Goed opdrachtgeverschap

Een succesvol ICT-project vergt een goed samenspel tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. De opdrachtgever moet de juiste condities scheppen om de opdrachtnemer optimaal te laten presteren. De opdrachtnemer moet kwaliteit op de eerste plaats zetten. Zowel opdrachtnemer als opdrachtgever moeten bereid zijn zich kwetsbaar op te stellen en streven naar een win-win relatie. Wederzijds vertrouwen is een belangrijke succesfactor.

Twaalf jaar geleden was ik betrokken bij één van de ambitieuze overheidsprojecten: het ontwikkelen van de ICT-infrastructuur voor een shared service van personeelsdiensten voor de rijksoverheid. Wij hadden de opdracht om de personeelsadministraties van alle ministeries op één platform te bundelen en daar zelfbedieningsfuncties aan toe te voegen. Maar het lukte in een jaar tijd niet om alle ministeries op één lijn te krijgen. Door gebrek aan wederzijds vertrouwen werd anderhalf jaar na de projectstart gezamenlijk overeengekomen het contract te ontbinden. Alle partijen zijn tekortgeschoten, maar na de scheiding toont de opdrachtgever nog weinig zelfreflectie. In een interview in Binnenlands Bestuur geeft hij de opdrachtnemer de schuld van de mislukte relatie:

“Helaas, het kunstje was voor hen moeilijker dan gedacht. Wij rekenden op hun massieve bijstand, maar die kwam niet terwijl de ontwikkelingskosten opliepen. We merkten dat wij het werk van die marktpartijen zaten te doen. De opdracht was om eerst de personeelsprocessen te standaardiseren zodat ze geautomatiseerd konden worden. We hadden gehoopt dat de marktpartijen wisten welke standaards gangbaar waren en hoe de organisatie daaraan kon worden aangepast. Maar we kwamen er achter dat we daar zelf meer verstand van hadden.”

De Algemene Rekenkamer constateerde tekortkomingen in het opdrachtgeverschap van de overheid. Die tekortkomingen werden snel gerepareerd. Er kwam een gefaseerde aanpak met een actieve rol van de ministeries en marktpartijen. De overheid maakte werk van de standaardisatie en ICT-bedrijven zorgden aansluitend voor implementatie van de systemen. Na een doorstart werd het project alsnog een succes, dankzij professioneel opdrachtgeverschap en goede samenwerking.

Vorige maand presenteerde de Studiegroep ‘Informatiesamenleving en Overheid’ een advies over het verbeteren van het functioneren van de digitale overheid. De studiegroep laat zich in het rapport kritisch uit over de afhankelijkheid van grote ICT-aanbieders. Die zou een belangrijke belemmering vormen voor verdere digitale transformatie. De voorzitter van de studiegroep hierover in iBestuur: “Dit rapport is geen pleidooi tegen uitbesteden. Maar wij zeggen wel dat we alleen dingen zouden moeten uitbesteden die we in principe ook zelf kunnen doen. Dat impliceert dat onze expertise tenminste gelijkwaardig moet zijn aan die van de markt.” Het is een opmerkelijke uitspraak die veel vragen oproept. Duidelijk is evenwel dat de overheid in deze meer afstand neemt van de markt en meer ontwikkelingen voor een digitale infrastructuur met eigen mensen wil gaan doen.

De voorgenomen wijze van doorontwikkeling van de digitale infrastructuur staat in schril contrast met de benadering die de overheid hanteert voor de inrichting van de fysieke infrastructuur. Daar wordt juist geïnvesteerd in verbetering van de relatie met de markt. Vertegenwoordigers van overheden, brancheorganisaties en bedrijven stelden gezamenlijk een Marktvisie op, gericht op samenwerking en wederzijds vertrouwen. De hiërarchische opdrachtgever-opdrachtnemer verhouding maakt plaats voor samenwerking in de keten op basis van gelijkwaardigheid en complementariteit, met ieder een eigen rol en verantwoordelijkheid. Het initiatief van Rijkswaterstaat getuigt van goed opdrachtgeverschap en verdient navolging in andere sectoren.

Digitale Overheid Waarmaken

De overheid moet een fundamentele andere omgang met digitalisering ontwikkelen. De Digitale Generieke Infrastructuur is een vitale infrastructuur van ons land, waarvan de financiering structureel moet worden geborgd. De aansturing van een doorlopende digitalisering moet op topniveau worden verankerd binnen de (rijks)overheid en politieke aansturing. Overheidsorganisaties moeten zelf de regie voeren bij digitalisering van hun primaire processen en daarvoor gezamenlijk hun kennisniveau verhogen. Dat stellen de topambtenaren van de Studiegroep Informatiesamenleving en Overheid in het rapport ‘Maak Waar!’.

Burgers en bedrijven zijn inmiddels vertrouwd met digitale dienstverlening van de overheid. Meer dan 600 organisaties bieden digitale diensten aan via DigiD. Het inlogmiddel heeft meer dan 13 miljoen gebruikers die, volgens beheerder Logius, in 2016 250 miljoen keer inlogden. Dat bereik is met name hoog door dienstverlening van uitvoeringsorganisaties, zoals de Belastingdienst. De vooringevulde belastingaangifte  verhoogt de kwaliteit van de aangifte en bespaart belastingbetalers veel tijd. De dienst wordt elk jaar beter en completer. Dit jaar kostte het mij amper een kwartier om de aangifte van mijzelf en van mijn vrouw te controleren en op te sturen.

Minder bekend is het digitaal loket van het Centraal Justitieel Incassobureau. Deze organisatie staat bekend vanwege de efficiënte afhandeling van verkeersboetes via acceptgiro’s. Door de overgang naar een Europees betaalsysteem komt de acceptgiro binnenkort te vervallen. De overschakeling naar online incasso via iDeal was de trigger voor de lancering van een digitaal loket voor onze boetes voor de lichte verkeersovertredingen. Het loket geeft een overzicht van onze openstaande en afgehandelde boetes. Je kunt de foto’s opvragen, online betalen en digitaal in beroep gaan. De website is in begrijpelijke taal opgesteld en werkt prima op een tablet of mobiel.

Tot op heden heeft de overheid met name de eigen processen en diensten geautomatiseerd. Een volgende grote stap kan worden gezet door overheidsklanten en beleidsdoelen centraal te stellen bij digitalisering. In de ‘dienstverlening’ van het CJIB zijn de verkeersboetes geen doel op zich, maar bedoeld als sanctie om de overtreder te prikkelen om niet meer in herhaling te vallen. Naleving van toegestane snelheid en verkeersregels draagt bij aan betere veiligheid, milieu en doorstroming. Die doelen kunnen ook worden bereikt door op locatie de maximum toelaatbare snelheid aan de auto door te geven. Automobilisten hoeven dan niet langer te speuren in het analoge oerwoud van bordjes met steeds wisselende snelheden en tijdsaanduidingen langs de snelweg. Als de toegelaten snelheid wordt gekoppeld aan een snelheidsbegrenzer worden boetes, uitvoeringsorganisatie en digitaal loket in één klap overbodig. Het incasseren van geld kunnen we dan voortaan volledig aan de Belastingdienst overlaten.

Door digitalisering en samenwerking tussen overheid, private partijen en mensen in de samenleving kunnen we zaken anders organiseren en nieuwe waardediensten in het leven roepen. Daardoor kan economische groei worden versneld en onze samenleving gezonder, slimmer, socialer, veiliger en duurzamer worden gemaakt. De mogelijkheden zijn legio, bijvoorbeeld voor bevordering van gezondheidszorg, mobiliteit en participatie. De overheid kan het goede voorbeeld geven door te streven naar volledige transparantie, vrijgeven van betrouwbare open data, organiseren van internetconsultaties bij beleidsvorming en stemmen via internet te faciliteren. Een digitale overheid moet ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen. De informatiesamenleving laat zich niet top down aansturen. Nieuwe leiders binnen politiek en overheid moeten een digitale overheid door innovatie en samenwerking waarmaken.

Roeiers worden gezond oud

Roeien is een ware levenskunst. De sport combineert belangrijke eigenschappen die aansluiten bij een ​​modern en gezond leven. Het gaat hierbij om: kracht, ontspanning, balans, coördinatie, uithoudingsvermogen, teamgeest, competitievreugde en concentratie. De combinatie van het sociale aspect van een teamprestatie, hoge eisen aan coördinatie, fysieke inspanning en het materiaal van de boot met riemen maken de roeisport uniek.

Met roeien train je vooral je hart-long-conditie. Daardoor krijg je een groot uithoudingsvermogen. Je traint meerdere spiergroepen: benen, rug en armen. De beenspieren train je het meest. Roeien is een gezonde en intensieve sport die vanaf de jeugd en daarna tijdens de studie kan worden beoefend. Tot op gevorderde leeftijd kun je de roeisport nog prima blijven beoefenen. De gemiddelde leeftijd van alle leden van Roeivereniging Rijnland in Leidschendam bedraagt 59 jaar. De gemiddelde leeftijd waarop mensen lid worden ligt rond de vijftig. Veel nieuwkomers hebben tijdens hun studietijd geroeid en waren daarna druk met hun gezinsleven. Het sociale en gezonde karakter van de roeisport zijn de belangrijkste beweegredenen om op latere leeftijd weer lid te worden van een roeivereniging.

Wie lang gezond en fit wil blijven kan het best een leven lang blijven sporten. Het lichaam ontwikkelt zich naar gelang de bewegingsactiviteit. De natuur stelt zich er op in om energie efficiënt te gebruiken. Ongebruikte spierbundels worden door het lijf opgeruimd. Het is ‘use it or lose it’. Wie weinig beweegt krijgt vanzelf kleinere spieren en slappere botten. Voldoende lichaamstraining is van belang voor een goede energiebalans en om te zorgen dat het lichaam goed blijft functioneren en zichzelf niet gaat opruimen.

In diverse wetenschappelijke studies is het verband tussen gezondheid, voldoende beweging en sportieve activiteit aangetoond. In Engeland werd onderzoek gedaan onder buschauffeurs en conducteurs. Onder de werknemers van het Londense openbaar vervoer werd onderzocht of ze in de twee voorafgaande jaren hart- en vaatproblemen hadden gehad. Het bleek dat de chauffeurs beduidend vaker geconfronteerd werden met hart- en vaatziekten dan de conducteurs. De conducteurs liepen de hele dag door de dubbeldekker, trap op trap af. De chauffeurs zaten hun hele dienst achter het stuur. Een Engels onderzoek onder deelnemers aan de Boat Race, de prestigieuze jaarlijkse roeiwedstrijd tussen de universiteiten van Oxford en Cambridge, liet vergelijkbare effecten zien voor de roeiers ten opzichte van de gemiddelde bevolking.

De roeisport biedt een georganiseerd wedstrijdprogramma voor zowel jeugd als ouderen. Gerichte en blijvende uitoefening van de roeisport kunnen negatieve gevolgen van veroudering afremmen. De roeisport heeft niet alleen fysieke voordelen. Het verbetert ook de kwaliteit van het leven. Roeiers genieten van sociale contacten, fysieke uitdagingen en gezamenlijke teamervaringen in recreatief- of wedstrijdverband. Dit heeft een positieve invloed op zelfvertrouwen en eigenwaarde. Daarnaast biedt de roeisport tal van positieve ervaringen, zoals genot van de natuur, ervaring van de ‘perfecte’ roeihaal, balans van de boot en cadans in de ploeg.

Transparency by Design

Zeven jaar geleden presenteerde president Obama zijn visie voor een open overheid. Met die openheid wordt beoogd het publieke vertrouwen te vergroten en innovatie te stimuleren. Innovatie gedijt het best in een open omgeving waarin gezamenlijk aan de basis wordt gewerkt aan het uitwerken van nieuwe ideeën. Dit wordt in de Verenigde Staten beleidsmatig gestimuleerd op basis van transparantie, participatie en samenwerking:

De overheid moet transparant zijn. Transparantie bevordert de controleerbaarheid en verschaft informatie aan burgers over wat hun regering doet. Het draait hierbij om het vrijgeven en benutten van overheidsdata. De VS maakt informatie snel openbaar in een vorm die publiekelijk gemakkelijk gevonden en gebruikt kan worden. Overheidsinstanties zetten moderne (internet)technologie in om gegevens over hun activiteiten en besluitvorming direct online beschikbaar te stellen.

De overheid moet participatief zijn. Publieke betrokkenheid vergroot de effectiviteit van de overheid en verbetert de kwaliteit van haar beslissingen. Kennis is wijd verspreid in de samenleving. Ambtenaren moeten daarvan kunnen profiteren en toegang krijgen tot deze kennis. Overheidsinstellingen bieden mogelijkheden aan burgers om deel te nemen aan beleidsvorming. De kennis die is vergaard vanuit de samenleving moeten  overheidsinstellingen benutten om de regering te ondersteunen en te versterken.

De overheid moet samenwerkingsgericht zijn. Samenwerking bevordert de betrokkenheid van de burgers bij de overheid. Overheidsinstellingen zetten innovatieve instrumenten, methoden en systemen in om de samenwerking op alle niveaus van de overheid en de regering met de non-profit organisaties, bedrijven en mensen in de particuliere sector te bevorderen.

De Digital Accountability and Transparency Act (DATA) uit 2014 werd met grote meerderheid goedgekeurd in de Senaat. Zowel Republikeinen als Democraten zien grote voordelen in het openbaar bestuur en het bedrijfsleven. Bedrijven worden gestimuleerd nieuwe diensten te ontwikkelen met overheidsdata als grondstof en via een open portaal kan eenieder overheidsbestedingen opvragen en controleren.

Nederland blijft ver achter bij de ontwikkelingen in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk op het gebied van open data en transparantie. Vorig jaar stemde de Tweede Kamer in met een initiatief Wet open overheid (Woo) van de Kamerleden Voortman (GroenLinks) en Van Weyenberg (D66) als de opvolger van de Wet openbaarheid bestuur (Wob). De nieuwe wet moet de overheid dwingen opener te zijn. Openbaarheid van overheidsinformatie moet weer een recht worden. Het moet ook afgelopen zijn met het overmatig zwartlakken van zinnen in documenten. De Wet regelt een nieuw informatieregister met alle documenten die openbaar gemaakt kunnen worden.

Adviseurs van ABDTOPConsult voerden een quick scan uit naar de Woo en constateerden dat het voorliggende wetsvoorstel onuitvoerbaar is en tot hoge kosten leidt. De extra kosten worden geraamd op vele honderden miljoenen (mogelijk meer dan een miljard euro per jaar) als gevolg van duizenden extra ambtenaren die moeten worden ingezet om de wet te kunnen uitvoeren. De adviseurs waarschuwen ook voor de implementatierisico’s. De Woo vereist een ingrijpende cultuurverandering en heeft grote consequenties voor primaire werkprocessen en ICT. ‘Anders gezegd: de risico’s op een mislukking van de Woo zoals die nu voorligt, zijn te groot.’ concluderen de adviseurs.

Transparantie zit niet in de genen van de Nederlandse overheid. Daarbovenop vormen de gebrekkige informatiehuishouding en archivering bij de overheid een belemmering voor volledige openbaarmaking. De weg naar meer transparantie en openheid zal dus stapsgewijs moeten plaatsvinden. Een open overheid vereist een cultuur- en systeemverandering. Dit kan gerealiseerd worden door transparantie tijdens de ontwerpfase van vernieuwde processen en systemen in te bouwen.

De Amsterdamse familie Boissevain

Familiereünie 8 april 2006

Op 2 november 1996 zijn zo’n 100 Boissevains bijeen in het Gemeentearchief voor een ‘familiedag’. Uit de inventaris van het familiearchief, die dan gepresenteerd wordt, blijkt hun veelzijdigheid: reders, bankiers, journalisten, hoogleraren, kunstenaars en gemeentebestuurders. Stamvader Lucas, die in 1687 Frankrijk ontvluchtte, zou ervan hebben opgekeken.

Zo’n 100 jaar geleden behoorden de Boissevains tot de bekendste families van Amsterdam. Het Adresboek van de stad Amsterdam voor de jaren 1896-1897 en het bevolkingsregister bieden een boeiende momentopname. Op Singel 130 woont Willem Boissevain, boven het kantoor van zijn firma Gebr. Boissevain, commissionairs in effecten. Op Keizersgracht 143 vinden we de firma H.J.A. Boissevain & Co., assurantiebezorgers; de weduwe van de naamgever woont erboven, net als de 44-jarige zoon en firmant Louis Daniël Boissevain met zijn gezin. Drie Boissevain-huishoudens wonen buiten de Singelgracht, in de nieuwe elitebuurten. Koopman Jacob Pieter Boissevain, die kantoor houdt op Herengracht 158, bewoont Parkweg (nu Willemsparkweg) 71 en op nummer 88 woont Wibbina Cornelia Boissevain, lerares aan de Middelbare School voor Meisjes. Tesselschadestraat 4 is het adres van Gideon Maria Boissevain (59), bankier en econoom, medeoprichter van de Kas-Vereeniging. Het is nog steeds 1896: veel Boissevains wonen en werken op de prestigieuze Herengracht. Ook de beroemdste Boissevains van hun tijd vinden we hier: Charles en Jan. Op nummer 332 woont Charles (54), al elf jaar hoofdredacteur en sinds kort ook directeur van het Algemeen Handelsblad, de invloedrijkste krant van Nederland. Hij geldt dan ook als de paus van de vaderlandse journalistiek, al vindt de liberaal die titel niet prettig. Als jong verslaggever ontmoette hij op een van zijn expedities zijn Ierse vrouw, Emily MacDonnell. Ze hebben elf kinderen en gelukkig ook een (Engels) kindermeisje, Polly Barker.

Herengracht 368

Broer Jan, “Koopm. en Reeder; Direct, der Stoomv. Maats. Nederland”, woont sinds drie jaar op Herengracht 368. Op 12 december 1896 wordt hij 60 jaar. Zijn vrouw Petronella Brugmans bestiert de vele dienstboden (“een zorg die nimmer ophield,” herinnerde zoon Walrave zich) en het kindermeisje, Annie Barker, de zus van Polly. Nella ontvangt bovendien ’s maandagsmorgens in het souterrain hulpbehoevenden: die geeft ze geld, eten, brandstof, bemoedigingen en vermaningen. Op 368 staat ook mr. M.G.J. Boissevain ingeschre­ven. Dat is zoon Thijs (26), in het ouderlijk huis werkzaam als advocaat. Juist in 1896 richt hij Pro Juventute op, een vereniging die jongeren op het rechte pad wil houden.

Bouyssavy werd Boissevain

Die vooraanstaande positie in het Amsterdam van 1896 hadden de Boissevains niet cadeau gekregen. Ze behoorden immers niet tot het ‘regentenpatriciaat’ bestaande uit families als Bicker, Backer, Boreel, Elias, De Graeff, Huydecoper, Van Lennep, Röell, Six en Trip. Tot de Franse bezetting in 1795 waren zij generaties lang lid van de vroedschap (gemeenteraad) en als zodanig in 1815 door de kersverse koning Willem l in de adelstand verhe­ven. Daarvoor moesten die families aan twee eisen voldoen: ‘aanzienlijk’ (lees: rijk) zijn én Nederduits Hervormd. De Boissevains waren hugenoten, de van oor­sprong Franse calvinisten die in de 17de eeuw hun land ontvluchtten toen de katholieke koningen het protestantisme poogden uit te roeien. De familie woonde oorspronkelijk in Zuidwest Frankrijk. De oudst bekende Bouyssavy, zoals de naam toen nog werd gespeld, was anno 1445 notaris in Périgueux. Een nazaat, Lucas Bouyssavy, vluchtte in 1687 naar Nederland – het verhaal wil als verstekeling op een schip en verborgen onder de lading van een hooi­wagen. De voormalige wijnboer uit Bergerac moest in Nederland een beroep doen op de diaconie van de Waalse kerk. Lucas werd een kundig tekenaar en boekhouder en kon daarmee in zijn onderhoud voorzien. Hij noemde zich Boissavin; later werd dit in officiële stukken Boissevain. In 1700 trouwde hij met de Francaise Marthe Roux en ging met haar in de Korte Leidsedwarsstraat wonen. Stapje voor stapje beklommen zoon Jérémie en kleinzoon Gédéon Jérémie de maatschappelijke ladder, maar de echte opgang begon bij achterkleinzoon Daniel. Daniel (1772-1834) vond zijn echtgenote buiten de kring van réfugiés: in 1795 trouwde hij met Johanna Maria Retemeyer, met wie hij dertien kin­deren kreeg. Kort na het huwelijk overleed schoon­vader Retemeyer en met diens broer nam Daniel de leiding op zich van Retemeyers handel in Franse, Duitse en koloniale goederen. In 1812 begon hij voor zichzelf en stichtte de firma Boissevain & Co. Daniel werd rijk en verwierf aanzienlijke functies, zoals het lidmaatschap van de Kamer van Koophandel. Zijn dagboek biedt een prachtig beeld van het leven van een Amsterdamse koopman aan het begin van de 19de eeuw. Het gaat over de handel en het weer, over de politiek en de beursberichten (waarvan hij soms knorrig wordt). Hij vermeldt de kalfskop die hem zo goed smaakte en de oesters op Oudjaar. Hij houdt van stok- en schelvis en drinkt thee van sassefras met hondsdraf. Op zon­dagmorgen gaat hij naar de Waalse Kerk op de Oudezijds Achterburgwal en ’s middags worden visites afgelegd. Ook wandelt hij graag, langs de Buitenkant (Prins Hendrikkade) of over de Kalfjes­laan. Hij speelt kolf en gaat met vrouw en kinderen naar Felix Meritis om Bilderdijk aan te horen. Daniels schrijfstijl is beknopt en ietwat droog, maar door de veelzijdigheid is het een mooie kroniek, die kleur en diepte geeft aan de tijd waarin hij leefde.

Van koopmanschap naar rederij

In 1816 trad Daniels zoon Gideon Jérémie (1796-1875) toe tot het bedrijf. Deze verlegde met succes het accent naar de handelsvaart en de assurantie. Gideons schoeners voor de Levant en barkschepen voor de grote vaart vertrokken vanaf de Amster­damse kaden. In 1830 trouwde Gideon voor de derde keer; de eerdere echtgenotes overleden kort na hun huwelijk. Hij en Maria van Heukelom kregen zeven kinderen, onder wie zoon Charles die later over zijn jeugd rond 1850 schreef: “Mijn vader was reeder. Elken ochtend, als hij bij het ontbijt binnen­kwam, ging hij uit het venster kijken naar het haan­tje van den Westertoren, want hij was afhankelijk van wind. (…) Onze verbeelding werd geadeld door de zee en nog eens door de zee. En we gingen als jongens met vader naar de overzijde van het IJ, en dan zagen wij, door twintig paarden voortgetroken, langzamerhand het hooge schip, dat zoo donker uitstak boven de groene weiden, aankomen en als men van het dek den patroon zag, dan werd de vlag geheschen en klonk een hoerah uit het want.” Door huwelijken raakte de kinderrijke familie Boissevain gelieerd aan families als Van Eeghen, Van Lennep, Van Hall, Den Tex en Bosscha. De inte­gratie ging snel, ook omdat rijkdom inmiddels min­stens zo belangrijk werd gevonden als een patricische afkomst. Gideon woonde op de Herengracht en ’s zomers op het buiten Duinvliet bij Overveen. Net als zijn vader hield hij een dagboek bij en ook schreef hij reisverhalen, memoires en brieven. Hoe de gegoede burgerij destijds het joodse proletariaat bezag, lezen we in de brief van 9 september 1839, waarin Gideon het bezoek van Willem III aan Amsterdam beschrijft: “Maandag hebben wij den plegtigen intogt gehad van den Erfprins en Erfprinses, alle huizen fraai vercierd, de straten krielende van menschen en ik vrees maar al tezeer het vor­stelijk rijtuig krioelende van vlooijen, want verbeeld u dat het gemeen (wel van ’t minste soort augurke-moussies en zoo al wat) de caliche zoo zeer omringd had dat zij aan de lantaarns hingen, en er een zelf tot vlak over de princes zat, doch gelukkig is alles wel afgeloopen.” Gideons zoon Jan (1836-1904), al genoemd als Herengracht-bewoner, was een innoverend onder­nemer en verlegde zijn activiteiten van de zeil- naar de stoomvaart. In 1870 richtte hij met anderen de Stoomvaart Maatschappij Nederland (SMN) op, voor een snellere verbinding met Nederlandsch-Indië. En in 1888 stond hij aan de wieg van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij, die later met de SMN opging in Nedlloyd. Jan was enkele jaren lid van de Amsterdamse gemeenteraad en Provin­ciale Staten. Hij verhoogde zijn status door te trou­wen met een dochter van stadsadvocaat Brug­mans; alleen keek zijn schoonmoeder aanvankelijk neer op “die koopman”.

Liberale dagbladmakers

Jans avontuurlijke broer Charles (1842-1927) was buitenlands correspondent van het Algemeen Han­delsblad en werd in 1881 hoofdredacteur. Hij begon in november 1887 de rubriek ‘Van dag tot dag’ en wist die ruim 30 jaar vol te houden. Volgens pershistorici introduceerde Charles hiermee het hoofd­redactionele commentaar in de Nederlandse jour­nalistiek, al is die rubriek ook als column te typeren. Charles polemiseerde met de gereformeerde politi­cus Abraham Kuyper (tevens hoofdredacteur van De Standaard) en steunde door dik en dun de Zuid-Afrikaanse Boeren tegen de Engelse kolonisatoren. Ook schreef hij over ‘Het Hollandsche strand’ en ‘Het roekeloos rijden der wielrijders’ – met veel begrip voor die waaghalzen, want zelf schafte hij al rond 1870 een vélocipède aan!

Charles Boissevain (1842-1927)

Charles was op en top een liberaal. Het vrije ondernemerschap ging boven alles, maar de ‘Oranjefurie’ tegen de socialisten in 1887 keurde hij scherp af. Anders dan zijn vader moest hij niets hebben van antisemitisme. Het ontslag van de joodse officier Alfred Dreyfus in Frankrijk vond hij een schande en in 1898 interviewde hij als eerste Nederlander Émile Zola, romancier en Dreyfus’ wel­sprekende verdediger. Daarentegen veroordeelde hij het opkomend socialisme. De linkse journalist Henri Wiessing, van 1907 tot 1915 hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, kenschetste Char­les als “de zelfvoldane opperliberaal van die dagen” die “op basis van een wel zorgvuldig maar tweede­rangs schrijftalent en een inhalige geest, zonder schroom zichzelf en zijn hele familie naar de voor­grond drong”. De krant zetelde in twee oude herenhuizen op de Nieuwezijds Voorburgwal bij de Paleisstraat. Jour­nalist David Kouwenaar schreef: “De benedengang van het Handelsblad was zo smal, dat twee personen elkaar nauwelijks konden passeren. De volle, iet­wat schommelende gestalte van Charles vulde de gang vrijwel geheel.” Begrijpelijk dat Boissevain door architect Eduard Cuypers hier een groot, modern pand liet bouwen, dat in 1903 gereed was. Vijf jaar later gaf Charles het hoofdredacteurschap door aan zoon Alfred Gideon (1870-1922), die in 1916 ook het directeurschap overnam. Wiessing beschreef hem boosaardig als “een zeker niet onaardig marineofficier, die echter op journalistiek en met name politiek gebied van toeten noch bla­zen wist, zelfs geen behoorlijke brief kon schrijven, en desondanks nu en dan in eigen persoon een hoofdartikel ging brouwen, wat de hele redactiestaf de schrik op het lijf joeg!”

De feministische traditie

Het is ondoenlijk alle verdienstelijke Boissevains hier aan bod te laten komen. Wel valt er een ‘sorte­ring’ te maken naar werkterrein en belangstellings­sfeer. Begin deze eeuw raakten enkele Boissevains in de ban van de theosofie, toen min of meer een religieuze rage. Een dochter van Charles, Maria van Eeghen-Boissevain (1869-1959) stelde de bewe­ging in 1924 zelfs haar landgoed bij Valkeveen ter beschikking. Belangrijker is de feministische traditie, ingezet door Maria (1878-1959), de jongste dochter van Jan en Nella. Mia zoals ze genoemd werd, kwam met de vrouwenbeweging in aanraking tijdens haar studie biologie in Zürich, waar ze de doctorsgraad behaalde. Terug in Nederland besloot ze kennis te gaan maken met de roemruchte Aletta Jacobs. “Toen ik daar op de stoep stond en de bel luid klin­gelde, keek ik verschrikt naar rechts en naar links of iemand mij ook gezien had. Ik was bang dat men mij zou verdenken voor een illegale operatie daar op bezoek te gaan. Het was nl. ongelofelijk zoals er gelasterd werd in alle mogelijke kringen, de pro­fessorale vooral niet uitgezonderd, over deze eerste Nederlandsche doctores, ’t Is waar, ze was een groot voorstandster van kinderbeperking; een tijd lang had de z.g. vrije liefde ook haar sympathie gehad en dit was genoeg om haar bij de conventioneele menschen onmogelijk te maken.” Jacobs betrok Mia Boissevain bij de geruchtmakende ten­toonstelling ‘De vrouw 1813-1913’, op het land­goed Meerhuizen aan de Amsteldijk. Daarbij werkte ze samen met feministische kopstukken als Wilhelmina Drucker, Rosa Manus en Johanna Naber, die lang niet zo eng waren als gedacht.

Maria (Mia) Boissevain (1878-1959)

Charles’ zoon Charles Ernest Henri (1868-1940) was getrouwd met Maria Pijnappel (1870-1950) en zij bracht het tot voorzitster van de Bond voor Vrouwenkiesrecht. Ook Mies Boissevain-van Len­nep werd een vurig feministe. Zij was getrouwd met Jan (1895-1945), een zoon van Charles Daniël Walrave. In de jaren dertig voerde ze actie tegen het arbeidsverbod voor gehuwde vrouwen. Na de oorlog richt­te ze de vrouwenpartij Practisch Beleid op, die ech­ter de kiesdrempel niet haalde. Een andere idealistische stroming die weerklank vond bij de familie Boissevain was de Montessori-beweging. Romelia Abramina Kalff, de tweede vrouw van Walrave Bois­sevain, de politicus, kende diverse Montessorianen, dus stuurden ze in 1920 hun dochtertje Gon naar de Montessorischool in de Lairessestraat. En omdat hij zo graag praatte, was Walrave al snel voorzitter van het schoolbestuur. Als zodanig had hij nauw contact met zijn nicht Hilda de Booy-Boissevain, afdelingsvoorzitster van de Nederlandsche Montessori-vereeniging.

Wetenschap en politiek

Twee Boissevains werden hoogleraar aan de Uni­versiteit van Amsterdam. Ursul Philip (1855-1930), een neef van Jan en Charles, was van 1917 tot 1926 hoogleraar Oude Geschiedenis. En Jeremy Boissevain (1928), een achterkleinzoon van journa­list Charles, doceerde er tot 1994 Antropologie. Een paar Boissevains kwamen in de politiek terecht. ‘Jonge Charles’, directeur van een ammoniakfabriek en bestuurder van het Concertgebouw, was tussen 1905 en 1919 lid was van gemeente­raad en Provinciale Staten. Zijn eega, de hiervoor genoemde Maria Boissevain-Pijnappel was van 1919 tot 1939 voor de liberale Vrijheidsbond lid van de Provinciale Staten. Maar de bekendste politicus was Walrave (Wally, 1876-1944), zoon van reder Jan. In 1913 kwam hij voor de liberalen in de Tweede Kamer en in 1918 in de gemeenteraad. In 1927 werd hij wethouder. Vol­gens partijgenoot en oude kennis Ernst Heidring, voorzitter van de Kamer van Koophandel, was Wally “geen groot licht, hoewel van het tegendeel overtuigd”. In de Kamer willen ze hem wel kwijt, schreef Heidring in zijn dagboek, “daar hij telkens bij gewichtige stemmingen op het appèl ontbreekt en golf speelt”. Walraves politieke tegenvoeter was S.R. (Monne) de Miranda van de SDAP. Ze wissel­den elkaar af als wethouder Volkshuisvesting en/of Publieke Werken. Boissevain had een heel eigen opvatting van democratie: het college van B&W zonder socialisten waartoe hij in 1933 toetrad, legde elke motie tegen het harde bezuinigingsbeleid naast zich neer. “Wij hadden besloten,” schreef Walrave in zijn memoi­res, “onze taak te volvoeren, als het kon met den Raad, als het moest zonder den Raad”. Maar hij was netjes genoeg om in 1939 als voorzitter van een onderzoekscommissie naar het ‘erfpachtschandaal’ alle beschuldigingen van corruptie tegen De Miranda te ontkrachten. Diens val was echter onvermijdelijk en Boissevain werd weer wethouder, tot de Duitsers hem in 1941 ontsloegen. Heel wat linkser was het gezin van ‘jonge Jan‘ en Mies Boissevain-van Lennep. Naast bankier was Jan commissaris van de avant-garde bioscoop De Uitkijk. Eind jaren dertig ving Mies, die een schoonheidsinstituut had op Keizersgracht 484, al gevluchte joodse kinderen uit Duitsland op. In de eerste bezettingsjaren werd hun huis Corellistraat 6 een centrum van verzet. De zoons Jan Karel en Gideon fabriceerden in het souterrain brandbom­men en wapens. Jan Boissevain werd in 1942 opgepakt wegens handelscontacten met een jood; hij stierf in 1945 in Buchenwald. De verzetsgeest van de familie bleef ongebroken. De groep rond Jan Karel en Gideon kreeg de naam CS6, naar het huisadres. Leo Frijda, Hans Katan en anderen maakten er deel van uit. Bij een overval in 1943 werden Mies Boissevain en haar drie zonen met anderen gearresteerd. Jan Karel, Gideon en hun neef Louis Boissevain en de andere CS6-leden wer­den op 1 oktober 1943 gefusilleerd. Op de muur van hun gevangeniscel werd na de oorlog de wapenspreuk van de Boissevains aangetroffen: Ni regret du passé, ni peur de l’avenir (Geen spijt over het verleden, geen vrees voor de toekomst). Mies en haar zoon Frans overleefden de oorlog, respec­tievelijk in Ravensbrück en in Dachau.

Adrienne Minette (Mies) Boissevain – van Lennep (1896 – 1965)

Jongste generatie in kunstensector

Het geslacht Boissevain is over ons land en de wereld uitgezwermd; er zitten er veel in het Gooi, rond Arnhem en in Amerika. Naoorlogse bekende Amsterdamse Boissevains vind je nog in de kun­stensector. Beeldend kunstenaar Guus (1929) behoorde in de jaren vijftig en zestig tot de bohè­me. Deze zoon van een hoge legerofficier tekende cartoons voor De Telegraaf, maar noemde zich anarchist. Nu woont hij in een commune in Bergen aan Zee, waar hij jut en wilde feesten geeft. Zijn zoon Daniël (1969) rondde de toneelschool af in 1994 en acteert onder meer in de tv-serie ‘Tijd van leven’.

Daniël Boissevain (1969)

Annemie Boissevain (1939), klein­dochter van prof. Ursul Philip, is sinds 1975 gale­riehoudster. De Witte Voet, nu in de Kerkstraat, is gespecialiseerd in keramiek. Het journalistenbloed, ten slotte, zit in Marianne Boissevain (1946), een achterkleindochter van Charles en kleindochter van Alfred Gideon. Zij is al vele jaren buitenlandredacteur, zij het niet van NRC Handelsblad maar van de Volkskrant.

Het Boissevain-archief (1556-1992) is geïnventariseerd door P.J. Hofland en H. Peschar van het Gemeentearchief en daar te raadplegen: archiefnummer 394. Dit artikel is deels gebaseerd op de inleiding van deze inventaris en notities van Hofland.

Uit: Ons Amsterdam

Door: Lydia Hagoort & Peter-Paul de Baar

Prestatie-indicator wordt doel

Jaren geleden vroeg een opdrachtgever mij of de voortgang van een automatiseringsproject geduid kon worden door één enkel rapportcijfer. Ik antwoordde destijds bevestigend, met dien verstande dat het cijfer dan altijd een zeven zou zijn. Het gaat immers nooit écht slecht, maar helaas ook nooit écht goed.

In de vorige eeuw duurden automatiseringsprojecten vaak eindeloos lang. Via de watervalmethode werd eerst een definitiestudie opgesteld, daarna volgden diverse ontwerpen en vervolgens werd de code ontwikkeld. Opdrachtgevers gingen er van uit dat automatiseerders hun werk goed deden en moesten hun vertrouwen ontlenen aan lijvige voortgangsrapportages. Jaren na de projectstart kwamen zij er bij eerste oplevering van de software meestal pas achter dat het systeem niet of onvoldoende voldeed aan de verwachtingen. De roep om een indicator, die je laat zien of de doelen wel of niet worden gehaald, is dus begrijpelijk.

Bedrijven moeten vandaag de dag ook in een oogopslag kunnen zien hoe goed zij het doen. Zij willen daarom altijd een actueel inzicht hebben in de tevredenheid van hun klanten. De Net Promotor Score (NPS) biedt dat inzicht gebaseerd op één enkele vraag over de mate waarin de klant het bedrijf, product of dienst aan anderen zou aanbevelen op een schaal van 0 (zeer onwaarschijnlijk) tot 10 (zeer waarschijnlijk). De NPS wordt berekend als het verschil tussen het percentage respondenten die een score 9 of 10 geven (de promotors) en het percentage respondenten die een score van 0 tot 6 geven (de criticasters). Een positieve NPS (> 0) wordt als goed beschouwd.

In het dagelijkse leven onderwerpen we ons ook aan indicatoren. Gezondheids- en fitnessapps meten continu of wij onze doelen halen. Mijn Garmin Connect app geeft na iedere training op een schaal van 0 (geen vooruitgang) tot 5 (te intensief) aan in welke mate ik het aeroob trainingseffect heb behaald. Aan de hand van de hartslag tijdens de training wordt bepaald of het fitnessniveau wordt behouden of verbeterd. Regelmatige training met gemiddelde inspanning of trainingen met langere intervallen hebben een positieve impact op het aeroob metabolisme en produceren daardoor een aeroob trainingseffect. Mijn score na een roeitraining is meestal 3 of 4 en 5 na een spinningtraining.

Welke waarde moeten wij hechten aan de scores? Als klanten zeggen dat zij een bedrijf of product zullen aanbevelen in hoeverre doen zij dat dan ook daadwerkelijk? De NPS zegt immers niets over het werkelijke gedrag van klanten. Hetzelfde geldt voor onze persoonlijke scores. Hoge trainingseffectiviteit is geen garantie voor toename voor conditie of verbetering van sportprestaties. De scores verengen veelal het zicht op de werkelijkheid. Voor goed inzicht is informatie over de context noodzakelijk. Voor goede besluiten is vertrouwen op intuïtie onontbeerlijk. Als wij ons laten leiden door ‘meten is weten’ zullen wij nooit meer weten dan wij meten.

Organisaties meten veelvuldig prestaties, zoals bijvoorbeeld de output van de medewerkers, tevredenheid van klanten, resultaten van studenten of sterfgevallen in ziekenhuizen. Het gewicht dat aan de metingen wordt toegekend gaat vaak veel verder dan middel tot signalering. Organisaties worden er op afgerekend. Medewerkers zijn ervoor afhankelijk voor toekenning van hun bonus. Dat leidt tot ongewenste effecten, zowel bij meting als gedrag. Bijvoorbeeld: medewerkers concentreren zich op maximalisering van prestatie-indicatoren, klanttevredenheid wordt selectief gemeten, universiteiten verscherpen toelatingseisen en ziekenhuizen sturen patiënten in laatste levensfase naar een hospice. Metingen van sportprestaties – vaak gedeeld via sociale netwerken – worden een obsessie. Prestatie-indicatoren beïnvloeden in toenemende mate het gedrag van mensen en zijn vaak een doel op zich.

Veertien redenen om te geven

Het Rode Kruis en de Verenigde Naties waarschuwen voor een humanitaire ramp in Oost-Afrika. Elf miljoen mensen in Somalië, Ethiopië en Kenia dreigen te overlijden aan honger door extreme droogte. Normaal valt er veel regen tijdens het korte regenseizoen tussen oktober en december, maar afgelopen jaar is er amper iets gevallen. Door de droogte zijn de gewassen dor en is er te weinig drinken en voedsel voor het vee. Zelfs kamelen die gewend zijn aan droogte, hebben het moeilijk, zegt het Rode Kruis. Sinds 2011 is de situatie niet zo slecht geweest: “Alleen al in Somalië overleden toen een kwart miljoen mensen. We kunnen nu wat doen om een ramp zoals toen te voorkomen, maar alleen als we direct actie ondernemen.”

Zes jaar geleden opende NRC Handelsblad met de kop ‘Veertien redenen om niet te geven’ om een discussie te openen over de noodhulp aan de Hoorn van Afrika. Als één van de argumenten om niet de geven werd toen genoemd: “Voedselhulp is net zo verslavend als heroïne.” Meer dan de helft van de Nederlanders zou destijds niet van plan zijn geweest te doneren vanwege twijfels over de besteding van het opgehaalde geld.

Er zijn minstens veertien redenen om wél geld te geven voor de noodhulp aan de Hoorn van Afrika. En één reden om dat niet te doen. Aan jou de keus.

  1. In de Hoorn van Afrika heerst de ergste droogte sinds 60 jaar. Er worden 10 miljoen mensen bedreigd door hongersnood. Velen zijn voor de honger op de vlucht geslagen en volledig afhankelijk van noodhulp. Zonder hulp sterven dagelijks honderden mensen.
  2. Meer dan 2,5 miljoen kinderen zijn ondervoed. Aanvullende hulp voor kinderen is noodzakelijk om permanente schade aan hersenen en lichaam te voorkomen.
  3. Het bieden van noodhulp is een internationale humanitaire plicht. Noodhulp wordt alleen verstrekt in een levensbedreigende situatie. De Wereld Gezondheidsorganisatie spreekt van een noodsituatie als 15% van de bevolking ondervoed is. In Somalië ligt dit percentage veel hoger (20-30%) en in de kampen in Kenia zelfs op 45%.
  4. Ook buiten de kampen worden noodhulpmaatregelen getroffen zoals: met tankwagens water naar dorpen brengen en het verkleinen van de getroffen kuddes door vee op te kopen, te laten slachten en het vlees te verdelen.
  5. De Hulporganisaties werken al geruime tijd in Kenia en Somalië. Zij werken met eigen teams ter plaatse en met een vertrouwde lokale partnerorganisaties.
  6. Hulporganisaties bezitten een kwaliteitskeurmerk voor non-profit hulporganisaties. Het geeft aan dat de Hulporganisatie verantwoording aflegt en de kwaliteit van zijn humanitaire operaties verzekert.
  7. De samenwerkende Hulporganisaties leggen in het openbaar rekenschap af van de besteding van gelden. Zoals bij de hulp aan Haïti kan achteraf worden vastgesteld waar de hulp terecht is gekomen. Op fraude wordt streng toegezien.
  8. De samenwerkende Hulporganisaties hebben controles ingeregeld, zoals veldbezoeken, rapportages en accountantscontroles, om misbruik van hulpgelden en goederen te voorkomen.
  9. De overheadkosten van de Samenwerkende Hulporganisaties mogen niet hoger zijn dan 7%. De giften verdwijnen dus niet in de bureaucratie van de Hulporganisaties.
  10. Humanitaire hulp is slechts een klein onderdeel van de ondersteuning die Hulporganisaties bieden. Noodhulp mag niet worden verward met ontwikkelingssamenwerking die zich richt op een structurele aanpak van de oorzaak van problemen op lange termijn.
  11. Een persoonlijke gift aan een Hulporganisatie voor een schrijnende situatie in de wereld zorgt voor meer persoonlijke betrokkenheid dan hulp vanuit de overheid of de kerk.
  12. Het geld dat overblijft na de noodhulpverlening wordt door de Samenwerkende Hulporganisaties besteed aan een eerstvolgende ramp.
  13. Door ruimhartig te schenken versterkt Nederland haar reputatie van een solidaire humanitaire partner in de wereld.
  14. Het fiscale beleid van de overheid moedigt schenkingen aan goede doelen aan. Met een notariële akte geldt dit voordeel zowel voor de schenker als voor de Hulporganisatie.

Niet geven
Ontwikkelingshulp maakt onderontwikkelde landen afhankelijk en belemmert hen om zélf hun ontwikkeling vorm te geven.

Nieuwe impuls aan e-Overheid

c0selrquaaayg7x

In de tachtiger jaren deed het kwaliteitsdenken haar intrede. Als management consultant draaide ik mee in kwaliteitsprojecten binnen de overheid. Centraal stond de dienst die werd geleverd, de afnemer daarvan en de verwachtingen van de klant. In mijn eerste interview werd ik meteen terecht gewezen: “de overheid heeft geen klanten, de overheid heeft burgers. En die burger heeft rechten en plichten.” De toon was gezet, de overheid had een duidelijk beeld van haar verhouding met de burger.

Hoe anders is dit bij een commercieel bedrijf. Een bedrijf ontleent haar bestaansrecht aan haar omgeving. Deze bestaat uit klanten en uit stakeholders. Die laatste groep ziet toe op een verantwoord gedrag van het bedrijf. Een bedrijf heeft alleen bestaansrecht als het zich bezig houdt met zaken die de omgeving aantoonbaar waardeert. Het bewijs daarvoor is afname van producten en diensten door klanten. Een tevreden klant is belangrijk voor een bedrijf. Het bedrijfsresultaat en de continuïteit zijn afhankelijk van tevreden klanten die ook weer bereid zijn terug te komen. Klanttevredenheid leidt niet alleen tot klantenbinding maar ook tot positieve aanbevelingen en toename van het aantal klanten.

In de jaren negentig zette de overheid dienstverlening aan burgers en bedrijven op de agenda. In 1996 ging het programma Overheidsloket 2000 van start. Dit programma moest voorzien in een landelijk netwerk van loketten waar burgers en bedrijven terecht kunnen voor publieke dienstverlening met maximaal één doorverwijzing. De diensten moesten zonder menselijke tussenkomst 24 uur per dag beschikbaar zijn. In 1998 bracht minister Roger van Boxtel vervolgens het Actieplan Elektronische Overheid uit. Hierin staan voorstellen over goede elektronische toegankelijkheid van de overheid, betere publieke dienstverlening en verbeterde interne bedrijfsvoering bij de overheid. Vanaf die tijd wordt hard gewerkt aan de e-Overheid.

Twintig jaar na de start Overheidsloket 2000 wordt nog steeds gewerkt aan een betere dienstverlenende overheid. De overheid heeft daarbij nu last van remmende voorsprong. De meeste voorzieningen werden gebouwd vanuit het perspectief van de overheidsorganisatie zelf. Daardoor viel de afname van de diensten aanvankelijk tegen. Die afnemers – burgers en bedrijven – worden ook geconfronteerd met een verkokerd aanbod. Iedere overheidsorganisatie  heeft een eigen persoonlijk ‘mijnportaal’. Tenslotte werden veel voorzieningen met behulp van externe inhuur specifiek voor de overheid als maatwerk ontwikkeld. Zo werden bijvoorbeeld een zoekmachine, een berichtenbox, inlogmiddelen en overheidsloketten gebouwd. Deze maatwerkontwikkelingen zijn allang ingehaald door technologische- en marktontwikkelingen. De overheid kampt nu met een versnipperde, verouderde, onveilige en geldverslindende digitale infrastructuur.

Om een nieuwe impuls te geven aan de e-Overheid kunnen overheid en ICT-industrie de handen ineen slaan. De overheid kan zich daarbij primair richten op Open Standaarden en Open en toegankelijke Data. Hierdoor wordt de ICT-industrie gestimuleerd om innovatieve diensten en producten te ontwikkelen en daarvoor gebruikers te verleiden en te binden. Maatschappelijke en technologische ontwikkelingen worden daardoor vraaggericht aan elkaar gekoppeld. ICT-bedrijven zijn inmiddels het stadium van uurtje-factuurtje ontgroeit en kunnen in de huidige netwerksamenleving partner worden van maatschappelijke oplossingen.

Negen miljard besparen door vernieuwing overheid

tweedekamer

Kan de overheid 20% beter presteren tegen 20% lagere kosten? Ja dat kan, constateerde de initiatiefgroep 20×20 met deskundigen uit overheid, wetenschap, bedrijfsleven en verschillende politieke partijen in aanloop van de verkiezingen in 2012. Miljarden liggen voor het oprapen als de overheid oude patronen durft te doorbreken en zichzelf drastisch vernieuwt. Door slimmer te werken en actief gebruik te maken van informatietechnologie kan de overheid inspelen op de ontwikkeling naar een zichzelf organiserende samenleving.

Naar een digitale samenleving
Een moderne overheid is 24 uur per dag online vanuit een integraal burgerperspectief. Dubbele overheidsregistraties, –administraties en -portalen worden uitgebannen. Zoals in Estland heeft iedere burger een ID-kaart met een chip die gekoppeld kan worden aan computer en smartphone. De kaart is naast persoonsbewijs ook een digitale handtekening, een ov-kaart, een verzekeringspas en identificatie voor internetbankieren en internetstemmen. Burgers kunnen via hun ID-kaart via internet inzien welke data over hen wordt opgeslagen, zoals hun elektronisch patiëntendossier, en wie hun gegevens heeft geraadpleegd. Op die manier kan de burger beter worden geholpen, bespaart de overheid aanzienlijk en kan fraude beter worden bestreden. De overheid moet dan wel de keuze maken om volledig digitaal te gaan. De gebruikelijke compromisoplossing waarbij overheidsorganisaties de vrijheid hebben  zich al dan niet aan te sluiten op de digitale infrastructuur zal nooit de gewenste kwaliteitsverbetering en besparing opleveren. Ook de burger zal de elektronische dienstverlening moeten accepteren. Minder digitaal vaardige mensen moeten zich laten bijspijkeren en hulp zoeken in hun sociale omgeving. Zo compromisloos is de overheidsdienstverlening ook in Denemarken geregeld.

Twintig vernieuwingsvoorstellen
Op de vooravond van de verkiezingen presenteerden de initiatiefnemers twintig vernieuwingsvoorstellen die een bijdrage kunnen leveren aan een moderne overheid. Voormalig Tweede Kamerlid en wethouder Rob Oudkerk bepleitte een professionalisering van de facilitaire inkoop in de zorg. Op landelijke schaal zou daardoor 1 miljard kunnen worden bespaard. Peter de Baat, wethouder in Alkmaar, bepleitte de omvorming van gemeenten tot netwerkorganisaties voor gemeentelijke uitvoeringstaken. Maurice de Hond riep op tot een radicale vernieuwing van het onderwijs. Dit zou een besparing kunnen opleveren van 2 miljard en eveneens kunnen bijdragen aan versterking van de Nederlandse concurrentiepositie. Vanuit het bedrijfsleven werden voorstellen gedaan om door inzet van slimme technologie gelijktijdig kosten te besparen en CO2 uitstoot te verminderen.

Negen miljard bezuinigen zonder lastenverzwaring en verschraling
Realisatie van de voorstellen had 9 miljard aan besparingen op kunnen leveren zonder lastenverzwaring en verschraling. Daarvoor was daadkracht en samenwerking op landelijk en lokaal niveau noodzakelijk. Wethouders van Den Haag, Rotterdam en Enschede zegden hun steun toe. Tweede Kamerleden gaven aan de voorstellen te zullen inbrengen in de formatiebesprekingen. Helaas heeft geen van de voorstellen het VVD/PvdA regeerakkoord ‘bruggen slaan’ in 2012 gehaald. Het kabinet Rutte II bezuinigde 16 miljard euro resulterend in lastenverzwaring en verschraling.