocessen en -stromen van de overheid door middel van ICT(-projecten) teweeg kunnen brengen.
17 Januari 2013 Aleksandr Dolmatov pleegt zelfmoord in detentiecentrum
Door diverse organisaties in de vreemdelingenketen worden fouten gemaakt in deze zaak. Abusievelijk werd in het computersysteem INDiGO ingevoerd dat Dolmatov “verwijderbaar” (uitzetbaar uit Nederland) was. Volgens de Inspectie had de mensenrechtenactivist niet in vreemdelingenbewaring gezet mogen worden en kreeg hij niet de juiste rechtsbijstand.
22-5-2013 Hervormingsagenda Rijksdienst
De agenda beoogt: goede dienstverlening voor burgers, bedrijven en instellingen; grotere slagvaardigheid en vermindering van overbodige bureaucratie en vermindering kosten voor personeel en materieel van de rijksdienst.
23-5-2013 Programma Digitaal 2017
Bedrijven en burgers kunnen uiterlijk in 2017 zaken die ze met de overheid doen digitaal afhandelen. De digitale overheid is betrouwbaar, veilig en betaalbaar.
2013 Doorbraakprojecten met ICT
Disruptieve technologie vraagt om het doorbreken van belemmeringen. Het project Massaal Digitaal geeft een impuls aan de ontwikkeling van de digitale overheid en maakt  deel uit van het programma ‘doorbraakprojecten met ict’: Zorg & ICT, Onderwijs & ICT, Big Data, Open Data, Energie & ICT, MKB Inoveert, Ondernemingsdossier en Informatieplatformen.
1 mei 2014 De overheid verliest 4 à 5 miljard per jaar aan falende ICT-projecten
Falende ICT-projecten worden niet bijgehouden en daarom kun je ook niet precies weten hoeveel er aan wordt uitgegeven. We (nrc factcheck) beoordelen de uitspraak daarom als niet te checken.
15 oktober 2014 Naar grip op ICT – Parlementair onderzoek naar ICT-projecten bij de overheid
De tijdelijke commissie ICT-projecten bij de overheid onder leiding van Ton Elias biedt haar eindrapport aan Kamervoorzitter Van Miltenburg. Jaarlijks zou één tot vijf miljard euro aan ICT projecten werd verspild. Pleidooi voor oprichting van een tijdelijke ICT-autoriteit: het BIT (Bureau ICT-toetsing).
12 mei 2015 Digitale Agenda 2020
De VNG formuleert de ambitie voor de komende jaren onder het motto ‘wat samen kan ook samen doen’: Open en transparant in de participatiesamenleving, Werken als 1 efficiënte overheid, Massaal digitaal en maatwerk lokaal.
5 oktober 2015 Topsectoren: Meer innovatie, extra inzet op ICT
Om ICT en innovatie op verschillende terreinen verder aan te jagen wordt een consortium opgericht van bedrijven, kennisinstellingen en overheden dat zich richt op de toepassing van big data -de verzamelnaam voor grote hoeveelheid digitale informatie- op het gebied van energie, zorg, veiligheid en smart industry. Tevens wil het consortium meer ICT-specialisten opleiden op het gebied van cyber security en big data. Hierbij wordt samengewerkt met hogescholen en universiteiten.
9 Februari 2016 Start van pilots voor eID stelsel
Het kabinet gaat door met het stapsgewijs ontwikkelen van het eID Stelsel. Dat wordt een nieuwe standaard om burgers en bedrijven veilige en betrouwbare toegang te verlenen tot online dienstverlening van overheid en bedrijfsleven. Met pilots wordt het gebruik van zowel publieke als private inlogmiddelen beproefd.

Boy Boissevain: Europees ambtenaar en milieu-activist

oosterschelde

Stormvloedkering en overleg: er is niet met open vizier gestreden

De stormvloedkering Oosterschelde. Eduard Carel (Boy) Boissevain heeft er achteraf spijt van ooit met dit compromis tussen helemaal open en dicht te hebben ingestemd. Zijn voordeel van de twijfel is omgeslagen in: fout, een verkeerde beslissing. “Te duur en maar in beperkte mate voldoend aan de verwachtingen. En het is voor mij geen uitgemaakte zaak of de mossel- en oestercultures toch geen klap ondervinden. Dat komt dan hoofdzakelijk naar mijn mening doordat de stromingen verminderen en zich verplaatsen. Ons oorspronkelijke standpunt – dijkverhogingen – blijkt het beste. Goedkoper en er zouden meer natuurwaarden zijn gespaard”.

boyboissevain

Eduard Carel (Boy) Boissevain (1921-1989)

Boissevain – vandaag (8 augustus 1987) 66 jaar geworden – belandde in 1973 na een ambtelijke loopbaan bij het ministerie van landbouw en de Europese Economische Gemeenschap in Brussel (ontwikkelingssamenwerking) in Tholen. “Sinds hij afscheid nam als ambtenaar bij de E.E.G. in Brussel, ontwikkelde hij zich als een strijdbaar milieu-activist”, schreef NRC-Handelsblad over Boissevain in een artikel onder de kop ‘SOS heeft nog hoop voor Oosterschelde’. Zeeland kende hij oppervlakkig; de Oosterschelde door zeiltochten (met Sint-Annaland als thuishaven) goed. “Ik ben door die Oosterschelde gefascineerd geraakt. Ik heb op veel wateren in Nederland gezeild, maar de Oosterschelde vind ik boeiend en mooier dan de andere wateren. Interessanter wat natuur betreft en wat cultuurhistorie betreft. De getijdestromen zijn ook gedeeltelijk interessanter dan de Wadden. Ik ben gewoon gegrepen door de schoonheid van de Oosterschelde”. Geen wonder dat Boissevain zich ging verdiepen in de heisa die begin jaren zeventig over de Oosterschelde open/dicht op gang kwam. “Ik ben aanvankelijk een doodenkele keer naar een vergadering van actiegroepen gegaan. Daar heb ik me hogelijk verbaasd over de onvoorstelbare felheid. Die beschouw ik achteraf als noodzakelijk om de late start van de actiebeweging in te halen. Maar ik was dat felle niet gewend. Ik was ambtenaar geweest; dan probeer je de zaken te regelen. Het komt er niet op aan of ik gelijk heb, maar of ik gelijk krijg – dat was het uitgangspunt.

SOS

Op min of meer toevallige wijze belandde Boissevain op een vergadering van SOS, het comité samenwerking Oosterschelde. “Dat was opgericht door A/L.S. Lockefeer, de voorzitter van Zevibel. Er zaten meer van dergelijke grootheden in de club van mensen met heel verschillende achtergronden en opvattingen. Het enige wat ze bond was een open Oosterschelde. Op die vergadering zie iemand: er moet veel meer sturing in SOS gebracht worden, we werken allemaal langs elkaar heen en zo gaat het niet langer. Er werden twee namen genoemd voor het voorzitterschap. Die van Sicco Parma en die van mij. Dat was tot mijn grote verbazing. Ik heb de boot eerst afgehouden, maar de volgende vergadering werd ik toch op de voorzittersstoel gezet.

Het was inmiddels 1974. De discussie over de Oosterschelde ging naar een hoogtepunt. En Boy Boissevain werd geacht de activiteiten van de voorstanders van een open Oosterschelde te leiden. “Wist ik veel wat SOS betekende. Ik moest beginnen me te oriënteren op het hele vraagstuk. Met name de bestuurlijke kant: wie heeft ermee te maken, waar kan ik contacten leggen. Dat was moeizaam, om niet te zeggen: vijandig. Door de Zeeuwse overheden werden we verketterd. Dat vond ik erg raar, maar ik heb toen gezegd: dan leggen we contacten naar Den Haag toe. Het ministerie, de Tweede Kamer, de politieke partijen. Dat liep wél. Ik ben op een hoger niveau gaan zitten, óver de provincie heen. Ik stootte in Zeeland mijn neus en kon niet anders.

Boissevain zegt dat hij aanvankelijk weinig voelde voor het compromis van een stormvloedkering. “Maar we hadden ook geen gedegen antwoord erop. Ons rapport over dijkversterking is politiek onder tafel gewerkt, eigenlijk alleen op het punt van presentatie. Het compromis werd veroorzaakt door gebrek aan moed van politiek Den Haag. Er waren twee oplossingen: helemaal open of helemaal dicht. Voor beide oplossingen ontbrak de moed. We moesten als SOS een standpunt bepalen. Ik heb ervoor gepleit het compromis het voordeel van de twijfel te geven. Ik kreeg binnen SOS geweldig oppositie, ik moest het compromis er echt uitslepen. Ik zag geen heil in verdere polarisatie; dat zou onze positie alleen maar verzwakken.

De spijt van Boissevain kwam nog tijdens de bouw van de kering opzetten. “De partiële dijkversterkingen toonden aan dat dijkversterkingen toch tijdig en tegen verantwoorde kosten gerealiseerd konden worden. Inmiddels was ook nog gebleken dat een rapport van provinciale waterstaat tegen dijkverhoging nergens op sloeg. Dat rapport was eerst geheim gehouden, maar speelde wel een belangrijke rol in de besluitvorming. Ik heb geen bewondering voor de wijze van procederen van de voorstanders van afsluiting. Er is niet met open vizier gestreden.” Boissevain wijst erop dat de gang van zaken rond de zoetwatervoorziening van Schouwen-Duivenland hem opnieuw doet denken aan gemanipuleer á la Oosterschelde.

Hoe dan ook: de stormvloedkering ligt er; als het goed is voor zeker 200 jaar. Boissevain beseft dat terdege en hij vindt dan ook het beheer van kering en Oosterscheldegebied voor de toekomst uiterst belangrijk. “Die kering moet alleen dienen als noodrem. Verder moet men eens tien jaar met de vingers van de Oosterschelde afblijven. Die moet een evenwicht hervinden. Het moet niet zo zijn dat allerlei gemeentelijke en provinciale autoriteiten met hun stokpaarden aan de gang kunnen. Je hebt sneller iets verpest dan opgebouwd. Maar ik vrees hoor. Er is iets nieuws en dus de psychologische uitdaging: we moeten eraan knutselen. Er hoeft van mij geen actief beheer plaats te vinden. Voor mijn part is het zo passief als wat, als ze maar met hun poten van de Oosterschelde afblijven. Ik heb niet veel fiducie in een betere toekomst voor de Oosterschelde. Ik heb de indruk dat de recreatieve druk zó wordt gestimuleerd, dat de productieve betekenis van het gebied eronder zal lijden. Neeltje Jans ontwikkelen geeft niks, als de mensen maar op dat eiland blijven.

Afbouw

Het comité SOS – dat in 1976 de eerste Zeeuwse milieuprijs ontving – is formeel nooit opgeheven. Als het ernstig mis gaat, kan er altijd nieuw leven in worden geblazen. Niet meer door Boy Boissevain. Hij is aan het afbouwen. Het grote aantal functies in de natuur- en landschapsbescherming (en de politiek) dat Boissevain in korte tijd op zijn schouders gestapeld kreeg, verdwijnt. “Niet te veel stress meer”, merkt hij op. In het najaar neemt hij zodoende afscheid als voorzitter van het Delta-overleg: platform van milieu-organisaties uit Zeeland, Zuid Holland en Noords Brabant. Senator mr J.P. Boersma volgt hem op. Boissevain gaf tien jaar leiding aan het Delta-overleg en hielp het mee op te richten.

“Een nuttige club. Voordat het tot stand kwam zaten de provinciale organisaties binnen de eigen grenzen te opereren. Dat was trouwens ook het geval op bestuurlijk gebied. Het gaf wrijvingen. Was bijvoorbeeld de Dammenroute aan de orde, dan zei Zeeland: over mijn lijk, laat ze de Zoomweg maar aanleggen. Brabant zei dan: dat nooit. Zo kun je niet bezig zijn. Dan beslist Den Haag zonder je. Het heeft wel lang geduurd voor het Delta-overleg op gang kwam. We hebben ‘De Delta Waarheen’ gemaakt. Dat zie ik als een soort geloofsbelijdenis”. Boissevain onderstreept dat met elkaar in gesprek blijven de basis vormt van het Delta-overleg. In zijn functie als voorzitter ziet hij een parallel met die bij het comité SOS: “Coördineren; proberen standpunten met elkaar in overeenstemming te brengen”.

Rinus Antonisse, de Provinciale Zeeuwse Courant

8 augustus 1987

Mies Boissevain-van Lennep: Amsterdamse verzetsstrijder

Adrienne Minette (Mies) Boissevain-van Lennep (1896-1965)

Mies (Adrienne Minette) Boissevain-van Lennep (1896-1965) was zeer actief in de jaren dertig, zwaar beproefd in de 2e Wereldoorlog en daarna opnieuw vol bruisende energie. Levenslust, humor en snedigheid behoorden tot haar karakteristieken. Met het motto ‘Gezondheid + Schoonheid = Levenslust’ exploiteerde zij hoog boven in het grote grachtenhuis in Amsterdam waar Jan en Mies met hun 5 kinderen tot 1939 woonden een beauty parlour. Voor de vrouwen die zich daar door haar lieten behandelen was 4 trappen beklimmen kennelijk geen bezwaar! In diezelfde periode was zij politiek actief in de vrouwenbeweging. Samen met enkele andere vrouwen richtte zij een Jongeren Werk Comité in de Vereniging voor Vrouwenbelangen op om deze laatste nieuw leven in te blazen. Mies trok daarbij de aandacht met haar berijmde toespraken op bijeenkomsten en vooral met haar geregeld in het weekblad De Groene Amsterdammer gepubliceerde limericks waarin zij zich op geestige en rake wijze verzette tegen onrecht. Befaamd werd haar actie tegen een voorstel van de katholieke minister Romme om vrouwenarbeid als zijnde ‘onnatuurlijk’ en onwenselijk wegens de grote werkloosheid te verbieden.

De 2e wereldoorlog begon zijn schaduwen vooruit te werpen. Mies raakte betrokken bij de opvang van joodse vluchtelingen uit nazi-Duitsland en zelfs nog in de oorlog bij het in veiligheid brengen van joodse kinderen. De oorlog bracht diepe ellende: haar 2 oudste zonen Janka en Gi werden in 1943 door de nazibeulen gefusilleerd, haar echtgenoot Jan bracht meer dan 3 jaar in diverse concentratiekampen door (Amersfoort, Vught en Sachsenhausen) en overleed in Buchenwald, haar 3e zoon Frans overleefde de concentratiekampen Vught en Dachau. Zelf overleefde zij de kampen Vught en, zij het ternauwernood, Ravensbrück waar zij driemaal van de gaskamers werd gered. Echtgenoot Jan was al in 1941 gearresteerd wegens het zaken doen met een joodse relatie, na enkele weken vrijgelaten, maar kort daarna opnieuw opgepakt. Het huis waarheen de familie eind 1939 was verhuisd werd geleidelijk een belangrijk centrum van verzets- en sabotage activiteiten: onderduikadressen voor joden en anderen werden geregeld, voor vermommin­gen en valse identiteitsbewijzen werd gezorgd en bomaanslagen en andere verzetsactiviteiten werden er voorbereid. De kelder van het huis was een arsenaal van wapens en explosieven. Vele jaren na de oorlog, in 1962, vond een loodgieter er bij toeval en tot zijn grote schrik in een buis nog genoeg springstoffen om heel Amsterdam mee op te blazen! Janka en Gi waren hier tezamen met andere verzetsmensen, als groep bekend onder de naam CS-6, nauw bij betrokken. De oorsprong van deze codenaam is overigens onzeker. Veelal denkt men dat deze is ontleend aan het huis (Corelli Straat 6), maar volgens andere bronnen was er sprake van afdeling 6 van een internationaal opererende verzetsorganisatie Centre de Sabotage.

Robert Lucas Boissevain (1895 – 1945)

In augustus 1943 sloeg de Sicherheitsdienst toe: Mies en haar 3 zonen (de 2 dochters waren gelukkig niet thuis) en nog 70 anderen werden gearresteerd. Op 1 oktober werden Janka, Gi, achterneef Louis en nog 16 andere tot de groep behorende verzetsmensen in de duinen bij Overveen gefusilleerd. De nacht tevoren had Janka in een der muren van zijn gevangeniscel nog onze familiespreuk gekrast: ‘Ni regret du passé, ni peur de l’avenir’! Mies en zoon Frans belandden in concentratiekamp Vught, waar Mies te werk werd gesteld in het ‘ziekenhuis’. Als ‘Zuster Mammie’ werd zij bekend bij vele gevangenen die zij er heeft kunnen helpen. Onder hen ook haar echtgenoot Jan die zij 1 jaar niet meer had gezien en Robert Lucas Boissevain die na folteringen en 9 maanden eenzame opsluiting in Scheveningen in slechte conditie in Vught arriveerde. In september 1944 werd het kamp ontruimd. Mies werd overgebracht naar Ravensbrück, een vernietingskamp waar de mensonterende omstandigheden nog honderd keer erger waren. Ook daar verzorgde zij zieken maar doorstond ook zelf zware ziekten.

Eind april 1945 werd zij, doodziek en nog slechts 33 kg. wegend, met een ziekentransport van het Rode Kruis naar Zweden gebracht. Enkele maanden later kwam ze terug in Nederland, fysiek weer wat bijgespijkerd en 20 kg aangekomen, maar bovenal mentaal ongebroken en weer vol sprankelende energie en snedige humor. Natuurlijk hadden de kampperiode en de doorstane beproevingen hun sporen nagelaten, maar ook in positieve zin. Zo had zij de waarde van solidariteit onder de kampvrouwen ervaren. Zij trachtte hieraan op verschillende en originele wijze vorm te geven, zij het niet steeds met blijvend succes. Ze vond dat er meer specifiek vrouwelijke invloed in het openbare leven nodig was. Met alleen vrouwelijke inbreng in de traditionele politieke partijen zou dat niet te verwezenlijken zijn en daarom richtte zij een vrouwenpartij op ‘Praktisch Beleid’, gebaseerd op eensgezindheid tussen alle lagen in de samenleving. Voor de publiciteit maakte zij ook nu weer gebruik van snedige limericks. De meeste kiezers vonden de ideële gedachte echter te vaag en de verkiezingen eindigden in een fiasco.

Nationale Feestrok

Eveneens uit de ervaring van eenheid op een ondergrond van (vrouwelijke) verscheidenheid sproot haar idee van de ‘Nationale Feestrok‘ voort. Tijdens haar gevangenschap had Mammie Mies een dasje toegestuurd gekregen gemaakt van lapjes, kledingstukken van familieleden en vrienden, waarmee speciale herinneringen boven kwamen. Het zou aardig zijn als iedere vrouw een kleurige rok zou dragen, gemaakt van allerlei lapjes met een emotionele lading en al dan niet geborduurd met namen en/of data. Iedere vrouw zou dan een unieke rok – een typisch vrouwelijk kledingstuk – hebben, die toch ook eenheid in verscheidenheid zou symboliseren. De rok zou vooral op nationale feestdagen moeten worden gedragen. Er werd zelfs een feestrok-lied geschreven. Om de rok te promoten reisde Mies niet alleen heel Nederland door, maar ging ook naar de Verenigde Staten. In de Amerikaanse pers verschenen zelfs enthousiaste artikelen. Na enkele jaren was de hele gedachte echter weer vergeten.

Robert Lucas (Bob) Boissevain

iOverheid kent geen grenzen

ioverheid_figuur

Het iBestuur congres had dit jaar het ambitieuze thema ‘iOntwerp voor een slimmer Nederland’. Minister Plasterk opende het congres. Voordat hij het spiekbriefje uit zijn zak toverde om de digitale wapenfeiten van de overheid op te sommen moest hem nog iets van het hart. Was het nou EE-Overheid of IE-Overheid? Of misschien in het Engels AAI-Overheid? Verwarrend is dat wel. Waar komt die ‘i’ eigenlijk vandaan?

Vijf jaar geleden schreef de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR)  het rapport ‘iOverheid’. De Raad verlegt daarin de blik van de applicaties die de overheid ontwikkelt naar de informatiestromen. Die informatiestromen banen zich een weg binnen en tussen de verschillende overheden, over de grenzen van de beleidsterreinen heen en over de grenzen van publieke en private organisaties. Dat is de wereld van de informatie-overheid, die vergaande veranderingen in de relatie tussen overheden en burgers met zich meebrengen. Daardoor nemen ook de kwetsbaarheden toe, zowel voor de burgers als voor de overheid zelf.

“Op gebieden als veiligheid en zorg worden systemen ingezet en gekoppeld om de toekomst in kaart te brengen en daarop alvast te anticiperen. Zo moet de Verwijsindex Risicojongeren ‘een nieuw Maasmeisje’ voorkomen, dienen Europese migratiedatabanken te garanderen dat zich geen nieuwe illegalen in Nederland vestigen en zijn opsporingsdatabanken en grensoverschrijdend uitgewisselde passagiers- en bankgegevens er om de wereld te vrijwaren van een nieuwe terroristische aanslag.” schrijft Raad in haar rapport. “Wie er van overtuigd is dat de inzet van technologie alleen maar van invloed is op vooropgestelde doelen als het verhogen van efficiëntie en het verbeteren van de veiligheid, heeft weinig oog voor, minder wenselijke, bijeffecten.” Omdat initiatieven ad hoc worden genomen ontbreekt regie en is de ontwikkeling van de ‘iOverheid’ onbegrensd.

De onderzoekers van de WRR wijzen op de gevaren, die onschuldige burgers diep kunnen raken. Als voorbeeld wordt de zaak-Kowsoleea genoemd. Als onschuldige burger werd Ron Kowsoleea dertien jaar lang verward met een gevaarlijke drugscrimineel, nadat hij het slachtoffer was geworden van identiteitsfraude. Zijn gegevens waren overal opgeslagen en die bleken moeilijk te corrigeren. Daardoor kreeg hij ten onterechte een strafblad. Hij werd hij geregistreerd als ongewenst vreemdeling en ondervond problemen met reizen vanaf Schiphol. Voor het oog van zijn kinderen werd hij met veel machtsvertoon gearresteerd. De Nationale Ombudsman oordeelde vernietigend over het onvermogen van de overheid om de gegevens te corrigeren.

Het onbeperkt vasthouden en koppelen van informatie heeft zijn schaduwkanten. Burgers kunnen zich daardoor moeilijk aan hun eigen verleden onttrekken. Aglaia Bouma gebruikt dit thema in haar roman ‘Niets te verbergen’. Hoofdpersoon van het boek is prostituee Maud. Zij probeert te overleven in een Nederland van de nabije toekomst waarbij alle persoonlijke gegevens zijn opgeslagen in een zogenaamd ‘Elektronisch Burgerdossier’. Maud heeft daar geen problemen mee. Zij heeft immers niets te verbergen en dus ook niets te vrezen. Zij doet achteloos afstand van haar privacy in ruil voor meer gemak en veiligheid. Maud belandt uiteindelijk in een nachtmerrie waarin de registraties zich tegen haar keren. Een wereld van ongebreidelde informatievergaring maakt uiteindelijk van iedereen een verdachte.

De WRR adviseerde het kabinet een ‘iAutoriteit’ in te stellen. Deze organisatie met vergaande bevoegdheden zou burgers, die verstrikt zijn geraakt in de digitale informatiehuishouding van de overheid, bij moeten staan. Daarnaast zou een ‘Permanente Commissie voor de iOverheid’ het parlement jaarlijks moeten rapporteren en adviseren over de ontwikkeling van de ‘vernetwerkte overheid’. Tegelijk zou een iPlatform burgers inzicht moeten verschaffen over de informatie die de overheid over hen verzamelt, wie daar toegang toe krijgen en waarvoor. Het WRR-rapport werd alom geprezen. Raadslid Corien Prins werd in 2011, vanwege haar bijdrage aan het rapport, onderscheiden met de ICT Personality Award. De iAutoriteit, de Permanente Commissie voor de iOverheid en het iPlatform kwamen er niet. Ondertussen blijft de wereld van verbonden systemen en informatieprocessen groeien. Het WRR-rapport ligt nu te verstoffen in een bureaula. Wat bleef is de ‘i’ in iOverheid. Het is de erfenis van een gedegen visie op een digitaliserende overheid.