Hoe AI de overheid kan transformeren

Digitalisering binnen de overheid gaat al jaren gestaag vooruit, maar de inzet van kunstmatige intelligentie (AI) legt een fundamentele spanning bloot. MIT-onderzoek laat zien dat AI alleen waarde oplevert als organisaties zichzelf opnieuw uitvinden. Zonder die transformatie is AI bouwen op drijfzand: een reeks pilots, mooie demo’s en losse tools die uiteindelijk in de praktijk vastlopen. Volgens het onderzoek State of AI in Business 2025 levert 95 procent van de GenAI-pilots geen blijvend resultaat op, terwijl miljarden worden geïnvesteerd. Slechts 5 procent slaagt erin om AI daadwerkelijk in hun werkprocessen te verankeren.

Botsende werelden: stabiliteit versus wendbaarheid

Waarom zijn de MIT-bevindingen juist voor de overheid relevant? Dat heeft te maken met de organisatie en manier van werken van de overheid. Overheidsorganisaties zijn traditioneel ingericht op stabiliteit, risicobeheersing en hiërarchische verantwoording. Dat botst met wat implementatie van AI vereist, namelijk: korte leercycli, ruimte om te experimenteren en samenwerking over organisatiegrenzen heen. AI-toepassingen werken pas goed als systemen kunnen leren, geheugen opbouwen en context meenemen. Waar de klassieke projectaanpak uitgaat van vooraf vastgestelde specificaties, vraagt AI juist om iteratie, bijsturen en experimenteren.

Wat de overheid kan leren van Spotify en ING

Dat het anders kan bewijzen koplopers buiten de overheid. Spotify veranderde zijn hele werkstructuur om technologiegedreven innovatie mogelijk te maken. Hun organisatiemodel met squads, tribes en chapters zorgt ervoor dat kleine multidisciplinaire teams end-to-end verantwoordelijkheid hebben. Het resultaat: wekelijkse updates, snelle experimenten met AI-functies en directe feedback van gebruikers. Niet de technologie, maar de organisatievorm maakt dit tempo mogelijk. ING kopieerde dit model en transformeerde van traditionele bank naar digitale dienstverlener. Dankzij agile principes en multidisciplinaire teams werd ING wendbaarder, klantgerichter en innovatiever. Als een bank met een diep verankerd risicomodel deze stap kan maken, kan de overheid dat ook.

AI als katalysator voor een nieuwe manier van werken

Voor de overheid betekent dit concreet dat AI niet langer moet worden gezien als een ICT-project, maar als katalysator voor een nieuwe manier van werken. Dat begint bij cross-functionele teams waarin beleidsmakers, uitvoerders, ICT-specialisten en juristen samenwerken. Het vraagt om experimenteerruimte met budget en mandaat, en om nieuwe rollen zoals productowners dienstverlening en ethische AI-experts. Ook de verantwoording moet veranderen: niet alleen sturen op efficiency, maar ook op leervermogen en gebruikerstevredenheid.

Lessen uit het MIT-onderzoek

Het MIT-onderzoek biedt waardevolle lessen voor de overheid. Een belangrijke waarschuwing is om niet te blijven hangen in mooie pilots met generieke chatbots. Die werken prima in een demo, maar lopen vast in complexe werkprocessen zoals bij vergunningverlening of in de sociale zekerheid, waar context cruciaal is. Succesvolle organisaties investeren juist in opbouw van geheugen en lerend vermogen. Ook blijkt dat externe partnerships tweemaal zo succesvol zijn dan alles zelf ontwikkelen. Voor de overheid betekent dit dat samenwerking met gespecialiseerde leveranciers, mét kennis van publieke processen, essentieel is.

Daarnaast moet de overheid oog hebben voor onvermijdelijke ‘shadow AI’: ambtenaren die al persoonlijke AI-tools gebruiken. In plaats van dit te verbieden, kan de overheid beter veilige alternatieven aanbieden die aansluiten bij AVG- en beveiligingsrichtlijnen. Op die manier benut je de energie van onderop, zonder de risico’s uit het oog te verliezen.

Naar een mensgerichte overheid

Voor burgers opent deze transformatie de deur naar een overheid die niet langer procesgericht, maar mensgericht werkt. Een overheid die dienstverlening personaliseert, proactief meedenkt bij levensgebeurtenissen en transparant is over hoe beslissingen tot stand komen. Vertrouwen ontstaat pas als mensen ervaren dat AI hen ondersteunt, niet vervreemdt.

AI kan de overheid helpen sneller, persoonlijker en betrouwbaarder te worden. Maar dat lukt alleen als de organisatie zelf mee verandert. Zonder die transformatie blijft AI een marginaal experiment. Met die transformatie kan AI uitgroeien tot motor van een moderne, lerende en wendbare overheid.

Onverwachte bondgenoten

Op papier lijken SGP en DENK elkaars politieke tegenpolen. De SGP wortelt in Bijbelse waarden en hamert op moreel houvast. DENK strijdt tegen discriminatie en spreekt voor groepen die zich structureel uitgesloten voelen. Toch is hun digitaliseringsagenda minder verschillend dan je zou denken. Wie dieper kijkt, ontdekt dat hun zorgen opvallend parallel lopen.

Gedeelde zorgen over kwetsbaren en big tech

Beide partijen zien hoe digitalisering mensen kan achterlaten. SGP waarschuwt dat niet iedereen meekomt in een digitale samenleving en wil kwetsbare groepen beschermen tegen cybercriminaliteit. DENK legt de nadruk op kleine organisaties die moeite hebben hun digitale veiligheid op orde te krijgen en wil dat zij extra ondersteuning krijgen.

Ook in hun houding tegenover big tech raken ze elkaar. SGP wil de macht van grote platforms beperken om eerlijke concurrentie te behouden. DENK bekritiseert de ‘data-slurpende bedrijven’ die geld verdienen aan realtime advertentieveilingen met persoonlijke gegevens en wil dat verdienmodel verbieden.

Cyberveiligheid vormt een derde gemeenschappelijke noemer. Beide partijen nemen digitale dreigingen serieus en vinden dat Nederland moet investeren in weerbaarheid en het beschermen van vitale infrastructuur.

Fundamenteel andere brillen

Toch komt hier al snel de scheidslijn. Voor de SGP geldt dat waarden en normen ook online leidend moeten zijn. Daarom willen ze filters mogelijk maken die burgers beschermen tegen porno en geweld. Hun digitaliseringsagenda staat in het teken van moreel behoud.

DENK bekijkt digitalisering door de lens van gelijkheid en anti-discriminatie. Hun focus ligt bij algoritmes en data. Na de toeslagenaffaire willen ze afkomst-gerelateerde gegevens in overheidssystemen verbieden, een verplicht algoritmeregister instellen en streng toezicht houden op discriminerende systemen.

De blinde vlekken

Juist hier worden hun beperkingen zichtbaar. De SGP richt zich sterk op morele filtering, maar heeft nauwelijks oog voor het risico van algoritmische discriminatie, terwijl hun eigen achterban net zo goed slachtoffer kan worden van oneerlijke systemen.

DENK beperkt zich vooral tot de strijd tegen digitale discriminatie. Daarmee missen ze kansen om digitalisering breder in te zetten, bijvoorbeeld voor betere zorg, slimmer onderwijs of een sterkere economie.

Een ironische overeenkomst

Dat juist deze twee partijen elkaar vinden in hun kritiek op big tech is veelzeggend. Waar de SGP digitale verleidingen vreest, ziet DENK vooral structurele uitsluiting. Twee totaal verschillende drijfveren, maar éénzelfde conclusie: de macht van platforms moet worden beteugeld en kwetsbaren verdienen bescherming.

Politiek boven techniek

Wat dit voorbeeld laat zien: digitalisering is nooit alleen een technisch vraagstuk. Het is een spiegel van waarden, macht en maatschappelijke keuzes. De overeenkomsten tussen SGP en DENK zijn daarom geen toeval, maar illustreren hoe digitale vraagstukken politieke dwarsverbanden creëren. De vraag is niet óf we big tech reguleren, maar hoe en vanuit welk perspectief.

SGP en DENK tonen dat onverwachte bondgenootschappen mogelijk zijn, zelfs als de uitgangspunten mijlenver uit elkaar liggen.

Het Online Veiligheidstheater van de VVD

De VVD profileert zich als de partij die daadkracht toont tegen digitale dreigingen. In hun verkiezingsprogramma beloven ze snelle en harde maatregelen: van het binnen een uur offline halen van deepfakes tot het verbieden van “verslavende algoritmes”. De intenties zijn begrijpelijk, maar de voorstellen geven blijk van een fundamenteel misverstand over hoe het internet en de technologie daarachter functioneren.

De deepfake-belofte

Neem de belofte dat “seksuele deepfakes altijd binnen een uur offline worden gehaald”. Het klinkt als krachtig optreden tegen digitaal misbruik, maar de technische realiteit maakt dit onhaalbaar. Platforms als YouTube en Facebook verwerken per minuut honderdduizenden uploads. Automatische detectie van deepfakes staat nog in de kinderschoenen en is verre van foutloos. Handmatige beoordeling binnen een uur op deze schaal is praktisch onmogelijk. Ondertussen verspreidt schadelijke content zich razendsnel via vele platforms wereldwijd, vaak buiten het bereik van Nederlandse wetgeving.

Het algoritme-verbod

Nog problematischer is de roep om “verslavende algoritmes” te verbieden. Het suggereert dat de overheid kan aanwijzen welke algoritmes wél en niet mogen, alsof het gaat om een lijst van ingrediënten op een voedseletiket. In werkelijkheid zijn algoritmes complexe, bedrijfsgeheime systemen. Het verschil tussen “verslavend” en “gewoon boeiend” is bovendien subjectief. Nieuws dat de één informeert, kan de ander polariseren. Een juridisch verbod is een papieren maatregel zonder uitvoeringskracht.

Leeftijdsgrenzen en burgemeestersbevoegdheden

Hetzelfde geldt voor een social media-verbod voor jongeren. Effectieve leeftijdsverificatie zonder ernstige privacy-inbreuken is technisch onmogelijk. Internationale platforms hoeven Nederlandse regels niet te volgen, en jongeren kunnen met VPN’s en proxy’s eenvoudig beperkingen omzeilen.

De extra bevoegdheid voor burgemeesters om online oproepen tot rellen te verwijderen klinkt daadkrachtig, maar ook hier haalt de praktijk de belofte in. Tegen de tijd dat een burgemeester een juridische procedure doorloopt, zijn berichten vaak al duizenden keren gedeeld. Bovendien is het onderscheid tussen een oproep tot geweld en een oproep tot protest juridisch en contextueel uiterst complex.

Veiligheidstheater in plaats van realisme

De rode draad: deze voorstellen zijn vooral veiligheidstheater. Ze suggereren controle en daadkracht, terwijl ze technisch, juridisch en praktisch grotendeels onuitvoerbaar zijn. Het gevaar is dat de VVD verwachtingen wekt die nooit waargemaakt kunnen worden, en zo juist het vertrouwen in de overheid verder ondermijnt.

Wat wél kan werken

Realistischer en effectiever beleid begint bij kleinere, concrete stappen:

  • Digitale geletterdheid vergroten zodat burgers beter bestand zijn tegen online manipulatie
  • Publiek-private samenwerking versterken bij het bestrijden van online fraude en cybercrime
  • Slachtofferhulp verbeteren voor mensen die slachtoffer worden van online misbruik of cybercrime
  • Specialistische capaciteit uitbreiden bij politie en justitie, met structurele investeringen in digitale forensisch onderzoek en cybersecurity
  • Europese samenwerking verdiepen, want via de Digital Services Act is grensoverschrijdende regulering vele malen effectiever dan nationale soloprojecten

De digitale wereld brengt nieuwe risico’s met zich mee, maar die zijn niet te beheersen met krachtige beloften en ouderwetse bestuurlijke reflexen. Effectieve online veiligheid vraagt om internationale samenwerking, technische expertise en realisme. Dat ontbreekt nog in de huidige VVD-plannen.

Tussen Noaberschap en Europese Samenwerking

Tussen Noaberschap en Europese Samenwerking

Met het motto ‘technologie altijd in dienst van mensen, niet andersom’ presenteert BBB een verkiezingsprogramma waarin digitale soevereiniteit centraal staat. Waar Volt Nederland vooral droomt van een Europees ‘Silicon Europa’, kiest BBB bewust voor een Nederland-first benadering. Die insteek sluit aan bij hun bredere filosofie: verandering waar nodig, behoud waar mogelijk. De vraag is echter: hoe haalbaar zijn de ambities om Nederland digitaal onafhankelijk te maken?

Wat BBB onderscheidt

BBB legt de nadruk op drie pijlers: vitale infrastructuur in eigen beheer, cybersecurity vanuit Nederlandse bodem en digitalisering van de overheid mét oog voor menselijke maat. Daarbij valt vooral het pleidooi op om digitale rechten in de Grondwet vast te leggen en strengere regulering in te voeren voor technologieën als deepfakes en gezichtsherkenning. Dit laat zien dat de partij digitalisering niet als onvermijdelijke vooruitgang beschouwt, maar als een proces dat actief en democratisch gestuurd moet worden.

Deze aanpak staat in scherp contrast met Volt, dat de digitale toekomst vooral Europees wil vormgeven. Volt ziet in samenwerking de sleutel tot kracht, BBB zoekt die juist in nationale zelfredzaamheid. Het verschil laat zien dat beide partijen vanuit een ander vertrekpunt naar dezelfde uitdaging kijken: hoe houden we grip op onze digitale toekomst?

Waar is BBB realistisch in

Een aantal voorstellen van BBB is direct uitvoerbaar en bovendien verstandig. De inzet op open source software voor overheidsprojecten kan, mits zorgvuldig ingevoerd, leiden tot minder afhankelijkheid en lagere kosten. Cybersecurity-educatie vanaf de basisschool is niet alleen haalbaar, maar ook broodnodig: Nederland loopt achter op landen als Estland.

Ook het idee van de overheid als ‘launching customer’ voor Nederlandse technologische innovaties heeft potentie. Op defensieterrein gebeurt dit al, bijvoorbeeld met bedrijven als Thales Nederland. Tot slot is BBB’s nadruk op digitale toegankelijkheid praktisch en noodzakelijk. 100% naleving van de WCAG-normen is technisch haalbaar en bovendien wettelijk verplicht onder de Europese Accessibility Act.

Waar valkuilen ontstaan

Toch heeft BBB’s digitale visie ook de nodige uitdagingen. Het volledig in Nederlandse handen brengen van vitale infrastructuur klinkt aantrekkelijk, maar onderschat de verwevenheid van digitale netwerken. Grote cloudleveranciers als Microsoft en Amazon zijn diep verankerd in overheidsprocessen. Een abrupte afbouw is onrealistisch en extreem kostbaar.

Het idee van een nationaal AI-ecosysteem rondom de geplande AI-fabriek in Groningen is ambitieus, want Nederland mist de schaal en het talent om op te boksen tegen Silicon Valley of Shenzhen. Hier dreigt wensdenken de realiteit te overschaduwen.

Ook de strijd voor EU-brede leeftijdsverificatie op sociale media botst met de nationale soevereiniteit van andere lidstaten en de commerciële belangen van Big Tech. Hier zal Nederland alleen weinig kunnen afdwingen.

Wat wél haalbaar is

De kracht van BBB ligt in een mensgerichte benadering en het benadrukken van democratische controle. Die kan worden versterkt door een pragmatische koers te varen:

  • Gefaseerde soevereiniteit: beginnen met gevoelige domeinen zoals defensie en justitie
  • Europese coalitie: aansluiten bij Europese initiatieven in plaats van te vertrouwen op louter nationale alternatieven
  • Concrete tijdlijnen: vage formuleringen vervangen door meetbare doelen, zoals een percentage overheidsdata dat in 2028 op Nederlandse infrastructuur draait
  • Investeren in talent: investeren in onderwijs en het aantrekken van internationale expertise om een AI-netwerk mogelijk te maken

Noaberschap en digitale samenwerking

BBB benadert digitale soevereiniteit niet enkel technisch of economisch, maar ook sociaal. Dit doet de partij op basis van het begrip Noaberschap (nabuurschap): de zorg voor elkaar en solidariteit in de gemeenschap staan centraal. Voor BBB betekent digitale onafhankelijkheid daarom niet alleen bescherming tegen buitenlandse afhankelijkheid, maar ook het waarborgen dat technologie mensen verbindt in plaats van vervreemdt.

In dit licht krijgt de aandacht voor digitale toegankelijkheid en onderwijs extra betekenis: technologie moet niet een selecte groep bevoordelen, maar iedereen ten goede komen. Daarmee kan BBB’s visie worden gezien als een digitale vertaling van Noaberschap: wederkerigheid, zorg en nabijheid, maar dan in de context van onze digitale infrastructuur.

Menselijke maat

BBB’s digitale agenda brengt een waardevolle nadruk op menselijke maat en democratische sturing in een vaak technocratisch debat. Volledige digitale onafhankelijkheid is misschien niet realistisch, maar een combinatie van nationale waakzaamheid en Europese samenwerking kan wel degelijk leiden tot een meer weerbare en mensgerichte digitale samenleving. Als BBB haar ambities weet te vertalen naar concrete, haalbare stappen, dan kan Noaberschap een krachtig uitgangspunt worden voor de digitale toekomst van Nederland.

NSC’s digitale droombeelden

Nieuw Sociaal Contract presenteert zich als de nuchtere, pragmatische partij die vooral wil leren van het buitenland. In hun verkiezingsprogramma verwijzen ze naar Denemarken en Estland als voorbeelden van digitale overheden die goed werken. Dat klinkt verstandig. Maar achter deze realistische toon schuilen dezelfde maakbaarheidsillusies die we ook zagen bij de VVD en SP. Alleen wordt het hier verpakt in technocratische taal.

Het Deense portaal: mooi in theorie, onmogelijk in Nederland

NSC wil één centraal online overheidsportaal “naar Deens model”. Maar Denemarken is Nederland niet. Waar Denemarken 98 gemeenten en een sterke centrale overheid heeft, telt Nederland 342 gemeenten, 21 waterschappen, 12 provincies en meer dan 200 uitvoeringsorganisaties. Die hebben allemaal hun eigen systemen, regels en procedures.

Een simpel kopieer- en plakwerk van de Deense aanpak is daardoor technisch onhaalbaar. Ons staatsbestel is daarvoor veel te gefragmenteerd.

Het Estse voorbeeld: elegant daar, nachtmerrie hier

Ook het zogeheten once only-principe, burgers hoeven gegevens maar één keer aan te leveren, lijkt aantrekkelijk. Estland kan dit omdat het een digitale infrastructuur vanaf nul opbouwde na 1991, zonder oude systemen en met een kleine, homogene bevolking.

Nederland werkt met ICT-systemen die soms teruggaan tot de jaren zestig, verschillende definities van dezelfde data én strenge privacyregels die juist voorschrijven dat gegevens alleen per doel mogen worden gebruikt. Wat in Estland elegant is, wordt hier een technische nachtmerrie.

De belofte van leeftijdsverificatie zonder ID

Nog ingewikkelder wordt het met NSC’s idee van privacyvriendelijke leeftijdsverificatie zonder digitale identiteitskaart. Dat klinkt sympathiek, maar is technisch tegenstrijdig. Betrouwbare leeftijdsverificatie vereist altijd identiteitsgegevens. Zonder opslag geen zekerheid en dus geen werkend systeem. Dit is dezelfde wensdroom die we eerder al zagen bij de SP.

Een patroon van onderschatting

De parallellen met andere partijen zijn opvallend:

  • De VVD belooft dat burgers eenvoudig kunnen uitrekenen wat meer werken oplevert
  • NSC belooft een persoonlijke digitale kluis die burgers zelf beheren

Beide onderschatten hoe ingewikkeld het is om gebruiksvriendelijke ICT te bouwen bovenop complexe overheidsprocessen.

Waar de SP het internet wilde heruitvinden door gepersonaliseerde advertenties te verbieden, wil NSC de afhankelijkheid van Amerikaanse cloudproviders terugdringen. Beide ambities botsen met internationale technische en economische realiteit.

Wat wél kan: kleine stappen, geen grote sprongen

In plaats van grootse digitale revoluties zijn er wél realistische opties, die reeds succesvol in praktijk zijn gebracht:

  • Verbeter de digitale vaardigheden van burgers via bibliotheken
  • Moderniseer bestaande systemen stap voor stap in plaats van alles tegelijk te vervangen
  • Zoek de oplossing in Europese samenwerking bij AI en cybersecurity in plaats van nationale soloprojecten
  • Leer van Denemarken en Estland, maar besef dat hun successen voortkomen uit jarenlange incrementele verbeteringen en heel andere uitgangssituaties

Leren zonder blind kopiëren

De grootste illusie van NSC is dat je complexe digitale uitdagingen oplost door simpelweg te verwijzen naar successen elders, zonder te begrijpen waarom die daar wél werkten. Net als bij VVD en SP dreigt ook hier het gevaar van kostbare, jaren durende ICT-projecten die veel beloven maar weinig opleveren.

Echte vooruitgang komt niet van droombeelden, maar van kleine, haalbare stappen die passen bij de Nederlandse realiteit.

Groot Denken, Slim Doen

Groot Denken, Slim Doen

Met de belofte ‘Doe iets nieuws’ presenteert Volt haar verkiezingsprogramma. Het programma valt op door lef en visie: Europese samenwerking en een digitale overheid die burgers centraal stelt. Waar gevestigde partijen vaak kiezen voor kleine stappen, kiest Volt voor radicale vernieuwing. Daarmee schetst de partij een ambitieus vergezicht, maar roept ook de vraag op: hoe vertalen we groot denken naar slim en haalbaar doen?

Europese blik vooruit

Volt onderscheidt zich door consequent in Europees perspectief te denken. Hun voorstel voor een ‘Silicon Europa’ onderstreept het geloof in de kracht van samenwerking waar anderen nationaal blijven redeneren. In een wereld die gedomineerd wordt door China en de VS, is een brede blik op het eerste gezicht logisch. Ook op sociaal terrein zet Volt in op grootschalige vernieuwing, zoals het voorstel voor een basisinkomen dat armoede structureel moet terugdringen.

Op digitaal vlak durft de partij de lat hoog te leggen. Een minister van Digitale Zaken, een overheid naar Estlands model en volledige overstap naar Europese alternatieven voor digitale infrastructuur tegen 2030. Het zijn ideeën die kunnen bijdragen aan het inlopen van de digitale achterstand.

Waar de uitdagingen liggen

Juist in de vertaling van visie naar uitvoering doemen de grootste uitdagingen op. Een basisinkomen vraagt om een fundamentele hervorming van belasting- en uitkeringsstelsel, een proces dat jaren vergt. Ook de droom van een ‘Silicon Europa’vereist meer dan een fonds: langdurige samenwerking tussen universiteiten, bedrijven en overheden is cruciaal.

Hetzelfde geldt voor de energietransitie. Het sluiten van Tata Steel klinkt daadkrachtig, maar heeft ook ingrijpende gevolgen voor werkgelegenheid en regionale economie. De uitdaging is niet alleen CO₂ reduceren, maar ook toekomstperspectief bieden aan werknemers en regio’s.

Daarnaast zijn er bij de Europese koers kanttekeningen te maken. Door sterk te focussen op ethiek, mensenrechten en uitgebreide regulering, bestaat het risico dat de uitvoering vertraagt en Europa achteropraakt ten opzichte van snellere innovatielanden.

De waardevolle kern

De waarde van Volt’s programma zit in het combineren van ambitie met tastbare verbeteringen. Zo zijn stapsgewijze digitalisering naar Estlands voorbeeld, sterkere waarborgen rond algoritmes en meer transparantie in AI-gebruik door de overheid maatregelen die relatief snel uitvoerbaar zijn en direct voordelen opleveren voor burgers.

Ook hun Europese focus kan meerwaarde bieden, mits deze wordt ingevuld via bestaande structuren zoals de Europese digitale markt en gezamenlijke AI-initiatieven. Europese samenwerking is dan niet alleen een ideaal, maar ook een praktische route naar economische groei en bescherming van burgerrechten.

Groot denken verbinden aan slim doen

Volt brengt een digitale droom die inspireert: een Europa dat technologisch meedoet op wereldniveau, een Nederland dat rechtvaardiger en groener wordt, en een overheid die vertrouwen herstelt. Maar de urgentie van de uitdagingen vraagt om meer dan dromen.

De kunst is om groot denken te verbinden aan slim doen: met realistische tijdlijnen, haalbare stappen en oog voor de uitvoeringspraktijk. Alleen dan kan een idealistisch vergezicht uitgroeien tot een routekaart voor een volwassen digitale samenleving waarin burgers daadwerkelijk centraal staan.

Kunstmatige intelligentie als politiek wondermiddel?

Kunstmatige intelligentie als politiek wondermiddel?

Kunstmatige intelligentie (AI) is hét modewoord in de verkiezingsprogramma’s van dit jaar. Vrijwel alle partijen presenteren het als de oplossing voor maatschappelijke problemen. De VVD wil AI inzetten om Nederland internationaal concurrerend te maken: met een nationale AI-fabriek in Groningen, een AI-gigafabriek en zelfs een hub naar Frans voorbeeld. Het CDA kijkt dichter bij huis en wil AI gebruiken om de Belastingdienst te ontlasten en vergunningprocedures te versnellen. En nieuw is het idee dat AI zelfs kan helpen om de overheid zelf te verkleinen.

Achter deze beloften schuilen fundamentele vragen: overschatten partijen niet de mogelijkheden van AI en zien ze de echte oorzaken van bestuurlijke problemen wel scherp?

De belofte van een kleinere overheid

Opvallend is vooral de motie van VVD-Kamerlid Buijsse, die bepleit dat AI moet bijdragen aan “een efficiëntere, kleinere overheid met minder ambtenaren.” Het voorstel kreeg steun van vrijwel de hele rechterflank van de Kamer, inclusief CDA en CU. Linkse partijen en NSC stemden tegen. Het idee klinkt aantrekkelijk: slimmer werken met AI, minder bureaucratie en lagere kosten.

Maar recente ervaringen temperen dit optimisme. Een Britse pilotstudie met Microsoft Copilot liet zien dat medewerkers de AI-assistent nuttig vonden, maar dat de organisatie als geheel er niet productiever van werd. AI kan het werk van individuen verlichten, maar dat betekent nog niet dat de overheid als geheel slanker of beter gaat functioneren.

Waarom de overheid écht groeit

De veronderstelling dat AI de oplossing is voor de groei van het aantal ambtenaren gaat voorbij aan de kern van het probleem. De uitbreiding van de rijksdienst sinds 2017 heeft weinig te maken met inefficiëntie, maar alles met de gevolgen van falend beleid:

  • Toeslagenaffaire: het hersteltraject vraagt duizenden extra mensen voor beoordeling en uitbetaling.
  • Aardbevingsschade Groningen: een omvangrijke operatie met veel uitvoeringswerk.
  • Nieuwe beleidsopgaven: stikstof, energietransitie, asiel, klimaat zijn allemaal dossiers die extra capaciteit vergen.
  • Achterstanden in ICT: verouderde systemen bij de Belastingdienst en andere diensten dwingen tot meer inzet van personeel en inhuur.

Kortom: de overheid groeit omdat eerdere keuzes burgers in de problemen hebben gebracht, die nu met veel menskracht moeten worden opgelost. Dat los je niet op met een slimme chatbot of een AI-algoritme.

AI als hulpmiddel, niet als panacee

Dat betekent niet dat AI geen rol kan spelen. Toegepast met verstand kan het bijdragen aan snellere dossiers, betere analyses en efficiëntere processen. Het kan ambtenaren ondersteunen bij repetitieve taken en burgers helpen met begrijpelijkere communicatie.

Maar AI is geen wondermiddel. Het vervangt geen politieke keuzes en kan falend beleid niet repareren. Integendeel: zonder duidelijke waarden, transparantie en toezicht kan AI nieuwe problemen veroorzaken; van discriminatie in algoritmes tot afhankelijkheid van Amerikaanse techbedrijven.

Wat wél realistisch is

In plaats van grootse beloften zouden partijen beter inzetten op drie realistische lijnen:

  1. Slim gebruik: AI inzetten voor ondersteunende taken, met nadruk op transparantie en menselijke controle.
  2. Oorzaak aanpakken: structureel uitvoerbaar beleid maken; dat voorkomt dat hersteloperaties duizenden ambtenaren vergen.
  3. Europese samenwerking: bouwen aan een AI-infrastructuur die minder afhankelijk is van Big Tech.

Kunstmatige intelligentie kan een waardevol hulpmiddel zijn, maar het idee dat het de overheid structureel kleiner en beter maakt, is een illusie. De groei van de overheid is vooral het gevolg van falend beleid dat hersteld moet worden en daar is geen algoritme tegen opgewassen. Politieke partijen zouden er beter aan doen AI te zien als ondersteunend gereedschap en niet als wondermiddel.

CDA en GroenLinks-PvdA als Digitale Bondgenoten

CDA en GroenLinks-PvdA als Digitale Bondgenoten

Digitalisering is geen bijlage meer in het regeerakkoord, maar een kernthema dat de samenleving en economie raakt. Waar GroenLinks-PvdA in hun verkiezingsprogramma een samenhangende en brede digitaliseringsstrategie presenteert, kiest het CDA voor een bescheidener en meer behoedzame benadering. Juist die verschillen bieden kansen. Samen kunnen beide partijen bouwen aan een volwassen digitale agenda die visie en realisme verenigt.

Complementaire krachten

GroenLinks-PvdA laat zien hoe digitalisering kan worden benaderd vanuit een overkoepelende visie, waarin democratie, gelijkheid en innovatie hand in hand gaan. Hun voorstellen voor digitale inclusie, mediawijsheid in het onderwijs, en een minister van Digitale Zaken laten zien dat zij de urgentie voelen om grip te krijgen op een domein dat vaak te versnipperd is georganiseerd.

Het CDA brengt een ander soort waarde in: waakzaamheid tegen overschatting van technologie en een sterk gevoel voor menselijke maat. Waar GroenLinks-PvdA soms ambitieus uitpakt, herinnert het CDA eraan dat beleid niet altijd maakbaar is en dat technische oplossingen nooit het menselijk contact mogen vervangen.

Gedeelde grond

Beide partijen delen meer dan op het eerste gezicht lijkt. Zowel CDA als GroenLinks-PvdA willen digitale autonomie voor Europa, investeren in AI en chips en de overheid moderniseren. Cyberveiligheid staat stevig in beide programma’s. Er is dus een brede gemeenschappelijke basis waarop gebouwd kan worden.

Het verschil zit vooral in toon en benadering. GroenLinks-PvdA kijkt proactief vooruit en bouwt aan structuren die grip moeten geven. Het CDA benadrukt voorzichtigheid en menselijke maat. Maar juist die combinatie maakt een toekomstig middenkabinet sterker: visie én realisme, ambitie én uitvoerbaarheid.

Een gezamenlijke agenda

Een digitale toekomststrategie kan profiteren van GroenLinks-PvdA’s coherente aanpak én het CDA’s realistische toets. Een minister van Digitale Zaken met duidelijke bevoegdheden kan de regie voeren, terwijl de CDA-traditie van solidariteit vertaald kan worden in praktische maatregelen voor digitale inclusie. Denk aan eenvoudig toegankelijke digitale overheidsdiensten, ondersteuning voor ouderen en laaggeletterden, en investeringen in digitale vaardigheden.

Ook in industriepolitiek vullen beide partijen elkaar aan. GroenLinks-PvdA koppelt investeringen in AI en chips aan democratische waarden en duurzaamheid, terwijl het CDA kan bijdragen met aandacht voor lokale uitvoering en draagvlak in de samenleving.

Naar een volwassen digitaliseringsbeleid

De toekomst van digitalisering vraagt om meer dan losse maatregelen of grootse beloften. Het vraagt om een strategie die democratische waarden verbindt met realistische uitvoering. GroenLinks-PvdA en CDA beschikken elk over unieke bouwstenen voor zo’n beleid: de eerste met visie en systematiek, de tweede met nuchterheid en mensgerichtheid.

Door deze kwaliteiten te bundelen, kan Nederland stappen zetten naar een volwassen digitaliseringsstrategie: inclusief, democratisch, realistisch en toekomstgericht.

Naar Structurele Waardering voor Digitale Politiek

Digitalisering is geen niche meer, maar de ruggengraat van onze samenleving. Toch blijven de Kamerleden die zich jarenlang inzetten voor dit thema vaak onderbelicht. Terwijl andere dossiers het politieke toneel domineren, werken juist deze digitale pioniers aan structurele veranderingen die onze democratie toekomstbestendig maken. Het is tijd om hun rol niet alleen te erkennen, maar ook duurzaam te verankeren.

De stille architecten van digitale politiek

De afgelopen twintig jaar zagen we een kleine groep parlementariërs die digitalisering bewust op de agenda heeft gezet. Zij vormen de stille architecten van een digitale parlementaire cultuur. Kathalijne Buitenweg (GroenLinks) leidde met het rapport Update vereist de discussie over meer grip van de Kamer op technologie. Kees Verhoeven (D66) maakte digitalisering zichtbaar als democratisch vraagstuk en waarschuwde in zijn boek De democratie crasht voor de gevaren van ongereguleerde techmacht.

Renske Leijten (SP) bracht de menselijke maat terug in een toeslagenstelsel dat volledig ontspoorde door algoritmes. Lisa van Ginneken (D66) zette zich in voor digitale inclusie en Europese technologiepolitiek en werd daarvoor bekroond als meest digibewuste Kamerlid. Hun werk leverde misschien geen krantenkoppen vol spectaculaire wetsvoorstellen op, maar wel een fundamentele bijdrage: institutionele vernieuwing en bewustzijn.

De paradox van digitalisering

Toch geldt digitalisering in Den Haag vaak als een ‘ondankbaar vak’. Veel IT-woordvoerders verdwijnen na één termijn, waardoor kennis telkens opnieuw moet worden opgebouwd. Het verhaal van Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) illustreert dit pijnlijk: gewaardeerd om haar inzet voor digitale zaken, maar toch laag op de kandidatenlijst. Dit patroon laat zien dat digitale expertise politiek niet altijd wordt beloond, terwijl de inhoudelijke urgentie groeit.

De realiteit van nu

Digitalisering raakt vrijwel elk beleidsdomein. Negentig procent van alle wet- en regelgeving wordt uiteindelijk vertaald in programmacode die wetten en regels automatisch uitvoert of handhaaft. Dat maakt digitalisering niet slechts een technisch vraagstuk, maar een kernonderdeel van de rechtsstaat: wat in Den Haag wordt besloten, krijgt betekenis via ICT-systemen.

Daarbovenop zijn er de belangrijke digitale thema’s die onze samenleving raken: cyberveiligheid, kunstmatige intelligentie, digitale inclusie en de inrichting van datacentra. Deze onderwerpen overstijgen de techniek en vragen om politieke keuzes over waarden, macht en controle.

Van waardering naar continuïteit

De inzet van onze digitale pioniers laat zien dat Nederland wél parlementariërs heeft die de digitale samenleving begrijpen en er politieke grip op proberen te krijgen. De uitdaging is nu om hun werk niet afhankelijk te laten zijn van individuen, maar structureel te verankeren:

  • Meer continuïteit: Digitale dossiers vragen om Kamerleden die meerdere termijnen meegaan en hun kennis verdiepen.
  • Meer zichtbaarheid: Digitale politiek moet niet weggestopt worden als niche, maar erkend als kernvraagstuk van democratische controle.
  • Meer samenwerking: Er is ruimte voor een gezamenlijke digitale visie waarin partijen vanuit hun eigen waarden bijdragen aan een breed gedragen strategie.

Naar een volwassen digitale democratie

Digitalisering is geen randonderwerp, maar een democratische kernopgave. De Kamerleden die zich hiervoor inzetten verdienen meer dan incidentele waardering: zij verdienen structurele erkenning en continuïteit. Want terwijl algoritmen steeds meer ons dagelijks leven vormgeven, hebben we volksvertegenwoordigers nodig die begrijpen hoe macht zich verplaatst naar technologie en hoe de democratie daar grip op houdt. De toekomst van onze digitale samenleving begint bij volwassen digitale politiek. Onzichtbare helden hebben de fundamenten gelegd. Nu is het tijd om hun werk duurzaam te maken, zodat Nederland klaar is voor een digitale democratie die zowel rechtvaardig als weerbaar is.

Tussen Bescheidenheid en Maakbaarheid

Tussen Bescheidenheid en Maakbaarheid

Het CDA kiest in haar verkiezingsprogramma nadrukkelijk voor bescheidenheid. “De overheid kan niet alle problemen oplossen” stelt de partij terecht. Het loslaten van maakbaarheidsdenken is een belangrijk uitgangspunt, zeker na jaren van te veel vertrouwen in systemen die burgers uiteindelijk in de knel brachten. Het is goed dat het CDA de complexiteit erkent en benadrukt dat transformatie tijd kost. De overheid kan immers niet vijf jaar de winkel sluiten vanwege een verbouwing.

Een verdedigende insteek

Het programma legt sterk de nadruk op bescherming: minder afhankelijkheid van Big Tech, meer Europese samenwerking en zelfs een Nederlandse AI-variant (GPT-NL). Dit laat zien dat het CDA technologie serieus neemt en waakzaam is voor machtsconcentraties bij grote bedrijven en autoritaire regimes. In een tijd waarin digitale soevereiniteit steeds belangrijker wordt, is die houding begrijpelijk en relevant.

Toch blijft de agenda vooral defensief. Digitalisering verschijnt vooral als risico dat beheerst moet worden, terwijl het ook een middel kan zijn om maatschappelijke doelen te realiseren, bijvoorbeeld in de zorg, het onderwijs en de strijd tegen eenzaamheid.

Tussen ambitie en realisme

Het CDA zet technologie in als oplossing voor bestuurlijke problemen, zoals automatische toeslagtoekenning en snellere vergunningprocedures met AI. De ambitie om processen eenvoudiger en rechtvaardiger te maken is begrijpelijk, zeker na de toeslagenaffaire. Tegelijkertijd brengt automatische toekenning forse uitdagingen met zich mee. Het vraagt om integraal inzicht in de inkomenspositie van mensen, een voorwaarde die technisch en organisatorisch bijzonder complex en misschien zelfs onhaalbaar is. Het gevaar is dat bestuurlijke dilemma’s opnieuw worden herleid tot technische puzzels. Technologie kan ondersteunen, maar mag nooit de menselijke maat verdringen.

Waar kansen liggen

Wat nog mist in het programma is een integrale visie op digitalisering als maatschappelijke verandering. Kwetsbare burgers, vaak de kern van de CDA-achterban, blijven regelmatig buitenspel in digitale dienstverlening. Ook de vraag hoe Nederland zijn arbeidsmarkt voorbereidt op de AI-revolutie of hoe het MKB sterker kan worden door digitalisering, blijft grotendeels onbeantwoord. De voorgestelde ‘commissaris AI’ zou sterker tot zijn recht komen met heldere bevoegdheden, budget en aansluiting bij bestaande instituties.

Een constructieve weg vooruit

Het CDA kan zijn waarden (zorg voor gemeenschap, solidariteit en menselijke waardigheid) vertalen naar een toekomstgerichte digitale agenda door:

  • Mensgerichte digitalisering: begin bij de behoeften van burgers, niet bij de logica van systemen. Zet in op gebruiksvriendelijke digitale diensten die menselijk contact aanvullen, niet vervangen
  • Digitale gelijkheid: investeer in digitale inclusie, met concrete ondersteuning voor ouderen, lager opgeleiden en mensen met een migratieachtergrond
  • Realistisch bestuur: erken dat techniek niet alle bestuurlijke problemen kan oplossen. Investeer daarom in vakmanschap en goed opgeleid personeel naast slimme technologie
  • Constructieve Europese samenwerking: maak digitale soevereiniteit concreet via gezamenlijke Europese standaarden en platforms, in plaats van enkel nationale alternatieven

Het CDA heeft met zijn oproep tot bescheidenheid een betekenisvol uitgangspunt gekozen. Door diezelfde wijsheid ook toe te passen op de eigen digitaliseringsambities, kan de partij bouwen aan een agenda die niet alleen beschermt tegen risico’s, maar ook actief bijdraagt aan een mensgerichte digitale toekomst.