Nogal Wiebes

belastingdienst

“De staatssecretaris is een deerniswekkende figuur” vond oud-premier Dries van Agt. Zonder blikken of blozen besloot hij zijn staatssecretaris Glastra van Loon te ontslaan. Deerniswekkend was ook het optreden van oud-staatssecretaris Weekers in de Tweede Kamer. Niet geïnformeerd door zijn ambtenaren en ook niet gesteund door zijn minister hakkelde hij zich door het debat over het functioneren van de Belastingdienst. Uiteindelijk hield hij de eer aan zichzelf. Had hij wel een eerlijke kans en wat had hij beter moeten doen?

Werken aan draagvlak
De staatssecretarissen zijn de loopjongens in het kabinet. Zij zitten niet in de ministerraad en beheren toch de lastigste portefeuilles. Vaak worden zij ingezet als politiek wisselgeld in de formatie of om een minister van een andere partij op een ministerie te compenseren. De staatssecretaris erft het beleid van zijn voorganger. Gaat het met de uitvoering van dat beleid mis, dan moet de staatssecretaris het veld ruimen en blijft de minister buiten schot. Het lijkt een ondankbare en kansloze taak. Een staatssecretaris heeft weinig macht en moet dus continu werken aan draagvlak bij zijn ambtenaren, in de politiek en in de samenleving.

Luisteren naar ambtenaren
Een bewindspersoon moet de stemming in zijn ministerie of overheidsdienst goed aanvoelen en daar rekening mee houden. De belastingdienst wordt al lange tijd geplaagd door een grote werkdruk. Er zijn te weinig mensen om aanslagen te controleren, toeslagen uit te keren, fraude aan te pakken en mensen te woord te staan. De dienst krijgt er steeds meer taken bij en moet die dan, door bezuinigingen op het apparaat, met steeds minder mensen uitvoeren. Daarbij komt dat ieder nieuw kabinet de Belastingdienst opzadelt met vrijwel onuitvoerbaar beleid. De staatssecretarissen worden door de ambtenaren altijd tijdig gewaarschuwd voor de problemen die de plannen veroorzaken. Bij de Bos-belasting kon het tij nog worden gekeerd. Bij de Wet Walvis en Toeslagen werden de maatregelen doorgedrukt en kwamen vervolgens alle rampvoorspellingen uit.

Structurele maatregelen voorstellen
Een bewindspersoon die tegen beter weten falende beleidsuitvoering moet verdedigen komt onherroepelijk in de problemen. Excuses en beterschapsbeloften helpen nog na de eerste incidenten. Daarna moeten dan toch echt structurele maatregelen worden voorgesteld. Vereenvoudiging van het belastingstelsel ligt dan voor de hand. Ons stelsel hanteert nu twee instrumenten, uitkeringen en belastingen, waarmee de politiek in principe iedere gewenste macro-economische inkomensverdeling kan afdwingen. Door het rondpompen van ons geld door de overheid verliest elke euro 50 eurocent aan effectiviteit, volgens Bas Jacobs, hoogleraar economie en overheidsfinanciën. Dat is de prijs die wij betalen voor de nagestreefde gelijkheid. Herverdelen van geld is één van de kernprocessen van de overheid. Dat kan veel efficiënter: bijvoorbeeld door de zorgtoeslagen rechtstreeks uit te keren aan de zorgverzekeraar of inkomensafhankelijke toeslagen te vervangen door een belastingverlaging.

Transparant communiceren
Een bewindspersoon moet zich goed kunnen presenteren in de media. Via de traditionele en sociale media worden de publieke optredens onder een vergrootglas gelegd en door jan en alleman van commentaar voorzien. De publieke opinie werkt ook door in de politieke oordeelsvorming. Misstappen in publieke optredens worden hard afgestraft in de politiek. Eenzelfde transparantie zou er ook moeten komen voor de bestedingen van onze belastingen. Ons belastingsysteem is namelijk niet transparant en fraudegevoelig. Door het openbaar maken van de belastingen en bestedingen kunnen we het draagvlak en controle van ons belastingsysteem verbeteren.

Goede staatssecretaris
Het spreekt voor zich dat je de eigen ambtenaren niet publiekelijk afvalt. De Tweede Kamer informeer je altijd goed. Dat doe je niet door het sturen van flutbriefjes. En burgers geef je nooit de schuld voor fouten die zijn gemaakt door de Belastingdienst. Een goede staatssecretaris maakt die fouten niet. Dat is nogal Wiebes.

Sporthelden van weleer

224_roeien 620x380

Waar zijn ze gebleven, die sporthelden van toen? Eens in de vijf jaar ontmoeten zij elkaar tijdens het lustrum van hun roeivereniging: de Olympiërs, Varsity winnaars, WK-gangers, fanatieke roeiers en coaches. Zij delen de herinneringen van hun heroïsche gevechten in een roeiboot op de Amstel, de Bosbaan, in Tokyo, Mexico en elders. De meesten zijn nog steeds actief in de roeisport. Zij coachen roeiploegen of roeien zelf wedstrijden. In hun leeftijdsklassen strijden zij tegen elkaar op lange afstandswedstrijden en op de korte baan.

In mijn studietijd heb ik vijf jaar wedstrijd geroeid. Je start traditioneel in een eerstejaars acht. Pas in het tweede jaar leer je een beetje roeien. Toen kwamen bij ons ook de eerste overwinningen. In het derde jaar braken wij door in de vier zonder en werden uitgezonden naar de studentenkampioenschappen in Milaan. In mijn vierde jaar werd onze trainingsintensiteit opgevoerd naar 9 trainingen per week. We bleven met twee roeiers over en roeiden ons in de nationale selectie.

Na mijn studie werd ik automatisch oud-lid van de studentenroeivereniging. Mijn roeicarrière leek definitief voorbij. Mijn sportverslaving bleef. Die bevredigde ik met hardlopen en wielrennen. Tien jaar lang had ik geen riem aangeraakt, toen ik werd gevraagd voor de bedrijfsacht. En twintig jaar later werd ik weer lid van een roeivereniging. Pas toen werd ik me er van bewust dat er nog een roeileven mogelijk is na de studietijd. Ik roei nu gemiddeld drie keer per week met veel plezier en neem deel aan veteranenwedstrijden.

De roeisport kun je op gevorderde leeftijd nog prima beoefenen. Twee derde van alle actieve roeiers in Nederland is ouder dan 27 jaar. Vanaf het dertigste levensjaar verminderen de prestaties met gemiddeld één procent per jaar. Kracht, herstel en uithoudingsvermogen nemen af. Maar door gerichte training kun je dit proces vertragen. Om de afname van de spierkracht te beperken moet je op hoge snelheid trainen. Naast de gebruikelijke duurtrainingen moet een veteranenroeier ook de fitnessschool bezoeken en regelmatig korte snelle intervallen roeien.

Na de lustrumborrel breng ik één van de oude sporthelden naar huis. Vol trots vertelt hij over zijn deelname aan de Olympische Spelen in Rome. Op 21-jarige leeftijd maakte hij zijn debuut op de Spelen van 1960. In de voorwedstrijd werd hij tweede en ook in de herkansing eindigde hij op de tweede plaats. Hij roeide daarna nog vele jaren in zijn eigen skiff op de Vliet. Maar op 71-jarige leeftijd was het roeien in de eenmansboot niet langer verantwoord. In Rome haalde hij geen medaille, maar hij hield er wel een onvergetelijke herinnering aan over.

Sociale media versterken sportbeleving

slide4

Sociale media kenmerken zich door een hoge mate van interactie. Zij stellen ons in staat op ieder moment te communiceren met gelijkgestemden. Door het gebruik van de smartphone kunnen wij makkelijk actuele informatie, locatiegegevens, foto’s en filmpjes uitwisselen. Voor sporters biedt dit veel gemak. Zij kunnen eenvoudig met elkaar afspreken en trainingsresultaten uitwisselen. Maar ook de sportverenigingen kunnen de kracht van sociale media benutten voor het versterken van de clubbinding, vergroten van hun bereik en het promoten van de sport. Deze kansen laten de verenigingen nu nog veelal onbenut.

Het Mulier Instituut publiceerde dit jaar een onderzoeksrapport over het gebruik van sociale media door sporters. De conclusies van het rapport zijn onder meer dat sporters bovengemiddeld sociale mediagebruikers zijn en dat sociale media stimulerend werken om te gaan sporten. Meer dan de helft van alle jongeren gebruikt Facebook mede in relatie tot sport. Zij gebruiken sociale media onder andere om af te spreken om te gaan sporten. Een kwart van alle jongeren zegt door berichten op sociale media meer te zijn gaan sporten. Veertig procent gebruikt sociale media om met de sportclub te communiceren. Jongeren vinden wel dat de sportclub meer gebruik zou kunnen maken van sociale media.

De meeste sporters zijn permanent online. Zij communiceren interactief over actuele sportprestaties. Sportbonden en -clubs blijven daar ver bij achter. Veel sportclubs communiceren nog steeds via clubblaadjes die per post worden verstuurd. Zo viel vijfendertig jaar lang elke maand het blad Roeien in mijn brievenbus. Het blad is populair onder oudere wedstrijdroeiers. De doelgroep van maandblad Roeien is te beperkt om te kunnen overleven. Na 74 jaar valt het doek voor het fraaie bondsblad. De Roeibond zet nu in op sociale media om nieuwe doelgroepen aan te spreken. Dat is noodzakelijk om jongeren te bereiken en het roeien als breedtesport te promoten.

De Roeibond en hoofdsponsor Aegon hebben het initiatief genomen om mensen via een Roeigame en een App enthousiast te maken voor de roeisport. Sportschoolbezoekers krijgen daardoor aanvullend een nagebootste wedstrijdbeleving bij het roeien op de roeiapparaten. Via een groot scherm krijgen zij real time virtuele beelden van zichzelf te zien op de Theems, de Bosbaan of de Keizersgracht. Het is mogelijk om in de sportschool wedstrijden tegen elkaar te roeien en vervolgens tijden via de App te vergelijken met indoor-roeiers in andere sportscholen. Ook bezitters van een roeiapparaat thuis kunnen ook meedoen met deze ‘Aegon Rowing Challenge’. Via het indoor-roeien in een sportschool kan daarna de overstap worden gemaakt naar het roeien bij een roeivereniging. Zo komt Roel Braas, de beste Nederlandse roeier in de eenmansboot, uit het indoor-roeien.

Sociale media zijn inmiddels volledig doorgedrongen in de samenleving. Voor sportverenigingen biedt dit kansen de sport te promoten en leden te werven. Vrijwel alle jongeren zijn actief op sociale media. Door de cultuur van het ‘liken’ en het delen wordt een oproep voor een gezonde leefstijl door te gaan sporten snel verspreid. De Roeibond heeft daarvoor een eerste stap in de goede richting gezet.

De vos zorgt voor de kippen

vos-kip-blog

De hoorzittingen van de tijdelijke commissie ICT zitten er op. Veel nieuwe inzichten hebben de verhoren niet opgeleverd. Of het moeten de gepeperde uitspraken zijn dat ‘de overheid jaarlijks 5 miljard kwijtraakt door het mislukken van ict-projecten’ of dat ‘ambtenaren gebaat zijn bij het mislukken van ict-projecten’. Als we de verhoren ontdoen van de flauwekul uitspraken, dan blijft er weinig nieuwswaarde over. Het blijft bij opinies en verdachtmakingen waaruit je makkelijk de conclusie zou kunnen trekken dat de overheid incompetent is en ict-bedrijven zakkenvullers zijn.

Informatiseringstrategie van het Rijk
Ten opzichte van 2007 zijn we dan weer terug bij af. Toen reageerde de Tweede Kamer geschrokken door berichten in Trouw dat de overheid miljarden zou verspillen aan slecht uitgevoerde automatiseringsprojecten. Uiteindelijke legde de Kamer zich neer bij de aanbevelingen in het rapport ‘Lessen uit ict-projecten’ van de Algemene Rekenkamer. Daarna kwam er een rijksbreed CIO-stelsel, strakkere sturing op ict-projecten, rijksbrede ict-voorzieningen en consolidatie van infrastructuur en een samenwerkingsprogramma tussen overheid en markt. Er kwam precompetetief overleg met de markt om de haalbaarheid van projecten te toetsen, gateway reviews om de projecten te bewaken, een pool met projectleiders om het opdrachtgeverschap te versterken en een ict-dashboard om meer inzicht te bieden in ict-projecten.

Samenwerking tussen overheid en bedrijven
Het kameronderzoek moet daarom vooral als een aanmoediging worden gezien voor een overheid die de juiste weg heeft ingeslagen, zij het dat wellicht meer voortvarendheid is geboden. Dat geldt voor de overheid zelf, maar in het bijzonder ook voor de samenwerking tussen de overheid en de ict-markt. Het blijken nu nog voornamelijk twee verschillende werelden, die zich maar moeilijk in de ander kunnen verplaatsen. Dat werd in ieder geval pijnlijk duidelijk tijdens de verhoren, waarin voor het eerst ook vertegenwoordigers van ict-bedrijven werden gehoord. Het bedrijfsleven begrijpt vaak niet dat de overheid altijd een balans moet vinden tussen regelgeving, ict en uitvoering en hiërarchisch geen besluiten kan afdwingen. Daar tegenover staan ambtenaren die denken dat bedrijven profiteren van slechtlopende ict-projecten. Het onderlinge wantrouwen is niet bevorderlijk voor een goede samenwerking.

Openheid en transparantie
Tijdens trainingen van de Rijksacademie leg ik uit hoe ict-bedrijven werken. Waar worden zij op afgerekend en wat zijn de persoonlijke drijfveren? Die elementen zijn bepalend voor het gedrag van ict-bedrijven. Ik laat het dashboard van ict-projecten van de Rijksoverheid zien: alle projecten staan op groen. Daarna toon ik het dashboard van dezelfde projecten van een ict-bedrijf … en bijna alle projecten staan op rood. Waar sturen ict-bedrijven op, welke onderdelen staan op rood en waarom? De cursisten zijn ambtenaren die al jaren opdrachten geven aan ict-bedrijven, maar zij hebben geen idee. Ik pleit daarom voor meer openheid en transparantie tussen overheid en ict-bedrijven. Door een beter wederzijds begrip kunnen cultuurverschillen makkelijker worden overbrugd. Tijdens één van de hoorzittingen werd opgemerkt dat je de vos niet op de kippen moet laten passen. Waarom niet een zorgplicht verlangen van de vos?

Verveling op het werk verdwijnt

Geef-verveling-geen-kans_0004055312

Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft 10% van de Nederlandse beroepsbevolking last van burn-out-verschijnselen. Deze mensen raken overwerkt, kunnen niet meer ontspannen en raken geestelijk en lichamelijk overbelast. Meer dan 15% van de beroepsbevolking kampt echter met het tegenovergestelde verschijnsel: een bore-out ofwel onderbelasting. Het gevolg daarvan is gebrek aan zelfvertrouwen en angst de baan te verliezen.

Bezetting op peil houden
Mijn vakantiewerk in de Rotterdamse haven was een mooi voorbeeld van onderbelasting op het werk. Met een busje werden wij, Delftse studenten, opgehaald en naar de Leuvenhaven gereden. Daar kregen wij veiligheidschoenen, helm, handschoenen en overall. Gestoken in werkmanskostuum werd ieder van ons een plaats aangewezen. Ik werd zonder nadere instructie naar een lege kade gestuurd. Gelukkig kwam daar een tijdje later iemand langs om een praatje te maken. Het was een ervaren havenarbeider en hij wist mij het nodige te vertellen over het werk in de haven. Ik had volgens hem veel geluk met de mij toebedeelde taak. Vandaag kwam er geen schip in de haven en er hoefde dus geen schip gelost te worden. Ik was als uitzendkracht opgeroepen om de bezetting op peil te houden. Dat was namelijk afgesproken tussen de bonden en de werkgevers van de haven.

Zinloos werk in bureaucratie
Na mijn studie had ik voorgenomen mij niet meer met zinloos werk in te laten. Als management consultant zou ik veel uitdagende opdrachten oppakken. De opdrachten begonnen steevast met het doorlichten van de organisatie. Door middel van interviews moest ik er achter komen hoe de processen liepen en wie daarbij betrokken was. Ik viel van de ene verbazing in de ander. Iemand vertelde mij dat zijn werkzaamheden bestonden uit het maken van een kopie van binnengekomen faxen. De kopieën werden opgeborgen in een map, maar die map werd door niemand geraadpleegd. Een hele afdeling was druk met het maken van rapportages. Die kwamen niet uit het financiële systeem, maar werden handmatig uitgerekend, uitgetypt en vervolgens naar een bedrijfsbureau gestuurd. Het bedrijfsbureau bleek bij navraag geen behoefte te hebben aan deze rapportages en alleen gebruik te maken van de standaard systeemrapportages. Vrijwel alle geïnterviewde medewerkers waren zich bewust van hun zinloze werk, maar zij hielden de schijn op uit angst om hun baan te verliezen. Iemand vertelde mij spottend over zijn werk: “mijn baas doet niets en ik help hem daarbij”.

Vervelingsziekte in kantoren
In de jaren negentig zijn veel organisaties doorgelicht en gesaneerd. Typekamers en ondersteunende staforganen zijn verdwenen en hebben plaatsgemaakt voor werkplekautomatisering. In kantoren zitten medewerkers van negen tot vijf verborgen achter hun schermen. Niet iedereen heeft het druk, maar zij houden de schijn op druk te zijn. Je kunt makkelijk de hele dag besteden aan het lezen en beantwoorden van e-mail. Medewerkers vervelen zich op de werkvloer. Zij verbergen dit meestal en doen alsof ze het druk hebben. Zij vertonen compensatiegedrag en maken soms lange werkdagen. Organisaties waar veel verveling voorkomt worden gekenmerkt door interne gerichtheid met veel onderling overleg. Gebrek aan prikkels van buitenaf leidt tot stressverschijnselen. Een nieuwe kwaal is geboren: de bore-out.

Van medewerker naar kenniswerker
Psychologen leggen de uitweg bij een bore-out meestal bij de medewerker zelf. Die moet zelf maar nadenken over een veranderingen in zijn leven. Dat gaat dan volledig voorbij aan de oorzaak: namelijk de werkomgeving. Medewerkers werken met moderne ICT middelen, maar worden nog ouderwets in een kantoor met bureaus tussen de plantenbakken opgesloten. Maar daar komt verandering in. De negen tot vijf cultuur verdwijnt en maakt plaats voor tijd- en plaats onafhankelijk werken. De nieuwe generatie kenniswerkers gaat virtueel samenwerken in een grenzeloos netwerk. Het werk wordt modulair belegd bij de beste en voordeligste capaciteit, waar ook ter wereld. Kenniswerkers van de toekomst moeten zich toeleggen op het leveren van toegevoegde waardediensten aan meerdere organisaties. De loyaliteit verschuift van de organisatie naar het resultaat van het werk. Verveling op het werk verdwijnt daarmee vanzelf.

Omzien in wrok of met vertrouwen vooruitkijken

government-ict

Volgens professor Hans Mulder gaat jaarlijks 4 tot 5 miljard euro verloren aan mislukte ict-projecten binnen de overheid. Hij deed deze uitspraak tijdens de openbare hoorzitting van de Tijdelijke Commissie ICT. Mulder baseert zijn bewering op statistieken over de faalfactoren van ict-projecten van Amerikaanse en Europese overheden, aangevuld met literatuuronderzoek. Dan komt hij uit op dezelfde schatting die de Algemene Rekenkamer in haar onderzoek heeft vermeld: 4 tot 5 miljard aan jaarlijkse overheidsverspilling.

Deskundigen praten elkaar na
In 2007 deed de Algemene Rekenkamer gedegen onderzoek naar ict-projecten van de overheid. De Rekenkamer constateert dat ict-projecten bij de overheid veel duurder blijken te worden dan gedacht, meer tijd vragen dan gepland of niet het gewenste resultaat opleveren. De Rekenkamer refereert in haar rapport ‘Lessen uit ICT-projecten bij de overheid’ aan berichten in de pers: ‘Volgens recente berichten in de media (Vincent Dekker in Trouw, 2007a en 2007b) zou de Nederlandse overheid volgens ict-deskundigen jaarlijks € 4 tot € 5 miljard uitgeven aan geheel of gedeeltelijk mislukte ict-projecten.’ In het bewuste Trouw-artikel in juni 2007 worden hoogleraren Jan Friso Groote en Chris Verhoef geciteerd: ‘Een betrouwbare studie naar de verspilling bij overheid en bedrijfsleven is er niet. Uit onderzoek in het buitenland blijkt dat dertig tot vijftig procent van de automatiseringsprojecten mislukt, te laat wordt opgeleverd of niet goed werkt. Als je die getallen naar de Nederlandse situatie vertaalt kom je op vier tot zes miljard euro per jaar.’

Baseren op beeldvorming of op feiten
Het staat wel vast dat de bedragen maar een slag in de lucht zijn. Een echte onderbouwing ontbreekt. De deskundigen praten elkaar na. Zij hebben zich ook onvoldoende verdiept in het werkelijk verloop van de ict-projecten bij de overheid. Zij baseren zich vaak op overdreven berichtgeving in de media. En niemand die verifieert of die berichten ook daadwerkelijk kloppen. Het eerder aangehaalde artikel in Trouw citeert hoogleraar Chris Verhoef: “P-direkt, het personeelsadministratiesysteem voor de hele overheid, het Centraal Informatiesysteem voor de politie, allemaal projecten die honderden miljoenen kostten en nooit hebben gewerkt.” De feiten zijn echter anders. Voor P-direkt had het Rijk indertijd 20,8 miljoen betaald. Daarvoor heeft de rijksoverheid de softwarelicenties ter waarde 14,3 miljoen, het ontwerp en alle opgeleverde tussenproducten verworven. Na de doorstart van het project zijn de licenties volledig ingezet en is het ontwerp hergebruikt. Van verspilling is dus geen sprake.

Faalkosten moeilijk te bepalen
Om de faalkosten van de ict-projecten van de overheid in te schatten moeten we weten wat de overheid besteedt aan ict. Dat inzicht is niet beschikbaar. In de administraties is het niet te achterhalen. Als er al bedragen worden genoemd, dan worden vaak alleen de externe out of pocket uitgaven vermeld. De interne kosten, van eigen ict-personeel, huisvesting etc., worden dan niet meegerekend. Zelf schat ik de jaarlijkse ict-kosten van de overheid in op 10 miljard. 75% daarvan zijn beheerkosten (van infrastructuur, hardware en software) voor instandhouding van de ict. Van nieuwe ontwikkeling bestaat 2/3 uit aanschaf van hardware en software. Hooguit 1 miljard wordt besteed aan nieuwe projecten. Als 30% van de projecten volledig zou falen, dan bedragen de faalkosten 300 miljoen. Afgelopen jaren zijn overigens weinig nieuwe grote projecten gestart. Dit blijkt ook uit het ict-dashboard van het Rijk met een meerjarenraming van 1,2 miljard aan grote ict-projecten. Dan is het nog maar de vraag wat een faalproject is. Een project dat deadline of budget overschrijdt? Projecten binnen de overheid hebben meestal een niet realistische deadline ingegeven door een politieke doelstelling. Ook de budgetten zijn niet onderbouwd op basis van reële schattingen, maar meestal ingegeven door een budgettair kader.

Leren van succesvolle projecten
De beste wijze om het succes van ict-projecten van de overheid te meten is het beoordelen van de toegevoegde (maatschappelijke) waarde. Een ict-project is nog niet geslaagd als de aanbesteding tot gunning heeft geleid (en geen rechtszaken zijn aangespannen). En een ict-project is ook nog niet geslaagd als het systeem is opgeleverd en geaccepteerd. De toegevoegde waarde wordt aangetoond door succesvol gebruik. Als we het succes van ict-projecten van de overheid willen vergroten, laten we ons dan bij voorkeur niet blind staren op mislukte projecten. Beter is het een voorbeeld te nemen aan succesvolle overheidsprojecten, die hun toegevoegde waarde hebben bewezen. Burgernet is daarvan een mooi voorbeeld. Via Burgernet helpen 1,5 miljoen mensen de gemeente en de politie om de veiligheid in hun buurt te verbeteren. Een ander voorbeeld van een succesvol project is de vorming van het eerder genoemde P-Direkt. De kwaliteit van de HR-dienstverlening binnen het Rijk is verhoogd en de investeringen die zijn gedaan bij de totstandkoming van P-Direkt verdienen zichzelf terug. Zo is de doelgroep van HR-functionarissen, door bundeling van HR-taken en zelfbediening, teruggebracht van 1.500 naar 740 fte. Dit betekent een besparing van minstens 40 miljoen op jaarbasis. Diverse Europese overheden hebben belangstelling getoond voor deze ontwikkeling binnen de Nederlandse Rijksoverheid en een referentiebezoek afgelegd. Op de mooie en succesvolle ict-ontwikkelingen binnen de overheid mogen we best wel een beetje trots zijn. Laten we dus vooral niet omzien in wrok, maar met vertrouwen vooruitkijken.

Copernicaanse revolutie

art1163a

Het oudste planetarium van ons land is te bezichtigen in het Leidse museum Boerhaave. De Leidse Sphaera is volledig gerestaureerd. Het model is gebouwd in 1670 en is één van de eerste modellen met de zon als middelpunt van ons zonnestelsel. Copernicus is de grondlegger van de heliocentrische theorie die stelt dat de planeten om de zon draaien. Dit in tegenstelling van de geocentrische theorie van de oude Grieken die uitgingen van onze aarde als centrum van het heelal. Deze theorie hield anderhalf millennium stand. Maar zestig jaar na de dood van Copernicus in 1473 was een omwenteling van ons wereldbeeld definitief geaccepteerd.

Patiënt eigenaar medisch dossier
In onze informatiesamenleving dient zich een vergelijkbare omwenteling aan. Een Nederlander komt in gemiddeld 2.500 databestanden voor. De controle over deze gegevens ligt bij een bedrijf, bank, verzekeraar, werkgever, zorginstelling of overheid. De registraties dienen vooral het belang van deze instanties en niet van de geregistreerde personen. Medische gegevens bijvoorbeeld worden beheerd door zorginstellingen, maar je kunt je afvragen wie de eigenaar is van die gegevens. Zorginstellingen zouden het eigendom van gegevens kunnen teruggeven aan de patiënt. Als je dan in het buitenland iets hebt, kun je de sleutel tot die data afgeven aan de relevante hulpverleners.

Één persoonsdossier voor iedereen
Gegevens over personen zijn vaak op te vragen via portalen. De werkgever heeft een HRM-portaal waarin de werknemer zijn salarisstroken kan inzien. De bank heeft een portaal voor de afschriften. Maar als je van baan of van bank verandert dan kun je niet meer bij je eigen gegevens. Er zou dus één persoonsdossier moeten komen waarin alle instanties de gegevens kunnen plaatsen. Een persoon heeft dan in één omgeving de beschikking over alle gegevens die over en voor hem/haar worden geregistreerd. Door de bundeling in één persoonsdossier kan ook de redundantie van gegevens en datavervuiling worden bewaakt.

Mensen centraal
Op dit moment is de burger of patiënt nog niet de eigenaar van zijn persoonsgegevens. De wetgeving loopt achter bij de technische ontwikkelingen. Dit overstijgt de landsgrenzen en moet op internationaal niveau worden aangepakt. Zowel het eigendomsrecht als de opvraagbaarheid van gegevens zouden in Europees verband geregeld moeten worden. Technisch is al veel mogelijk. Qiy biedt bijvoorbeeld een digitale omgeving voor personen. Het is een onafhankelijke, veilige en intelligent digitaal domein waarin je controle krijgt over je eigen domein. Maar belangrijker dan wetgeving en techniek is de cultuuromslag binnen de samenleving. Niet de verzamelaars van persoonsdata, maar de mensen zelf moeten centraal worden gesteld. En dat vereist een Copernicaanse revolutie van onze informatiesamenleving.

Schone of gezonde sport?

H28_1152

In de sport heb ik nooit gebruikt. Sterker nog: ik vergat vaak te eten en te drinken. Meer dan eens ben ik geveld door een hongerklop. De kracht vloeide dan uit mijn benen en het werd mij zwart voor de ogen.

Zo ook in de zomer van 1991. In de Franse Alpen fiets ik zonder problemen over de col d’Allos en de col des Champs. Maar in de beklimming van de col de la Cayolle val ik uitgeput van mijn fiets. Als ik weer opstap kom nauwelijks meer vooruit. Ik moet uitkijken niet om te vallen, maar probeer de druk op de pedalen te houden. Ik verlang naar taart, marsen en ander zoet voedsel. In de verte zie ik een huis en even later zie ik ook een groep wielrenners op het terras zitten. Ik stap af en bij binnenkomst van het café gaat mijn wens in vervulling: een tafel vol met taarten lacht mij toe. Van alle taarten bestel ik een stuk.

De serveerster kijkt mij verbaasd aan als zij mij een blad vol met stukken taart en een fles water brengt: “Ou sont les autres?” Nu mengen ook de wielrenners zich in het gesprek: Pas om tien uur vanochtend aan de tocht begonnen? Wij zijn vanochtend om zeven uur vetrokken vanuit Barcelonette. Geen krachtvoer meegenomen? Alleen een stokbroodje ham gegeten en maar één bidon meegenomen? Vol verbazing horen zij het verslag van mijn tocht aan en uit medelijden staan zij hun krachtrepen aan mij af. Wat is dat toch met die Nederlanders? Waarom heeft de hele PDM ploeg met Breukink vorige maand eigenlijk de Tour verlaten? Ik denk te hebben gelezen dat de PDM ploeg is geveld door een voedselvergiftiging na het eten van bedorven kip. Daar moeten de mannen hartelijk om lachen. Dat geloof ik toch zelf niet? Hier is doping in het spel!

Het gebruik van doping door topsporters kun je niet los zien van hun sociale context. De omgeving waarin een topsporter zich bevindt en mate waarin die zich daaraan conformeert is bepalend voor dopinggebruik. Wielrenners gebruiken doping omdat zij weten dat collega’s doping gebruiken. Het is bedriegen of bedrogen worden.

De Roeibond verlangt van mij jaarlijks een Schone Sportverklaring. Die verklaring teken ik blind in de overtuiging dat mijn tegenstanders ook niet gedrogeerd de wedstrijden roeien. Wij bekommeren ons niet om doping, maar om de gezondheid van onze collega’s. Van masters A tot en met H willen wij graag tegen elkaar wedstrijden blijven roeien. Veteranen roeien is geen schone maar een gezonde sport.

Red het hardwerkende bijenvolk

imkeren3

Johannes verbaasde en verheugde zich, toen hij leerde en zag, hoe fijn de bloemen waren gebouwd, hoe zij vruchten vormden en hoe de insecten hen onwetend hielpen in die taak. ‘Dat is toch prachtig,’ zei hij, ‘hoe juist is dat alles berekend en hoe fijn en doelmatig gemaakt. Het schijnt toch alles naar een groot plan gemaakt. Zie de bijen zoeken honing voor zich zelven en weten niet dat zij de bloemen helpen, en de bloemen lokken de bijen door hun kleur. Het is een plan, en zij werken beide mede zonder het te weten.’

Bijenvolk in onze tuin
De verwondering van de kleine Johannes maakte zich ook van ons gezin meester. De lucht kleurde in onze straat zwart door een bijenzwerm die onze tuin had opgezocht om zich daar te nestelen. De overbuurman kwam melden dat hij de plaatselijke insectenverdelger had gebeld. Na vele nuttige adviezen via twitter belden wij de plaatselijke imker. Vijf minuten later kwam hij aanfietsen. De bijenkolonie van zo’n 5 duizend bijen, die zich onze tuin had gevestigd, was waarschijnlijk afkomstig uit een van zijn bijenkasten. Wij kregen een college bijenkunde en waren daarna getuige van het scheppen van de bijen. In beschermend pak en met rokende pijp werd de koningin gevonden en naar een kast verplaatst. Daarna volgde het hele bijenvolk vanzelf. Vervolgens werd een nieuwe eigenaar gevonden die het bijenvolk graag wilde overnemen.

Zonder bijen geen tomaten, appels en boontjes 
De bij is heel bijzonder. Het is niet zomaar een insect. Geen enkel dier werkt zo hard voor de natuur en voor ons. Zij maken niet alleen honing. De bij is een onmisbare schakel in onze voedselproductie. Bijen bestuiven meer dan 75% van onze belangrijkste landbouwgewassen zoals groente en fruit. Zonder de bij zijn er geen aardbeien, appels, boontjes, noten, avocado’s, frambozen, mandarijnen, tomaten, bramen of bessen. Zonder de bij dragen de bomen en struiken geen vruchten. Bijen zijn natuurlijke bestuivers en hebben een cruciale rol in ons ecosysteem. 80 procent van alle planten zijn voor de voortplanting of evolutie afhankelijk van de bij. Als er geen bijen meer zouden zijn, dan zou 70 procent van de handel in groenten en fruit verdwijnen. Dat zou een ramp betekenen voor de wereld voedsel voorziening.

Bijensterfte naar recordhoogte
Helaas sterft in Nederland tot wel 50% van de bijenvolken. Ons land kent daarmee de hoogste bijensterfte van Europa. Dat komt door de intensieve landbouw, die is gebaseerd op chemische bestrijdingsmiddelen en insecticiden. Ook bestrijdingsmiddelen die door particulieren in de tuin worden gebruikt bedreigen de bijenpopulatie. De explosie van bijensterfte houdt gelijke tred met de invoering van insecticiden vanaf de jaren 90, die spuiten overbodig maken. Bijen komen met het gif in aanraking via de pollen en het stuifmeel. Uitzendingen van Zembla en Tros Radar laten zien hoe groot het probleem is. Het milieubureau van de Verenigde Naties (UNEP) luidde de noodklok. De bijensterfte bereikte deze winter een hoogtepunt.

Bescherming van ons ecosysteem
De Europese Commissie kondigde een verbod op drie schadelijke gewasbeschermingsmiddelen af. Verschillende tuincentra hebben de middelen inmiddels uit hun schappen gehaald. Dat is en goede eerste stap. In aanvulling daarop moeten bijen voldoende ruimte krijgen in een natuurlijke leefomgeving. Duurzame landbouw, natuurbehoud en biodiversiteit moeten worden bevorderd om ons ecosysteem te beschermen. De bij is in nood en heeft onze hulp nodig. Red het hardwerkende bijenvolk! Zodat ook ons nageslacht zich over de natuur kan blijven verwonderen zoals de kleine Johannes in het negentiende-eeuwse boek van Frederik van Eeden.

Mont Ventoux op eigen risico

Ventoux2010-01

Vakantie is voor mij fietsen in Frankrijk. De secundaire wegen zijn rustig en leiden langs de mooiste plaatsen en vergezichten. Eerst twee weken inrijden in de Gard en dan een week fietsgenot in de Provence. Vanuit ons vakantieverblijf in Malaucène kun je prachtige tochten rijden door de Vaucluse, de Drôme, de Dentelles de Montmirail of langs de Gorges de la Nesque.

Het absolute hoogtepunt is de Mont Ventoux. Deze prachtige kale berg is dominant aanwezig in het Provençaalse landschap. Als de berg in de zon staat te stralen, dan wil je daar als wielrenner overheen. Elk jaar wel een paar keer, het liefst van alle drie de kanten. De klim vanaf Malaucène stijgt gestaag met mooie vergezichten. De klim vanaf Bedoin is een sportieve uitdaging. Deze wordt in de Tour gereden en kent een zwaar stuk door het bos en een slot door het kale maanlandschap. Vanaf Sault is het genieten van het prachtige landschap en lavendelvelden en hetzelfde slot als de klim vanaf Bedoin.

De beklimming en de afdaling zijn niet zonder gevaar. Fietsers, automobilisten en motorrijders zitten elkaar vaak in de weg. Regelmatig gebeuren er daardoor ongelukken. Dat heb ik zelf mogen ervaren. Zo was ik vanaf de Luberon op weg naar Sault om van daaruit de Ventoux te fietsen. Tijdens de beklimming naar deze stad voel ik plotseling een klap op mijn linkerbil. In mijn ooghoek zie ik daarna een motorrijder onderuitgaan. Hij schuift meters door over het asfalt en blijft daarna roerloos liggen op de weg. Ik stap af en zet mijn fiets tegen het muurtje langs de kant van de weg. Daarna houd ik de eerste auto aan een vraag de chauffeur de weg te blokkeren en het alarmnummer te bellen. De motorvrienden van het slachtoffer bedanken mij en vragen hoe het met mij gaat. Ik voel nog geen pijn en vraag hen wat zij hebben gezien. Het ongeluk moest ik mij niet aantrekken, want ik reed keurig rechts van de weg volgens hen. Al snel ontstaat er een grote menigte die zich verzamelt rond het slachtoffer. Het is een zwaar gebouwde man die niet meer kan bewegen, maar wel heel hard schreeuwen. “Putain de cycliste” roept hij herhaaldelijk. De ambulance brengt hem naar het ziekenhuis en de gendarmerie arriveert.

Ik moet blazen en mee naar het politiebureau. Daar word ik uitgebreid in het Frans verhoord. Waarom heeft de motorrijder u aangereden? Ik weet het niet, want ik heb geen ogen in mijn rug. Heeft u getuigen? Nee, want ik was alleen, maar zijn vrienden hebben verklaard dat ik keurig rechts van de weg reed. Die verklaring telt niet voor de Franse rechtbank volgens de agent. Zijn vrienden kunnen niet objectief voor u getuigen. Van dit soort ongevallen met letselschade komen meestal rechtszaken en de agent adviseert mij verzekering en rechtsbijstand in te schakelen. Gedeprimeerd verlaat ik het politiekantoor. Het is te laat voor de Ventoux beklimming en in de verte zie ik onweerswolken samenpakken boven de berg. Mijn bil begint pijn te doen en gedesillusioneerd fiets ik terug naar de Luberon.

Een half jaar later ontvang ik een dagvaarding. Ik word aansprakelijk gesteld voor het veroorzaken van het ongeluk met ernstig letsel. Ik moet verschijnen voor de rechtbank in Carpentras. Ik schakel mijn verzekering en rechtsbijstand in. Zij nemen de zaak helemaal over en schakelen een plaatselijke advocaat in. Volgens mijn verzekeraar is dit een eenvoudige zaak die in eerste instantie ook door de Franse rechter wordt afgewezen. Een paar jaar later ontvang ik opnieuw een dagvaarding en weer neemt de verzekeraar de zaak over. Vier jaar na het ongeluk meldt mijn verzekeraar dat ik de zaak heb verloren en alle schade moet vergoeden. Volgens de rechter zou ik de motorrijder omver hebben geduwd. De rechter heeft zich bij die uitspraak gebaseerd op de verklaring van de vrienden van de motorrijder.