Van regeldruk naar menskracht

De verkiezingsstrijd draait vaak om grote thema’s als zorg, klimaat en economie. Maar wie écht wil weten waarom de overheid soms zo moeizaam functioneert, hoeft niet ver te zoeken: het zit in de regels. Volgens recent onderzoek van PwC werken uitvoeringsorganisaties inmiddels met tweeënhalf keer zoveel wetten en regels als twintig jaar geleden en die zijn ook nog eens ingewikkelder geworden.

Rekenkamer-president Pieter Duisenberg zou het kort kunnen samenvatten als: het is onhoudbaar. Veel ambtenaren kúnnen hun werk simpelweg niet meer goed doen. Zijn oproep aan de politiek is duidelijk: vereenvoudig de regels en maak wetgeving uitvoerbaar. Of zoals hij het zelf zegt: “Al jarenlang klinkt vanuit ons de hartenkreet richting de politiek om wetgeving uitvoerbaar te maken.”

Te veel regels, te weinig tijd

De gevolgen zijn overal zichtbaar. Een medische keuring voor de WIA duurt nu ruim tweeënhalf keer zo lang als vijftien jaar geleden. Dossiers bij de IND zijn in tien jaar bijna verdubbeld in omvang. Dit betekent langere wachttijden, meer fouten en groeiende frustratie bij zowel uitvoerders als burgers.

Duisenberg wil dat uitvoeringsorganisaties een ‘rode kaart’ kunnen trekken als nieuwe wetten in de praktijk onuitvoerbaar blijken. Dat idee klinkt logisch: wie dagelijks de uitvoering doet, weet waar het knelt.

Maar hier zit een valkuil. Te vaak redeneert de politiek vanuit het perspectief van de uitvoering, terwijl de échte pijn bij de burger zit en dan vooral bij wie al kwetsbaar is.

Wanneer regels botsen

Neem de statushouder die moet inburgeren. Hij moet voldoen aan eisen van de gemeente, DUO én het UWV. Elk loket heeft zijn eigen regels, systemen en formulieren. De samenhang ontbreekt en soms spreken de regels elkaar zelfs tegen. Maatwerk? Zeldzaam.

Of denk aan iemand met een WIA-uitkering. Die moet voldoen aan talloze controles, terugkoppelingen en uiteenlopende verwachtingen. Eén verkeerd ingevuld formulier kan maanden vertraging opleveren of verlies van inkomen.

Dit is meer dan alleen ´te veel regels’. Het is een overheid die onvoldoende als één geheel werkt, die processen nodeloos ingewikkeld maakt en digitale systemen bouwt vanuit efficiëntie, niet vanuit toegankelijkheid.

Niet minder regels, maar een menselijker systeem

De regeldruk terugdringen is belangrijk, maar niet voldoende. De kern van het probleem zit ook in hoe de regels op elkaar aansluiten en worden toegepast. Minder wetten helpen pas echt als de overheid:

  • Wetgeving ontwerpt vanuit de leefwereld van burgers
  • Regels en processen beter op elkaar afstemt tussen instanties
  • Formulieren en digitale kanalen begrijpelijk maakt
  • Ruimte biedt voor maatwerk bij complexe situaties om mensen écht te helpen

Vereenvoudiging als politieke moed

In verkiezingstijd klinkt ´minder regels’ als simpele logica De echte uitdaging is een overheid te ontwikkelen die als één geheel werkt, helder communiceert en oog heeft voor de mens achter het dossier. Dat vraagt om politieke moed: durven schrappen, durven vereenvoudigen en durven accepteren dat niet iedereen er altijd op vooruitgaat.

Pas dan verandert de overheid van een ondoordringbaar regelsysteem naar een instantie die daadwerkelijk ondersteunt.

Kunstmatige intelligentie als politiek wondermiddel?

Kunstmatige intelligentie als politiek wondermiddel?

Kunstmatige intelligentie (AI) is hét modewoord in de verkiezingsprogramma’s van dit jaar. Vrijwel alle partijen presenteren het als de oplossing voor maatschappelijke problemen. De VVD wil AI inzetten om Nederland internationaal concurrerend te maken: met een nationale AI-fabriek in Groningen, een AI-gigafabriek en zelfs een hub naar Frans voorbeeld. Het CDA kijkt dichter bij huis en wil AI gebruiken om de Belastingdienst te ontlasten en vergunningprocedures te versnellen. En nieuw is het idee dat AI zelfs kan helpen om de overheid zelf te verkleinen.

Achter deze beloften schuilen fundamentele vragen: overschatten partijen niet de mogelijkheden van AI en zien ze de echte oorzaken van bestuurlijke problemen wel scherp?

De belofte van een kleinere overheid

Opvallend is vooral de motie van VVD-Kamerlid Buijsse, die bepleit dat AI moet bijdragen aan “een efficiëntere, kleinere overheid met minder ambtenaren.” Het voorstel kreeg steun van vrijwel de hele rechterflank van de Kamer, inclusief CDA en CU. Linkse partijen en NSC stemden tegen. Het idee klinkt aantrekkelijk: slimmer werken met AI, minder bureaucratie en lagere kosten.

Maar recente ervaringen temperen dit optimisme. Een Britse pilotstudie met Microsoft Copilot liet zien dat medewerkers de AI-assistent nuttig vonden, maar dat de organisatie als geheel er niet productiever van werd. AI kan het werk van individuen verlichten, maar dat betekent nog niet dat de overheid als geheel slanker of beter gaat functioneren.

Waarom de overheid écht groeit

De veronderstelling dat AI de oplossing is voor de groei van het aantal ambtenaren gaat voorbij aan de kern van het probleem. De uitbreiding van de rijksdienst sinds 2017 heeft weinig te maken met inefficiëntie, maar alles met de gevolgen van falend beleid:

  • Toeslagenaffaire: het hersteltraject vraagt duizenden extra mensen voor beoordeling en uitbetaling.
  • Aardbevingsschade Groningen: een omvangrijke operatie met veel uitvoeringswerk.
  • Nieuwe beleidsopgaven: stikstof, energietransitie, asiel, klimaat zijn allemaal dossiers die extra capaciteit vergen.
  • Achterstanden in ICT: verouderde systemen bij de Belastingdienst en andere diensten dwingen tot meer inzet van personeel en inhuur.

Kortom: de overheid groeit omdat eerdere keuzes burgers in de problemen hebben gebracht, die nu met veel menskracht moeten worden opgelost. Dat los je niet op met een slimme chatbot of een AI-algoritme.

AI als hulpmiddel, niet als panacee

Dat betekent niet dat AI geen rol kan spelen. Toegepast met verstand kan het bijdragen aan snellere dossiers, betere analyses en efficiëntere processen. Het kan ambtenaren ondersteunen bij repetitieve taken en burgers helpen met begrijpelijkere communicatie.

Maar AI is geen wondermiddel. Het vervangt geen politieke keuzes en kan falend beleid niet repareren. Integendeel: zonder duidelijke waarden, transparantie en toezicht kan AI nieuwe problemen veroorzaken; van discriminatie in algoritmes tot afhankelijkheid van Amerikaanse techbedrijven.

Wat wél realistisch is

In plaats van grootse beloften zouden partijen beter inzetten op drie realistische lijnen:

  1. Slim gebruik: AI inzetten voor ondersteunende taken, met nadruk op transparantie en menselijke controle.
  2. Oorzaak aanpakken: structureel uitvoerbaar beleid maken; dat voorkomt dat hersteloperaties duizenden ambtenaren vergen.
  3. Europese samenwerking: bouwen aan een AI-infrastructuur die minder afhankelijk is van Big Tech.

Kunstmatige intelligentie kan een waardevol hulpmiddel zijn, maar het idee dat het de overheid structureel kleiner en beter maakt, is een illusie. De groei van de overheid is vooral het gevolg van falend beleid dat hersteld moet worden en daar is geen algoritme tegen opgewassen. Politieke partijen zouden er beter aan doen AI te zien als ondersteunend gereedschap en niet als wondermiddel.

CDA en GroenLinks-PvdA als Digitale Bondgenoten

CDA en GroenLinks-PvdA als Digitale Bondgenoten

Digitalisering is geen bijlage meer in het regeerakkoord, maar een kernthema dat de samenleving en economie raakt. Waar GroenLinks-PvdA in hun verkiezingsprogramma een samenhangende en brede digitaliseringsstrategie presenteert, kiest het CDA voor een bescheidener en meer behoedzame benadering. Juist die verschillen bieden kansen. Samen kunnen beide partijen bouwen aan een volwassen digitale agenda die visie en realisme verenigt.

Complementaire krachten

GroenLinks-PvdA laat zien hoe digitalisering kan worden benaderd vanuit een overkoepelende visie, waarin democratie, gelijkheid en innovatie hand in hand gaan. Hun voorstellen voor digitale inclusie, mediawijsheid in het onderwijs, en een minister van Digitale Zaken laten zien dat zij de urgentie voelen om grip te krijgen op een domein dat vaak te versnipperd is georganiseerd.

Het CDA brengt een ander soort waarde in: waakzaamheid tegen overschatting van technologie en een sterk gevoel voor menselijke maat. Waar GroenLinks-PvdA soms ambitieus uitpakt, herinnert het CDA eraan dat beleid niet altijd maakbaar is en dat technische oplossingen nooit het menselijk contact mogen vervangen.

Gedeelde grond

Beide partijen delen meer dan op het eerste gezicht lijkt. Zowel CDA als GroenLinks-PvdA willen digitale autonomie voor Europa, investeren in AI en chips en de overheid moderniseren. Cyberveiligheid staat stevig in beide programma’s. Er is dus een brede gemeenschappelijke basis waarop gebouwd kan worden.

Het verschil zit vooral in toon en benadering. GroenLinks-PvdA kijkt proactief vooruit en bouwt aan structuren die grip moeten geven. Het CDA benadrukt voorzichtigheid en menselijke maat. Maar juist die combinatie maakt een toekomstig middenkabinet sterker: visie én realisme, ambitie én uitvoerbaarheid.

Een gezamenlijke agenda

Een digitale toekomststrategie kan profiteren van GroenLinks-PvdA’s coherente aanpak én het CDA’s realistische toets. Een minister van Digitale Zaken met duidelijke bevoegdheden kan de regie voeren, terwijl de CDA-traditie van solidariteit vertaald kan worden in praktische maatregelen voor digitale inclusie. Denk aan eenvoudig toegankelijke digitale overheidsdiensten, ondersteuning voor ouderen en laaggeletterden, en investeringen in digitale vaardigheden.

Ook in industriepolitiek vullen beide partijen elkaar aan. GroenLinks-PvdA koppelt investeringen in AI en chips aan democratische waarden en duurzaamheid, terwijl het CDA kan bijdragen met aandacht voor lokale uitvoering en draagvlak in de samenleving.

Naar een volwassen digitaliseringsbeleid

De toekomst van digitalisering vraagt om meer dan losse maatregelen of grootse beloften. Het vraagt om een strategie die democratische waarden verbindt met realistische uitvoering. GroenLinks-PvdA en CDA beschikken elk over unieke bouwstenen voor zo’n beleid: de eerste met visie en systematiek, de tweede met nuchterheid en mensgerichtheid.

Door deze kwaliteiten te bundelen, kan Nederland stappen zetten naar een volwassen digitaliseringsstrategie: inclusief, democratisch, realistisch en toekomstgericht.

Naar Structurele Waardering voor Digitale Politiek

Digitalisering is geen niche meer, maar de ruggengraat van onze samenleving. Toch blijven de Kamerleden die zich jarenlang inzetten voor dit thema vaak onderbelicht. Terwijl andere dossiers het politieke toneel domineren, werken juist deze digitale pioniers aan structurele veranderingen die onze democratie toekomstbestendig maken. Het is tijd om hun rol niet alleen te erkennen, maar ook duurzaam te verankeren.

De stille architecten van digitale politiek

De afgelopen twintig jaar zagen we een kleine groep parlementariërs die digitalisering bewust op de agenda heeft gezet. Zij vormen de stille architecten van een digitale parlementaire cultuur. Kathalijne Buitenweg (GroenLinks) leidde met het rapport Update vereist de discussie over meer grip van de Kamer op technologie. Kees Verhoeven (D66) maakte digitalisering zichtbaar als democratisch vraagstuk en waarschuwde in zijn boek De democratie crasht voor de gevaren van ongereguleerde techmacht.

Renske Leijten (SP) bracht de menselijke maat terug in een toeslagenstelsel dat volledig ontspoorde door algoritmes. Lisa van Ginneken (D66) zette zich in voor digitale inclusie en Europese technologiepolitiek en werd daarvoor bekroond als meest digibewuste Kamerlid. Hun werk leverde misschien geen krantenkoppen vol spectaculaire wetsvoorstellen op, maar wel een fundamentele bijdrage: institutionele vernieuwing en bewustzijn.

De paradox van digitalisering

Toch geldt digitalisering in Den Haag vaak als een ‘ondankbaar vak’. Veel IT-woordvoerders verdwijnen na één termijn, waardoor kennis telkens opnieuw moet worden opgebouwd. Het verhaal van Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) illustreert dit pijnlijk: gewaardeerd om haar inzet voor digitale zaken, maar toch laag op de kandidatenlijst. Dit patroon laat zien dat digitale expertise politiek niet altijd wordt beloond, terwijl de inhoudelijke urgentie groeit.

De realiteit van nu

Digitalisering raakt vrijwel elk beleidsdomein. Negentig procent van alle wet- en regelgeving wordt uiteindelijk vertaald in programmacode die wetten en regels automatisch uitvoert of handhaaft. Dat maakt digitalisering niet slechts een technisch vraagstuk, maar een kernonderdeel van de rechtsstaat: wat in Den Haag wordt besloten, krijgt betekenis via ICT-systemen.

Daarbovenop zijn er de belangrijke digitale thema’s die onze samenleving raken: cyberveiligheid, kunstmatige intelligentie, digitale inclusie en de inrichting van datacentra. Deze onderwerpen overstijgen de techniek en vragen om politieke keuzes over waarden, macht en controle.

Van waardering naar continuïteit

De inzet van onze digitale pioniers laat zien dat Nederland wél parlementariërs heeft die de digitale samenleving begrijpen en er politieke grip op proberen te krijgen. De uitdaging is nu om hun werk niet afhankelijk te laten zijn van individuen, maar structureel te verankeren:

  • Meer continuïteit: Digitale dossiers vragen om Kamerleden die meerdere termijnen meegaan en hun kennis verdiepen.
  • Meer zichtbaarheid: Digitale politiek moet niet weggestopt worden als niche, maar erkend als kernvraagstuk van democratische controle.
  • Meer samenwerking: Er is ruimte voor een gezamenlijke digitale visie waarin partijen vanuit hun eigen waarden bijdragen aan een breed gedragen strategie.

Naar een volwassen digitale democratie

Digitalisering is geen randonderwerp, maar een democratische kernopgave. De Kamerleden die zich hiervoor inzetten verdienen meer dan incidentele waardering: zij verdienen structurele erkenning en continuïteit. Want terwijl algoritmen steeds meer ons dagelijks leven vormgeven, hebben we volksvertegenwoordigers nodig die begrijpen hoe macht zich verplaatst naar technologie en hoe de democratie daar grip op houdt. De toekomst van onze digitale samenleving begint bij volwassen digitale politiek. Onzichtbare helden hebben de fundamenten gelegd. Nu is het tijd om hun werk duurzaam te maken, zodat Nederland klaar is voor een digitale democratie die zowel rechtvaardig als weerbaar is.

Tussen Bescheidenheid en Maakbaarheid

Tussen Bescheidenheid en Maakbaarheid

Het CDA kiest in haar verkiezingsprogramma nadrukkelijk voor bescheidenheid. “De overheid kan niet alle problemen oplossen” stelt de partij terecht. Het loslaten van maakbaarheidsdenken is een belangrijk uitgangspunt, zeker na jaren van te veel vertrouwen in systemen die burgers uiteindelijk in de knel brachten. Het is goed dat het CDA de complexiteit erkent en benadrukt dat transformatie tijd kost. De overheid kan immers niet vijf jaar de winkel sluiten vanwege een verbouwing.

Een verdedigende insteek

Het programma legt sterk de nadruk op bescherming: minder afhankelijkheid van Big Tech, meer Europese samenwerking en zelfs een Nederlandse AI-variant (GPT-NL). Dit laat zien dat het CDA technologie serieus neemt en waakzaam is voor machtsconcentraties bij grote bedrijven en autoritaire regimes. In een tijd waarin digitale soevereiniteit steeds belangrijker wordt, is die houding begrijpelijk en relevant.

Toch blijft de agenda vooral defensief. Digitalisering verschijnt vooral als risico dat beheerst moet worden, terwijl het ook een middel kan zijn om maatschappelijke doelen te realiseren, bijvoorbeeld in de zorg, het onderwijs en de strijd tegen eenzaamheid.

Tussen ambitie en realisme

Het CDA zet technologie in als oplossing voor bestuurlijke problemen, zoals automatische toeslagtoekenning en snellere vergunningprocedures met AI. De ambitie om processen eenvoudiger en rechtvaardiger te maken is begrijpelijk, zeker na de toeslagenaffaire. Tegelijkertijd brengt automatische toekenning forse uitdagingen met zich mee. Het vraagt om integraal inzicht in de inkomenspositie van mensen, een voorwaarde die technisch en organisatorisch bijzonder complex en misschien zelfs onhaalbaar is. Het gevaar is dat bestuurlijke dilemma’s opnieuw worden herleid tot technische puzzels. Technologie kan ondersteunen, maar mag nooit de menselijke maat verdringen.

Waar kansen liggen

Wat nog mist in het programma is een integrale visie op digitalisering als maatschappelijke verandering. Kwetsbare burgers, vaak de kern van de CDA-achterban, blijven regelmatig buitenspel in digitale dienstverlening. Ook de vraag hoe Nederland zijn arbeidsmarkt voorbereidt op de AI-revolutie of hoe het MKB sterker kan worden door digitalisering, blijft grotendeels onbeantwoord. De voorgestelde ‘commissaris AI’ zou sterker tot zijn recht komen met heldere bevoegdheden, budget en aansluiting bij bestaande instituties.

Een constructieve weg vooruit

Het CDA kan zijn waarden (zorg voor gemeenschap, solidariteit en menselijke waardigheid) vertalen naar een toekomstgerichte digitale agenda door:

  • Mensgerichte digitalisering: begin bij de behoeften van burgers, niet bij de logica van systemen. Zet in op gebruiksvriendelijke digitale diensten die menselijk contact aanvullen, niet vervangen
  • Digitale gelijkheid: investeer in digitale inclusie, met concrete ondersteuning voor ouderen, lager opgeleiden en mensen met een migratieachtergrond
  • Realistisch bestuur: erken dat techniek niet alle bestuurlijke problemen kan oplossen. Investeer daarom in vakmanschap en goed opgeleid personeel naast slimme technologie
  • Constructieve Europese samenwerking: maak digitale soevereiniteit concreet via gezamenlijke Europese standaarden en platforms, in plaats van enkel nationale alternatieven

Het CDA heeft met zijn oproep tot bescheidenheid een betekenisvol uitgangspunt gekozen. Door diezelfde wijsheid ook toe te passen op de eigen digitaliseringsambities, kan de partij bouwen aan een agenda die niet alleen beschermt tegen risico’s, maar ook actief bijdraagt aan een mensgerichte digitale toekomst.

De digitale dromen van de SP

De digitale dromen van de SP

Na de VVD heeft ook de SP haar verkiezingsprogramma gepresenteerd. Op digitaal gebied kiest de partij voor een idealistische koers: burgers beschermen tegen Big Tech, privacy versterken en digitale rechten terugveroveren. Mooie doelen, maar zijn ze ook haalbaar?

In dit tweede deel van onze serie kijken we kritisch naar de plannen van de SP. Net als bij veel verkiezingsbeloften geldt: de intentie is goed, maar de uitvoering is lastiger dan gedacht.

De belofte: meer grip op Big Tech en meer privacy

De SP wil grootschalige dataverzameling en gepersonaliseerde advertenties verbieden. Dat klinkt als een krachtige vuist tegen het verdienmodel van Big Tech, waarin onze gegevens de brandstof zijn. Maar er zit een addertje onder het gras: bijna alle gratis online diensten draaien op dit model. Denk aan Google, Facebook, Instagram, YouTube. Zonder dataverzameling werken deze diensten niet.

Een nationaal verbod op gepersonaliseerde advertenties zonder internationale samenwerking is daarom niet alleen technisch lastig, maar ook economisch onhaalbaar. Het internet laat zich niet heruitvinden binnen onze landsgrenzen.

Mooie ideeën, technisch onrealistisch

De SP wil ook leeftijdsverificatie zonder opslag van persoonsgegevens. Dat klinkt privacyvriendelijk, maar is technisch tegenstrijdig: om iemands leeftijd te controleren zonder gegevens op te slaan, heb je geavanceerde cryptosystemen nodig die nog lang niet breed inzetbaar zijn. Ironisch genoeg vereisen dergelijke systemen méér gevoelige infrastructuur dan het probleem dat ze willen oplossen.

Een ander punt is het “recht op gegevensverwijdering, inclusief gedeelde data”. Alsof data zich als een boek laat verwijderen uit alle bibliotheken. In werkelijkheid is data vaak verspreid over meerdere systemen, al verwerkt in algoritmes, of opgeslagen in back-ups. Echt verwijderen is technisch gezien onmogelijk.

En tot slot: het idee dat “altijd een mens betrokken moet zijn bij algoritmische besluiten” klinkt als een garantie op eerlijkheid. De realiteit is dat overheden jaarlijks tientallen miljoenen beslissingen nemen, het merendeel zonder menselijke tussenkomst, bijvoorbeeld over belastingen en verkeersboetes. Alles handmatig controleren is onhaalbaar zonder enorme vertragingen en torenhoge kosten.

Wat wél kan: slimme, haalbare stappen

In plaats van te mikken op een volledig “ander internet” kunnen we in Nederland beginnen met kleinere, realistische maatregelen die wél werken:

  • Strengere handhaving van de bestaande privacywetgeving (zoals de AVG)
  • Transparantie over welke algoritmes de overheid gebruikt en hoe ze werken
  • Investeren in digitale vaardigheden van burgers
  • Publieke alternatieven ontwikkelen voor essentiële digitale diensten, zoals een overheidsmaildienst of veilige sociale media voor communicatie met de overheid

Daarnaast kan Nederland in EU-verband meer impact maken. Denk aan lobbyen voor betere regulering van techbedrijven via Europese wetgeving, zoals de Digital Services Act en de Digital Markets Act. Die regels gelden voor de hele interne markt en hebben al effect op het gedrag van grote platforms.

Het doel is goed, de route moet realistischer

De SP wil de macht van Big Tech inperken en de burger beschermen in een steeds digitaal wordende wereld. Daar valt weinig op af te dingen. Maar de voorgestelde oplossingen gaan voorbij aan de technische en economische realiteit.

Net als bij de VVD zien we hier een bekend patroon: goede bedoelingen die dreigen te stranden in onnodig dure ontwikkelingen zonder resultaat. Juist door kleiner te denken en te bouwen op wat wél werkt, kunnen we de digitale wereld voor iedereen eerlijker en veiliger maken.

Waarom goede bedoelingen soms niet werken

Verkiezingstijd betekent: beloften, beloften, en nog meer beloften. Politieke partijen presenteren plannen die ons leven moeten verbeteren. Maar hoe realistisch zijn die plannen eigenlijk? In deze serie onderzoeken we ideeën uit partijprogramma’s die goed klinken, maar in de praktijk lastig uitvoerbaar zijn. We vervolgen met een voorstel van de VVD.

De belofte: niemand laat zijn recht op ondersteuning liggen

De VVD wil dat sociale diensten actief contact opnemen met mensen die recht hebben op een uitkering, maar daar geen gebruik van maken. Een mooi streven: niemand zou zonder hulp moeten zitten als die hulp beschikbaar is.

Maar er zit een probleem: hoe weet je wie er wél recht op heeft, maar géén aanvraag doet? Om dat te ontdekken, zou de sociale dienst moeten kunnen zien wat de dienst niet weet. En daar zijn geen systemen voor.

Wat wél werkt: leren van andere landen

Gelukkig zijn er landen waar het beter geregeld is. In Estland krijgen ouders automatisch een kindgebonden uitkering zodra hun baby is geboren. Waarom lukt dat daar? Simpel: de overheid weet precies wie er een kind krijgt én wat het inkomen van die ouders is. Alles is al gekoppeld.

Nederland kan dat ook. Denk aan duidelijke momenten waarop iemand zeker recht heeft op ondersteuning: bij pensionering, ontslag of de geboorte van een kind. Daar kunnen we automatische regelingen op inrichten, zonder dat mensen zelf moeten zoeken of ze ergens recht op hebben.

Slimme stappen op logische momenten

In plaats van willekeurig mensen te benaderen, kunnen we mensen juist op logische momenten helpen. Bijvoorbeeld wanneer iemand zich inschrijft als werkzoekende bij het UWV: laat op dat moment meteen zien op welke uitkeringen of regelingen iemand mogelijk recht heeft.

Frankrijk doet dat al: via de dienst “droits en ligne” krijgen burgers jaarlijks een overzicht van al hun rechten. Nederland zou zoiets kunnen bouwen via DigiD, waar mensen in één oogopslag kunnen zien wat er voor hen klaarstaat, met gegevens die al bekend zijn ingevuld.

De conclusie: doe wat kan, niet wat mooi klinkt

Het idee van de VVD komt voort uit een goed gevoel: meer mensen helpen. Maar het voorstel is technisch onmogelijk. Wat wel kan? Bouwen op wat we al weten. Door gegevens slim te gebruiken en mensen op het juiste moment duidelijk overzicht te geven, maken we meer verschil dan met grote beloften die we niet kunnen waarmaken.

Nostalgie zonder Digitale Toekomst

Nostalgie zonder Digitale Toekomst

Het verkiezingsprogramma van de PVV ademt de sfeer van strijd en urgentie. In krachtige oneliners schetst de partijleider Geert Wilders een Nederland dat volgens hem ‘vol, overvol, bomvol’ is en bevrijd moet worden van asielzoekers, Brusselse bemoeienis en ‘klimaatgekte’. Het document leest als een pamflet van verzet en bevestigt het beeld van de PVV als hoeder van een bedreigde nationale identiteit.

Een programma van blokkeren en terugdraaien

Het programma staat bol van radicale ingrepen: een volledige asielstop, sluiting van azc’s, snelle uitzetting van criminele vreemdelingen en afschaffing van klimaatdoelen. ‘Geen boeren, geen eten’ onderstreept de keuze voor de agrarische sector, terwijl ‘de tijd van het uitdelen van ons geld is voorbij’ de anti-EU-houding samenvat. Het document wil vooral terugdraaien en afsluiten: Nederland moet weer Nederland worden.

Nostalgie als politieke drijfveer

De rode draad is nostalgie. De PVV roept op tot herstel van ‘onze cultuur, identiteit, tradities en feesten’ en zet zich af tegen wat het ziet als bedreigingen door migratie, woke-ideologie en Europese samenwerking. Symboolpolitiek speelt hierbij een belangrijke rol: het behoud van Zwarte Piet, het zichtbaar maken van de Nederlandse vlag, en het terugclaimen van een cultuur die volgens de partij steeds verder verdwijnt.

De digitale leegte

Opvallend is een totale afwezigheid van een digitale agenda. Terwijl digitalisering onze samenleving diepgaand verandert, van AI en cybersecurity tot online privacy, digitale infrastructuur en de invloed van Big Tech, blijft de PVV stil. Behalve een afwijzing van de digitale euro en een enkele verwijzing naar AI in de zorg ontbreekt een visie volledig.

Deze digitale blinde vlek is veelzeggend. Waar andere partijen worstelen met de kansen en risico’s van technologie, lijkt de PVV vooral achteruit te kijken. De uitdagingen van morgen (hoe beschermen we burgers tegen manipulatie, hoe benutten we de kracht van AI, hoe versterken we onze digitale weerbaarheid) blijven buiten beeld.

Wat ontbreekt

De PVV plaatst zich hiermee als een partij van verzet en nostalgie, zonder plan voor een digitale toekomst. Onderwerpen als digitale soevereiniteit, cybersecurity, online kinderrechten en de rol van technologie blijven onbenoemd. Daarmee schuift de partij thema’s terzijde die juist de komende jaren bepalend zullen zijn voor de vraag hoe vrij, veilig en verbonden Nederland blijft.

Het verkiezingsprogramma is meer dan een lijst voorstellen: het is cultuurkritiek die een verlangen naar vroeger verwoordt, maar zonder richting te geven aan de samenleving van morgen.

De Digitale Overheid als Wensdenken

“Er ligt een belangrijke opdracht om het vertrouwen van Nederlanders in de politiek te herstellen” stelt de VVD in het definitieve verkiezingsprogramma. Een mooie doelstelling, maar tegelijkertijd stelt diezelfde partij een reeks digitale hervormingen voor die dit vertrouwen juist verder kunnen ondermijnen. Met beloftes die je niet kunt waarmaken herstel je het vertrouwen niet, je beschadigt het verder.

De illusie van de Simpele Oplossing

Neem de belofte dat burgers “snel en eenvoudig” moeten kunnen uitrekenen hoeveel meer ze overhouden als ze meer uren gaan werken. Dit klinkt redelijk, maar vereist een technologisch wonder. Zo’n systeem moet real-time communiceren met de Belastingdienst, UWV, gemeentelijke uitkeringssystemen, zorgverzekeraars en woningcorporaties. Het moet rekening houden met honderden variabelen: van kinderopvangtoeslag tot zorgtoeslag, van hypotheekrenteaftrek tot gemeentelijke kwijtschelding.

De werkelijkheid is dat deze systemen nu al nauwelijks met elkaar kunnen communiceren. Elke organisatie heeft zijn eigen verouderde systemen, verschillende definities van inkomen en eigen beveiligingsprotocollen. Een “eenvoudige” calculator wordt zo een megalomaan ICT-project dat jaren kost en honderden miljoenen verslindt.

Het Toeslagendoolhof Opnieuw

Nog ambitieuzer is de belofte het hele toeslagenstelsel af te schaffen. Dit zou betekenen dat miljoenen dossiers moeten worden gemigreerd, dat gemeentelijke systemen volledig worden herontworpen en dat nieuwe koppelingen tussen overheidsorganisaties moeten worden gebouwd. We weten uit pijnlijke ervaring hoe dit afloopt: de kinderopvangtoeslagaffaire was het directe gevolg van een vergelijkbare digitale transformatie die uit de hand liep.

Het cynische is dat de VVD deze hervorming presenteert als vereenvoudiging, terwijl het juist leidt tot jaren van extra bureaucratie, foutieve uitkeringen en hersteloperaties. De “eenvoudige” oplossing creëert complexiteit die decennia zal duren om op te lossen.

Signalering als Surveillance

Even problematisch is de belofte om schuldenproblematiek automatisch te signaleren. Dit vereist dat de overheid continu het financiële gedrag van burgers volgt, van bankrekeningen tot energierekeningen. Technisch betekent dit geavanceerde AI-systemen die patronen herkennen in privégegevens, gekoppeld aan databases van energiemaatschappijen, banken en gemeenteadministraties.

De privacy-implicaties zijn enorm, maar de technische uitvoering is nog complexer. Wie bepaalt welke algoritmes worden gebruikt? Hoe voorkom je discriminatie? En wat als het systeem foutieve signalen afgeeft, zoals bij de fraudedetectie die leidde tot de toeslagenaffaire?

Van Fraudebestrijding tot Hersteloperatie

Het patroon is bekend: onder politieke druk werd ooit besloten om fraudegebruik van toeslagen rigoureus aan te pakken. Dit leidde tot geavanceerde algoritmes die automatisch verdachte patronen zouden detecteren. Het resultaat was desastreus. Duizenden onschuldige gezinnen werden ten onrechte als fraudeur bestempeld, moesten torenhoge bedragen terugbetalen en raakten in de financiële problemen. De “efficiënte” fraudebestrijding mondde uit in een miljarden verslindende hersteloperatie die nog altijd voortduurt.

De paradox van het verkiezingsprogramma is dat elke belofte uitmondt in meer complexiteit, meer systemen, meer toezicht en meer hersteloperaties. De maakbaarheidsgedachte die ten grondslag ligt aan beloftes, dat complexe maatschappelijke problemen opgelost kunnen worden met slimme ICT, heeft zich keer op keer bewezen als wensdenken. Het wordt tijd dat we erkennen dat sommige problemen niet opgelost, maar alleen beheerd kunnen worden. Politiek vertrouwen herstel je niet met grootse digitale beloftes, maar met eerlijkheid over wat wel en wat niet mogelijk is.

De dag dat Den Haag zijn e-mail kwijtraakte

De recente sancties van de regering Trump hebben Europa een harde les geleerd over digitale afhankelijkheid. Toen de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof in Den Haag plotseling geen toegang meer had tot zijn e-mail en zijn bankrekeningen werden bevroren, werd de kwetsbaarheid van onze digitale infrastructuur pijnlijk duidelijk. Dit incident was een wake-up call die ver buiten juridische kringen weerklank vond.

Nederlandse experts van de Dutch Cloud Community reageerden geschokt, maar niet verbaasd. Al jaren waarschuwen zij voor de risico’s van overmatige afhankelijkheid van Amerikaanse Big Tech bedrijven. Veel organisaties gebruiken software die via Amerikaanse bedrijven als cloudoplossing wordt aangeboden en slaan hun gevoelige data op in diezelfde cloud. Wanneer geopolitieke spanningen oplopen, kunnen deze organisaties plotseling de toegang tot hun eigen systemen verliezen.

Nederland zet de koers uit

De Nederlandse overheid heeft snel gereageerd op deze nieuwe realiteit. Het Shared Service Center-ICT heeft haar ‘cloud first’-uitgangspunt omgezet naar ‘sovereign first’ voor het ontwerp van de nieuwe Rijkswerkplek, waar straks 58.000 ambtenaren in 9 ministeries gebruik van zullen maken. Deze koerswijziging symboliseert een fundamentele verschuiving in het denken over digitale infrastructuur.

Later dit jaar komt het kabinet met de nieuwe Nationale Digitaliseringsstrategie, waarin soevereiniteit en continuïteit centrale thema’s zijn. Het streven naar digitale onafhankelijkheid is van een technische kwestie uitgegroeid tot een zaak van nationale veiligheid.

Inspirerende voorbeelden ontstaan

Verschillende Nederlandse en Europese initiatieven tonen aan dat digitale soevereiniteit geen utopie is. Amsterdam heeft unaniem ingestemd met het plan ‘Amsterdam Digitaal Onafhankelijk’ om de afhankelijkheid van Microsoft, Salesforce en SAP te verminderen. De gemeente wil controle over haar eigen data en technologie behouden.

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken ontwikkelt ‘Mijn Bureau‘, een open source suite voor samenwerking die e-mailen, chatten, videobellen en kantoortools mogelijk maakt zonder afhankelijkheid van buitenlandse partijen. Dit project volgt het voorbeeld van Frankrijk en Duitsland, die soortgelijke initiatieven hebben gelanceerd.

Op Europees niveau ontstaan ambitieuze projecten zoals 8ra en Gaia-X, die een gefedereerde, veilige data-infrastructuur willen creëren waar Europese organisaties gegevens kunnen uitwisselen met behoud van digitale soevereiniteit.

De urgentie van nu

Het ontbreken van digitale soevereiniteit maakt organisaties kwetsbaar voor ongewenste toegang, surveillance en economische lock-in. Wanneer burgers en bedrijven het vertrouwen verliezen in de bescherming van hun gevoelige data, stagneert de digitale vooruitgang van heel Nederland.

De huidige geopolitieke situatie vraagt daarom om een fundamentele koerswijziging: Open Source first en het streven naar cloud-agnostische infrastructuur. Alleen zo kunnen Nederlandse organisaties hun digitale weerbaarheid waarborgen en blijven functioneren, ongeacht de internationale spanningen van morgen.