Rode Letters

Het oorlogsverhaal van Lies, Mia, Romé en Annemie Boissevain

Amsterdam en Scheveningen, 1940 – 1945

Op 30 november 1944 werden vier vrouwen uit huis gehaald en meegenomen door de Duitsers: Louise Maria Antonia Boissevain (Lies), haar jongere zuster Madelien (Mia), hun moeder Romelia Abramina Boissevain-Kalff (Romé)  en hun nicht Anne Maria (Annemie). Lies beschreef wat er die avond en in de maanden daarna gebeurde in haar memoires “Rode Letters” (2004), een naam ontleend aan twee momenten waarop God haar zo duidelijk antwoordde dat het als vuurletters in haar geheugen gegrift bleef. Dit is hun verhaal.

Een gezin in bezet Amsterdam

De Boissevains woonden in een groot grachtenhuis in Amsterdam. Vader Walrave Boissevain was wethouder van de stad en een vertrouwde, imposante figuur. Lies groeide op als op-één-na-jongste van zes kinderen, in een huishouden met vaste dienstmeisjes, gezellige avonden en spelletjes. Die wereld brak op 10 mei 1940 abrupt open. “Op 9 mei 1940 kwam ik thuis na een onbezorgde schoolwerkweek,” schreef Lies. “De dag daarna kwam het verschrikkelijke nieuws over de radio: Duitsland had ons zonder oorlogsverklaring aangevallen.”

Vader Boissevain bleef, in lijn met de instructies van de regering in Londen, aanvankelijk aan als wethouder. Zijn gezin leefde in voortdurende spanning: hij was te bekend en viel te veel op door zijn lengte en postuur om in het verzet te gaan zonder anderen in gevaar te brengen. In april 1944 stierf hij plotseling na een val op de trap. “Ik voelde me alsof de bijl aan de wortels van mijn ziel was gelegd,” schreef Lies. Romé, 57 jaar oud, nam daarna de verantwoordelijkheid voor het vrouwenhuis op zich van zes vrouwen: zijzelf, haar drie dochters Roos, Lies en Mia, en de twee nichtjes Annemie en Sylvia Boissevain, die al eerder hun ouders en broers hadden verloren aan de bezetter.

Het verzet en de arrestatie op het Museumplein

Zuster Roos was diep in het verzet beland: koeriersdiensten, een ondergrondse krant, het onderbrengen van Joodse kinderen. Lies volgde. Na haar eindexamen in 1942 – de universiteiten waren door de bezetter gesloten – volgde zij een opleiding stenografie en typen. Neef Wally van Hall vroeg de zusters secretaressewerk te doen op een bijkantoor van de commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten. Drie dagen dacht Lies na. “Aan de andere kant leek ons het werk zinvol en een directe medewerking aan de bevrijding van ons land. Bovendien, als wij het niet deden, wie moesten het dan doen?”

Uit veiligheidsoverwegingen noemde Lies zichzelf voortaan Marion. Haar eigen achternaam was te herkenbaar. Op 30 november 1944, aan het eind van een lange dag, fietste zij over het Museumplein met een groene platte map vol vertrouwelijke papieren, waaronder een afschrift van een bedankbericht aan Londen voor het precisiebombardement op het SD-hoofdkwartier in de Euterpestraat. Ze zag medesecretaresse Rita met haar broer Jan en de verzetsman Arend. Ze stapte even af. Plotseling dook er een landwacht op. Arend rende weg en liet twee dikke archiefmappen achter. “Het had nu geen zin meer om te proberen ons eruit te kletsen,” schrijft Lies. “Het was voor ons een verloren zaak.”

Na verhoor op het landwachtbureau kwamen Jan, Rita en Lies ieder in een aparte cel. En dan, bij het horen van voetstappen in de gang: “Tot mijn grote schrik en ellende stonden ook mijn moeder, Madelien en Annemie daar in de gang. Ook zij waren opgepakt.” Roos en Sylvia waren ternauwernood ontkomen. Lopend werden de vrouwen door de donkere, verlaten straten van Amsterdam-Zuid naar het noodbureau van de SD gebracht. Het hoofdkwartier in de Euterpestraat lag in puin na het bombardement waarvoor Lies net een bedankbrief had meegedragen.

De gevangenis aan de Amstelveenseweg: de baksteen en de klok

Die nacht kwamen ze terecht in het Huis van Bewaring II aan de Amstelveenseweg,  dezelfde gevangenis waar later Hannie Schaft zou worden opgesloten. Het ritme van gevangenschap begon: een luikje voor het eten, een oog in de deur, dagelijks een halfuur luchten in een kooi van kippengaas, eindeloze leegte. De angst lag als een baksteen in Lies’ maag. “Ik ging ermee naar bed en stond er de volgende morgen weer mee op,” schrijft ze. De verhoren gingen over de groene map, de papieren, de namen.

Wat Lies toen niet wist, was dat Arend direct na zijn vlucht neef Wally van Hall had gewaarschuwd. Wally had een stille afspraak met een SD-officier: één keer zou die iets voor het verzet doen, nooit meer. Die ene keer was nu. Terwijl de SD-ers trappen op en af renden in opwinding die Lies niet begreep, verdwenen de archiefmappen uit de kamer van de verantwoordelijke officier. Zonder die documenten konden de verhoren nergens op uitlopen.

Toch werd Lies voor haar zwijgzaamheid gestraft met vijf dagen strafcel: betonnen muren, een metalen kooi, pikkedonker, water en brood. “In de kou moet je in beweging blijven,” schreef ze. Lopend heen en weer, een paar stappen voor en terug. En toen, onverwacht: een beeld dat van buiten in haar gedachten viel. “De wijzerplaat van een enorme klok, zo reusachtig dat deze tot in de hemel reikte. Onderaan hing een klein slingertje.” De klok was God. Het slingertje was zijzelf. “Daardoor kwam er rust in mijn hart. Op de één of andere manier zou ik er doorheen komen.”

Wees niet van tevoren bezorgd wat gij zeggen zult, maar zegt wat u in die ure gegeven wordt.

De woorden die Lies in haar cel hoorde, en die haar angst telkens braken.

Het Oranjehotel in Scheveningen: op de rand van deportatie

In februari 1945 werden de vrouwen overgebracht naar de beruchte gevangenis in Scheveningen, in de volksmond het ‘Oranjehotel’. Het had een deel van de winter leeggestaan en was ijskoud. Romé, Madelien en Lies kwamen samen in een kleine cel terecht, een opluchting na de eenzame maanden in Amsterdam. Annemie zat elders in het gebouw.

Al snel werd duidelijk dat transport naar Westerbork dreigde, en van daaruit naar een Duits concentratiekamp. Romé had opvallend wit haar, hoewel slechts 58 jaar oud. Lies besefte wat dat betekende: bij aankomst in een Duits kamp zou haar moeder regelrecht naar de gaskamer worden gestuurd. Ongeveer vijftig vrouwen stonden al opgesteld in de gang. “Transport! Duitsland,” dacht Lies. “Wat een ramp! Concentratiekamp!”

Toen: terugkeer naar de cellen. De geallieerden hadden de spoorlijn gebombardeerd. De trein kon niet rijden. “Merkwaardig om misschien wel je leven te danken te hebben aan een bombardement,” schreef Lies later. Dit was de tweede keer dat een bombardement haar lot keerde: de eerste keer leidde het naar haar arrestatie, nu redde het haar leven.

Bevrijding: mei 1945

Op zondagochtend 6 mei 1945 werden alle gevangenen vrijgelaten. Scheveningse vrouwen en kinderen stonden voor de poort, behangen met oranje. In een Rode Kruishuis hoorden de vrijgelatenen de toespraak van koningin Wilhelmina en zongen samen het Wilhelmus. Romé schreef diezelfde dag nog een brief aan haar schoonzuster Mia Boissevain: “Alles bloeide en geurde, en alles lag in een wonderbaar licht.”

Wij zijn 30 november meegenomen, Lies, Mia, Annemie en ik; eerst hebben we op den Amstelveenschen Weg gezeten. Toen moesten we op transport; we werden naar de Scheveningsche gevangenis gebracht, we stonden al op een rij in de gang, toen werd ’t transport afgelascht […] Zondagochtend 6 mei werden we allemaal vrijgelaten.

Brief van Romé Boissevain-Kalff aan Mia Boissevain, 12 mei 1945

Op de terugweg naar Amsterdam kregen de vier vrouwen een lift van een chauffeur van een autootje, die hen naar Amsterdam bracht. Lies, Mia en Romé werden afgezet bij het kantoor van de Binnenlandse Strijdkrachten, waar Roos werkzaam was. Roos hoorde het nieuws, sprong op haar fiets en holde de trappen op. “Zij zag ons daar staan, bleek en mager, en riep: ‘Maar lieverds, wat hebben zij met jullie gedaan!’”

Wat achterbleef

Niet iedereen had geluk gehad. Neef Wally van Hall, die in januari 1945 was opgepakt, werd gefusilleerd. Jan, de broer van Rita, was in Duitsland gestorven. Neef Jan Boissevain, overleefde Sachsenhausen niet. Annemies moeder Mies keerde pas later terug uit Ravensbrück. Het huis aan de Corellistraat was een lege huls. Het huis van Romé was door de Duitsers geplunderd. Dienstmeisje Sientje had in een stilmoment de juwelen van haar meesteres gered door ze in een sponzenzak te verbergen.

Jaren later, tijdens een gebed, kwamen de herinneringen aan de donkere strafcel plotseling terug. “De duisternis en de angst, tanden op elkaar, bidden, doorzetten.” En toen, schrijft Lies, voelde zij een aanraking: “De Heer sprak: Ik was bij je in die cel.” Die woorden doorbraken het gevoel van verlatenheid dat zij onwetend al die jaren had meegedragen. Twee rode letters in haar leven: de stem die haar in de strafcel leidde en het beeld van de klok die tot in de hemel reikte. Beide hadden haar gevangen gehouden én bevrijd.

De naam Boissevain was tot en met gehaat door de moffen, maar nooit zo erg als zij door ons.

Brief van Menso aan Mia Boissevain, via Emily, 10 mei 1945

Een Stem uit Gevangenschap

Het boek van mijn zuster Josine “Het ergste is dat je niet weet wat er met je gebeurt” vertelt het aangrijpende verhaal van de gevangenschap van onze vader tijdens de Tweede Wereldoorlog en laat zien hoe groot de rol van Nederlandse samenwerking met de Duitse bezetter was. De rode draad is dat hij niet door Duitsers, maar door landgenoten werd verraden, gearresteerd, berecht en bewaakt.

Op 22 december 1942 werd onze vader gearresteerd, nadat hij was verraden door een Nederlandse collaborateur binnen de gemeentelijke organisatie. De officiële aanklacht betrof overtreding van de distributieregels. Hij werkte bij de Distributiedienst en had bonnen achterovergedrukt om mensen in nood te helpen. Hoewel hij betrokken was bij verzetsactiviteiten, werd hij formeel beschuldigd van diefstal, wat een lichtere straf opleverde dan verzetswerk, waarvoor deportatie of de doodstraf kon volgen.

Tijdens zijn gevangenschap veranderde de juridische basis van zijn arrestatie meerdere keren. Eerst werd verwezen naar een niet-bestaande regeling, later naar de Distributiewet van 1939 en uiteindelijk naar het Economisch Sanctiebesluit van 1941. Deze wisselende aanklachten laten zien hoe willekeurig en onrechtvaardig het systeem functioneerde. Pas na drie maanden kreeg hij te maken met een officier van justitie, die zijn hechtenis verlengde. Dat was voor hem een grote teleurstelling, omdat hij op vrijlating had gehoopt.

Het zwaarste aan zijn gevangenschap vond hij niet alleen de opsluiting, maar vooral de onzekerheid. In zijn eerste smokkelbriefje schreef hij: “het ergste is dat je niet weet wat er met je gebeurt”. Hij hoorde over andere gevangenen die werden afgevoerd naar kampen of geëxecuteerd, vooral in het Oranjehotel. Omdat hij niet wist waarvan hij uiteindelijk beschuldigd zou worden, leefde hij maandenlang in angst.

Na zijn arrestatie zat hij eerst in een politiecel in Den Haag. In februari 1943 werd hij overgebracht naar het Oranjehotel, waar de Duitse politie hem vasthield. Daarna volgden meerdere overplaatsingen binnen verschillende gevangenissen. Pas in mei 1943 werd zijn straf officieel vastgesteld: zes maanden hechtenis. Dankzij aftrek van zijn voorarrest en de inspanningen van zijn ouders en advocaat kwam hij op 20 juni 1943 vrij.

Tijdens zijn gevangenschap schreef hij veertien brieven naar huis, waarop zijn familie trouw antwoordde. Deze brieven, zorgvuldig bewaard door zijn moeder, vormen samen met andere documenten de basis voor het boek. Ze geven een persoonlijk en indringend beeld van zijn angst, hoop en doorzettingsvermogen.

Met dit boek willen wij het verhaal van onze vader doorgeven aan volgende generaties. Het laat zien hoe kwetsbaar vrijheid is en hoe diep de samenwerking van Nederlanders met de bezetter ingreep in het leven van gewone mensen. Tegelijk waarschuwt het dat de omstandigheden van toen niet zo ver weg zijn als we soms denken, en dat herinneren en doorvertellen noodzakelijk blijft.

Onze vader wordt achterna gezeten door de onbezoldigde gemeente-veldwachter

Van Hall en Boissevain in Oorlogstijd

Nel van Hall-Boissevain met haar gezin

Gijsbert (Gijs) van Hall en zijn broertje Walraven (Wally) van Hall zijn de bekendste nakomelingen onder de tien kinderen van Nel van Hall-Boissevain en haar man Aat van Hall. Zij waren de financierders van het verzet in de Tweede Wereldoorlog.  Maar zij  waren niet de enige die naam had gemaakt in het verzet. Binnen de familie Boissevain en Van Hall was de dadendrang groot. Jonge mannen en vrouwen droegen hun steentje bij, en vele van hen moesten dat met de dood betalen. Reden genoeg om deze families eens uit te lichtten.

Door: Esmeralda Tijhoff

Tijdens een van de bijeenkomsten van de Onderzoeksschool Politieke Geschiedenis liep ik Dirk Wolthekker tegen het lijf. Deze beste man bleek een biografie te schrijven over Gijs van Hall, één van de zoons van Nel van Hall-Boissevain waar ik zelf een biografie over schrijf. Op 6 juni promoveert hij op dit boek Alleen omdat ik een Van Hall ben. In de dissertatie analyseert Wolthekker waarom Gijs van Hall als burgemeester van Amsterdam moest aftreden. In mijn biografie over zijn moeder Nel van Hall ben ik Gijs vooral tegengekomen vanuit zijn verzetswerk. En omdat ik veel moet schrappen zodat mijn dissertatie een handzaam formaat krijgt, leek het me wel aardig de stukken over de Tweede Wereldoorlog en de Boissevains op mijn blog te publiceren.

Wally van Hall

Gijs en Wally

De Tweede Wereldoorlog trok een grote wissel op het gezin van Aat en Nel van Hall-Boissevain. Hun twee zonen Gijs en Wally waren vooraanstaande verzetsmensen die met hun netwerk en kennis van de financiële wereld op grote schaal fraude wisten te plegen om zodoende financiële middelen vrij te krijgen om het verzet te financieren. Aat en Nel wisten dat hun zonen actief in het verzet waren, dat kon ook niet anders want het tweetal moest al snel onderduiken. Overigens zaten in hun eigen huis Zonnehof af en toe ook mensen ondergedoken. De diepe donkere kast naast de kamer van dochter Mia had een raampje en was daarmee zeer geschikt om mensen in te verbergen. Aat adviseerde Gijs en Wally, en was ook wel eens aanwezig op vergaderingen van het Nationaal Steunfonds.[1] Zijn reputatie in de bankwereld gaf zijn zonen de nodige credenties. Men vertrouwde Aat, dus vertrouwden ze erop dat zijn zonen ook geen ‘ontoelaatbare trucs’ zouden doen. Gijs van Hall zei daarover: ‘Wie hèm kende, kende òns.’[2] Het was deze reputatie die voor de zoons de weg vrij maakte om met medewerking van enkele bankiers grootschalige fraude te plegen ten bate van het verzet.

Naarmate de oorlog duurde en de verzetsactiviteiten toenamen, werden de risico’s op ontdekking, deportatie en moord ook groter. Het was duidelijk dat de Duitsers Wally zochten, en als zijn moeder Nel daar al in ontkenning over was geweest, dan zal dat bij de inval in zijn woning in Zaandam in 1944 wel zijn opgehelderd. Wally was gelukkig niet thuis en zijn echtgenote Tilly van Hall-den Tex kon met een truc wat illegale krantjes die in het huis waren in de afvoer van de wc verstoppen.[3] De Duitsers vingen bot. Maar op 27 januari 1944 konden ze Wally toch arresteren. Aanvankelijk was er nog hoop dat de Duitsers hem niet zouden kunnen identificeren als de heer Van Tuyl, de naam waaronder Wally in het verzet opereerde. Maar een medegevangene verried wie hij was.

Op zijn verjaardag van 10 februari zat hij in een donkere cel, met in de cel naast zich zijn vriend en verzetskameraad Jaap Buijs. Op 12 februari werd hij met nog zeven andere gevangen in Haarlem-Noord doodgeschoten. Zijn lichaam werd in de Kennemerduinen begraven, waar inmiddels ook Louis, Gi en Janka Boissevain lagen. Tilly dook met haar kinderen onder. Gelukkig lieten de Duitsers hen met rust zodat ze weer terug konden gaan naar hun huis aan de Westzijde 42. Een dag na de moord, 13 februari, hoorde de familie Van Hall wat er was gebeurd.[4]

‘Lieve Mia, Nu krijg je een verslag van de moordpartijen in Amsterdam’

Nel van Hall-Boissevain verloor haar zoon, maar wellicht nog erger vond zij het, dat de jonge kinderen van Wally en Tilly van Hall-den Tex hun vader kwijt waren geraakt. Daarom verzocht zij vrienden van Wally om haar een brief te sturen met hun gedachten over Wally. Deze liet zij samen bundelen met als simpele titel: Walraven van Hall. 10 februari 1906-12 februari 1945. Haar idee was dat de kinderen van Wally door deze brieven altijd zouden weten wie hun vader was geweest en wat hij had gedaan.

Vanuit het oogpunt van hun moeder Nel van Hall-Boissevain is het belangrijk te benadrukken dat zij weet had van het verzetswerk van haar kinderen en andere verwanten, dat zij de risico’s en de gruwelijkheden van de mogelijke gevolgen kende. Haar zonen zaten ondergedoken en liepen continue gevaar opgepakt en vermoord te worden. Nel zag de verschrikkingen van de oorlog met eigen ogen en stond achter de beslissing van haar kinderen om zich te organiseren tegen het onrecht. Op 26 februari 1941 schreef Nel aan haar dochter Mia die toen in Diepenveen bij Deventer woonde: ‘Lieve Mia, Nu krijg je een verslag van de moordpartijen in Amsterdam.’[6] Wat volgde was een relaas over de gebeurtenissen van de Februaristaking.

Nel beschreef hoe de Weerbaarheidsafdeling (WA) de Jodenbuurt waren binnengedrongen en daar mensen hadden mishandeld. De brief toont dat zij goed op de hoogte was van de grote lijnen en van kleine getuigenissen van de aanvallen. Zij beschreef zowel hoe de buurt werd afgezet met prikkeldraad en hoe er 600 joodse mensen met overvalwagens werden opgepakt, maar ook hoe dit alles op individueel niveau uitpakte:

‘bv. een dood verschrikt vrouwtje die alleen in haar winkel zat zeide een Kadijker: ga jij maar in je achterkamer, ik houd je winkel en toen WA’s binnendrongen had hij een betonnen paal als wandelstok en gaf ze van katoen maar toen kwamen ’s avonds de WA onder geleide van de grüne polizei (Gestapo) en mocht de politie niets doen’

De stakingen die volgden werden door Nel toegejuicht. ‘Wij [de Nederlanders] willen geen Jodenvervolging, dat is nu wel heel duidelijk’ schreef ze Mia. Overal in het land werd gestaakt, ook bij Nel staakten de bakkers en de melkleveranciers; ‘dat kan ons niets schelen zeide iedereen, de Joden hebben het zoo slecht dan willen wij het ook slecht hebben.’[7]

Razzia in Amsterdam

Onderduikers

Gijs en Wally waren niet de enigen uit hun familie die actief waren in het verzet. Hun ouders hadden een veilige plek voor onderduikers. Hun tante Heleen Boissevain herbergde ook enkele neven in haar huis tijdens de oorlog. Als oude dame wonende in haar eentje in een groot huis, vormde zij de ideale verstopplek. Bob en Sonja Boissevain-van Tienhoven hadden vier joodse onderduikers en maakten illegale nieuwskranten wat Bob zijn leven kostte. Ook hun zus Hes van Hall en haar man Raimond Dufour namen een onderduiker in huis. Zij hadden drie jonge kinderen, waarvan hun zoon Beppo nog slechts een baby was. Ondanks het grote risico besloten zij de joodse Bernard Samuel geboren in 1940 onder te laten duiken bij hen.[8] Bernard was bijna even oud als hun middelste kind Raimond junior, zodat Hes en Raimond besloten net te doen alsof Bernard en Raimond jr. een niet-identieke tweeling waren. Met vier kinderen in huis nam Hes de betrouwbare Adri Gorlitz aan als kinderjuffrouw. Bernard overleefde de oorlog en kon in mei 1945 bij zijn vader en broer terug komen. Zijn moeder had de oorlog niet overleefd, zij was opgepakt en in Auschwitz vermoord.

Suzy en Frits van Hall

Anderen gingen het verzet in zoals nicht Suzy van Hall over wie Aat na de dood van zijn broer Anne Maurits voogd was. Zij werkte met haar vriend Gerrit Jan van der Veen samen die de Persoonsbewijzencentrale oprichtte waarvoor op grote schaal documenten werden vervalst. Haar broer Frits van Hall, die ook onder Aats voogdij viel, zat ook in het verzet. Hij was beeldhouwer en mede oprichter van het Kunstenaarsverzet. Na de Februaristaking was hij naar Gijs van Hall toegegaan om financiële steun te vragen voor de stakers en de families van de doodgeschoten stakers. Dit leidde tot de oprichting van het Nationale Steunfonds.[9] Frits werd op transport door de Duitsers neergeschoten in 1944.

Knokploeg CS-6

En het hele gezin van de oudste zoon van Nels broer Karel was actief in het verzet. Jan en Adrienne Minette (Mies) Boissevain-van Lennep hielpen onder andere met de  opgevangen van joodse kinderen. Hun zonen Frans, Jan Karel (Janka), en Gideon Willem waren  in de zomer van 1940 een verzetsgroep / knokploeg, begonnen onder de naam CS-6 van circa 20 mensen groot. Jong en voor niemand bang maakten ze bommen en explosieven om zaken als treinstellen te saboteren.

‘ni regret du passé, nu peur de l’avenir’

Vrijwel de gehele CS-6 groep waaronder ook neef Louis Daniël Boissevain (1922), werd verraden door toedoen van de spion Antonius van der Waals. De jongens Boissevain krasten de familiespreuk in de muur van de binnenplaats te Vught: ‘ni regret du passé, ni peur de l’avenir’.[10] Zij werden op 1 oktober 1943 gefusilleerd in Overveen. Hun vader Jan Boissevain had het grootste gedeelte van de oorlog in kamp Vught doorgebracht, herhaaldelijk ziek van de ondervoeding. Hij overleed op 30 januari 1945 in Kamp Langenstein Zwieberge, waar op 12 april dat jaar ook zijn broer Robert Lucas (1895) die maanden zoek was geweest voor de familie en ook de hogeroedeem beter kende dan hem lief was, de dood vond. Robert had spionage activiteiten voor het verzet had ontwikkeld.[11] Mies Boissevain-van Lennep overleefde ter nauwe nood het kamp Ravensbrück, het kamp waar Suzy van Hall ook terecht was gekomen. Suzy was na Ravensbrück doorgestuurd naar Dachau, waar zij en Mies’ andere zoon Frans in april/mei 1945 konden worden bevrijd.[12]

Wapenopslagplaats CS-6 in de Corellistraat 6. Foto: NIOD

Het gezin van Walrave Boissevain

De kinderen van Nels broer Walrave Boissevain waren ook actief. Romelia Walravina (Roos) kwam als eerste bij het verzet. Haar vader was wethouder en had bedacht dat hijzelf juist daarom niet actief kon worden in het verzet. Hij raadde het Roos ook af, maar toen deze na een ernstig gesprek door wilde zetten, gaf hij haar de vrije hand.[13] Haar zusje Elizabeth (Lies) begon na haar HBS diploma in 1942 ook met hand en span diensten. Toen het bureau Binnenlandse Strijdkrachten (BS) werd opgericht als centraal aanspreekpunt voor de geallieerden werden zij beiden secretaresse bij het centrale kantoor. Ook hun zus Marie Renée Boissevain werd secretaresse voor deze BS.

Lies, Mia, Annemie en hun moeder Romée Boissevain-Kalff werden door de Duitsers gepakt en meegenomen op 30 november 1944.[14] Ze belandden eerst in het Huis van Bewaring II aan de Amstelveenseweg in Amsterdam waar ze allen werden verhoord, dezelfde gevangenis waar ook Hannie Schaft zou komen te zitten in 1945. Daarna werden zij naar de gevangenis in Scheveningen gebracht en vanwaaruit zouden zij op transport naar Westerbork gaan. Wegens een bombardement op het spoor werd dit transport afgelast en de gevangenen weer naar hun cel gebracht.[15] Zondag 6 mei 1945 werd de hele groep vrijgelaten.[16] Hun broer Harry Boissevain was meerdere keren opgepakt, en zat tijdens de bevrijding in een werkkamp. Hij wandelde vervolgens broodmager van Velp naar Enschede, waar zijn echtgenoot Anna Catharina (Ans) van Heek en hun kinderen waren.[17] Onderweg logeerde hij nog bij Heleen Boissevain op de boerderij die ook nog in de lappenmand zat wegens de val tijdens het bombardement.

De moord op Dick van Leeuwen

Neef Dick van Leeuwen werd door een lid van de Landmacht doodgeschoten.[18] Zijn overgrootmoeder Mary van Eeghen-Boissevain, dochter van Charles en Emily Macdonnell, ging hem identificeren. Henri de Booij noteerde deze gebeurtenissen van dichtbij waardoor we een beetje een beeld kunnen krijgen van de verschrikkingen: ‘Ze [Mary] had zich door Korthof, een gewezen tramconducteur, in haar karretje naar het Binnengasthuis doen rijden, waarvoor een uur noodig was. […] Het bleek, dat men zich vergist had en het lijk, dat in het Binnengasthuis was gebracht, van een anderen jongen man was. Zij moest naar het Wilhelmina gasthuis, weder geduwd door Korthof, een langen tocht. Ze werd daar, evenals in het Binnengasthuis, heel vriendelijk ontvangen en gebracht in een gedeelte van het gebouw, dat voor het ontvangen en opbaren van lijken, die op straat worden aangetroffen, op bijzondere wijze is ingericht. Daar zag tante Mary het lichaam van haar geliefden kleinzoon, nog geheel onder het bloed, want het lijk was nog niet vrijgegeven door de politie. Hij had een schot in de kin gehad. Zij knipte een beetje haar van zijn hoofd en heeft dit nu gewasschen.’[19]

Nu zijn we al heel veel namen tegengekomen. En nog is de lijst niet af. Het is ondoenlijk alle verwanten van de gezusters Boissevain te noemen. Ik wil er nog een paar noemen waarvan bekend is dat zij actief waren. Iets verder in de stambomen vinden we nog de verre neef Gideon Jeremie Boissevain (1903-1945), zoon van Ursul Philip en Wilhelmina Carolina Boissevain-Momma. En de echtgenoot van nicht Maria Cornelia (Marie) Boissevain die de dochter was van Charles C.H. Boissevain en Marie Pijnappel.  Marie de Jong-Boissevain kon nog net aan de Japanners ontsnappen naar Amerika, maar Jan Hendrik de Jong werd verscheept naar een concentratiekamp in Thailand en verloor het leven bij de Birmaspoorlijn. Neef Floris van Hall overleed bij de aanleg van de Birma Spoorlijn in 1944. Ook Eduard Veltman, de echtgenoot van Walrave Boissevains dochter Ellegonda Duranda (Gon) Boissevain  kwam om.

Geschiedschrijving

‘En nu blijft geloof, hoop en liefde deze drie doch de meeste van deze drie is liefde’

Wally’s verzetsactiviteiten zijn uitvoerig beschreven in de biografie van Erik Schaap, Walraven van Hall, Premier van het verzet (1906-19-45). Ook de organisatie waarmee hij en Gijs dit deden, Het Nationaal Steunfonds, kreeg in 1960 een eigen monografie door P. Sanders, Het Nationaal Steun Fonds. Bijdrage tot de geschiedenis van de financiering van het verzet 1941-1945. [20] En nu komt daar dus de biografie van Wolthekker over Gijs van Hall bij. Er is zelfs sprake van een verfilming van hun verzetswerk!

Er zijn nog enkele autobiografische werken na te slaan over deze periode. Lies Land-Boissevain noteerde inRode Letters (2004) haar verhaal. Ter herinnering aan Wally liet Nel van Hall-Boissevain een boekje samenstellen, zodat zijn kinderen later zouden weten wat voor man hun vader was geweest. De bundel Walraven van Hall. 10 februari 1906-12 februari 1945 staat vol met persoonlijke verhalen over Wally.

Biografieën, autobiografieën, monumenten, of herinneringsbundels,… Het schiet allemaal  tekort om het verdriet van de nabestaanden op te vangen. Voor Aat en Nel was de dood van hun zoon Wally onverteerbaar. Op zijn sterfbed dacht Aat nog aan zijn verloren zoon. Hij vroeg zijn dochter Hes om 1 Cor vers 13 voor te lezen als de kinderen bij elkaar waren om afscheid van hem te nemen. Dit vers, ‘En nu blijft geloof hoop en liefde deze drie doch de meeste van deze is de liefde’, staat gegraveerd in het oorlogsmonument dat zes jaar eerder in 1950 was onthuld bij de Jan Gijzenbrug in Haarlem. Op de zijkant staat Wallys naam samen met de zeven anderen die op 12 februari 1945 daar waren gefusilleerd.[20]

 

Esmeralda Tijhoff is docent geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, expertise: Moderne Geschiedenis, Cultuurgeschiedenis, Vrouwengeschiedenis, Biografieën. Op haar website schrijft zij onder meer over geschiedenis en de familie Boissevain.


Noten

[1] Erik Schaap, 66. Oorspronkelijk uit brief van J. Buijs aan P. Sanders 22 sept 1948.

[2] De Nieuwe Revu 28 april 1973.

[3] Attie van Hall in gesprek met haar kleinzoon. Dit verhaal is tevens licht afwijkend opgenomen in Erik Schaap, 105.

[4] Gijs van Hall, Ervaringen van een Amsterdammer.

[5] Bastiaan van Beveren (21 jaar), Klaas de Boer (32 jaar), Bernardus G.J. Genemans (25 jaar), Walraven van Hall (39 jaar), Ds. Hendrik R. de Jong (33 jaar), Frederik Nieuwenhuijsen (39 jaar), Johannes W. Oudenaller (68 jaar) en Egbert Snijder (32 jaar).

[6] Brief van Nel van Hall-Boissevain aan haar Mia. 26 februari 1941. Privé collectie van Bas ter Haar.

[7] Brief van Nel van Hall-Boissevain aan haar Mia. 26 februari 1941. Privé collectie van Bas ter Haar.

[8Erin scue story, Yad Vashem, the world holocaust remembrance centrum. Op August 20, 2007, nam Yad Vashem het verhaal van Raimond Dufour en Hester Dufour-van Hall op in de Righteous Among the Nations serie.

[9] Erik Schaap, Walraven 49.

[10] Menso Boissevain trof de spreuk aan toen hij er later ook gevangen zat. Dagboek De Booij, document ‘Hoop doet leven’, brief aan zijn zoon Alfred de Booij, 4 tot 9 september 1944, Amsterdam.

[11] https://oorlogsgravenstichting.nl Zie ook ‘De herinnering levend houden’, Boissevain Bulletin 1991.

[12] Erik Schaap, Walraven 90.

[13] Lies Land-Boissevain, Rode Letters (Vision; Groningen 2004).

[14] Brief van Romée aan Mia Boissevain, 12 mei 1945.

[15] Brief van Romée aan Mia Boissevain, 12 mei 1945. Lies Land-Boissevain, Rode Letters (Vision; Groningen 2004).

[16] Aangezien het huis in Amsterdam was leeggehaald, gingen de vrouwen logeren bij Menso en Lies Boissevain. Menso was een zoon van Charles E.P. en Marie Boissevain-Pijnappel.

[17] Brief van Romée Boissevain-Kalff aan Mia Boissevain, 12 mei 1945.

[18] Zoon van Toek van Leeuwen en Emily van Eeghen. Zie voor details Dagboek De Booij, document ‘Hoop doet leven’, brief aan zijn zoon Alfred de Booij, 4 tot 9 september 1944, Amsterdam.

[19] Dagboek De Booij, document ‘Hoop doet leven’, brief aan zijn zoon Alfred de Booij, 4 tot 9 september 1944, Amsterdam. Woensdag 6 september 1944.

[20] Bastiaan van Beveren (21 jaar), Klaas de Boer (32 jaar), Bernardus G.J. Genemans (25 jaar), Walraven van Hall (39 jaar), Ds. Hendrik R. de Jong (33 jaar), Frederik Nieuwenhuijsen (39 jaar), Johannes W. Oudenaller (68 jaar) en Egbert Snijder (32 jaar).

Mies Boissevain-van Lennep: Amsterdamse verzetsstrijder

Adrienne Minette (Mies) Boissevain-van Lennep (1896-1965)

Mies (Adrienne Minette) Boissevain-van Lennep (1896-1965) was zeer actief in de jaren dertig, zwaar beproefd in de 2e Wereldoorlog en daarna opnieuw vol bruisende energie. Levenslust, humor en snedigheid behoorden tot haar karakteristieken. Met het motto ‘Gezondheid + Schoonheid = Levenslust’ exploiteerde zij hoog boven in het grote grachtenhuis in Amsterdam waar Jan en Mies met hun 5 kinderen tot 1939 woonden een beauty parlour. Voor de vrouwen die zich daar door haar lieten behandelen was 4 trappen beklimmen kennelijk geen bezwaar! In diezelfde periode was zij politiek actief in de vrouwenbeweging. Samen met enkele andere vrouwen richtte zij een Jongeren Werk Comité in de Vereniging voor Vrouwenbelangen op om deze laatste nieuw leven in te blazen. Mies trok daarbij de aandacht met haar berijmde toespraken op bijeenkomsten en vooral met haar geregeld in het weekblad De Groene Amsterdammer gepubliceerde limericks waarin zij zich op geestige en rake wijze verzette tegen onrecht. Befaamd werd haar actie tegen een voorstel van de katholieke minister Romme om vrouwenarbeid als zijnde ‘onnatuurlijk’ en onwenselijk wegens de grote werkloosheid te verbieden.

De 2e wereldoorlog begon zijn schaduwen vooruit te werpen. Mies raakte betrokken bij de opvang van joodse vluchtelingen uit nazi-Duitsland en zelfs nog in de oorlog bij het in veiligheid brengen van joodse kinderen. De oorlog bracht diepe ellende: haar 2 oudste zonen Janka en Gi werden in 1943 door de nazibeulen gefusilleerd, haar echtgenoot Jan bracht meer dan 3 jaar in diverse concentratiekampen door (Amersfoort, Vught en Sachsenhausen) en overleed in Buchenwald, haar 3e zoon Frans overleefde de concentratiekampen Vught en Dachau. Zelf overleefde zij de kampen Vught en, zij het ternauwernood, Ravensbrück waar zij driemaal van de gaskamers werd gered. Echtgenoot Jan was al in 1941 gearresteerd wegens het zaken doen met een joodse relatie, na enkele weken vrijgelaten, maar kort daarna opnieuw opgepakt. Het huis waarheen de familie eind 1939 was verhuisd werd geleidelijk een belangrijk centrum van verzets- en sabotage activiteiten: onderduikadressen voor joden en anderen werden geregeld, voor vermommin­gen en valse identiteitsbewijzen werd gezorgd en bomaanslagen en andere verzetsactiviteiten werden er voorbereid. De kelder van het huis was een arsenaal van wapens en explosieven. Vele jaren na de oorlog, in 1962, vond een loodgieter er bij toeval en tot zijn grote schrik in een buis nog genoeg springstoffen om heel Amsterdam mee op te blazen! Janka en Gi waren hier tezamen met andere verzetsmensen, als groep bekend onder de naam CS-6, nauw bij betrokken. De oorsprong van deze codenaam is overigens onzeker. Veelal denkt men dat deze is ontleend aan het huis (Corelli Straat 6), maar volgens andere bronnen was er sprake van afdeling 6 van een internationaal opererende verzetsorganisatie Centre de Sabotage.

Robert Lucas Boissevain (1895 – 1945)

In augustus 1943 sloeg de Sicherheitsdienst toe: Mies en haar 3 zonen (de 2 dochters waren gelukkig niet thuis) en nog 70 anderen werden gearresteerd. Op 1 oktober werden Janka, Gi, achterneef Louis en nog 16 andere tot de groep behorende verzetsmensen in de duinen bij Overveen gefusilleerd. De nacht tevoren had Janka in een der muren van zijn gevangeniscel nog onze familiespreuk gekrast: ‘Ni regret du passé, ni peur de l’avenir’! Mies en zoon Frans belandden in concentratiekamp Vught, waar Mies te werk werd gesteld in het ‘ziekenhuis’. Als ‘Zuster Mammie’ werd zij bekend bij vele gevangenen die zij er heeft kunnen helpen. Onder hen ook haar echtgenoot Jan die zij 1 jaar niet meer had gezien en Robert Lucas Boissevain die na folteringen en 9 maanden eenzame opsluiting in Scheveningen in slechte conditie in Vught arriveerde. In september 1944 werd het kamp ontruimd. Mies werd overgebracht naar Ravensbrück, een vernietingskamp waar de mensonterende omstandigheden nog honderd keer erger waren. Ook daar verzorgde zij zieken maar doorstond ook zelf zware ziekten.

Eind april 1945 werd zij, doodziek en nog slechts 33 kg. wegend, met een ziekentransport van het Rode Kruis naar Zweden gebracht. Enkele maanden later kwam ze terug in Nederland, fysiek weer wat bijgespijkerd en 20 kg aangekomen, maar bovenal mentaal ongebroken en weer vol sprankelende energie en snedige humor. Natuurlijk hadden de kampperiode en de doorstane beproevingen hun sporen nagelaten, maar ook in positieve zin. Zo had zij de waarde van solidariteit onder de kampvrouwen ervaren. Zij trachtte hieraan op verschillende en originele wijze vorm te geven, zij het niet steeds met blijvend succes. Ze vond dat er meer specifiek vrouwelijke invloed in het openbare leven nodig was. Met alleen vrouwelijke inbreng in de traditionele politieke partijen zou dat niet te verwezenlijken zijn en daarom richtte zij een vrouwenpartij op ‘Praktisch Beleid’, gebaseerd op eensgezindheid tussen alle lagen in de samenleving. Voor de publiciteit maakte zij ook nu weer gebruik van snedige limericks. De meeste kiezers vonden de ideële gedachte echter te vaag en de verkiezingen eindigden in een fiasco.

Nationale Feestrok

Eveneens uit de ervaring van eenheid op een ondergrond van (vrouwelijke) verscheidenheid sproot haar idee van de ‘Nationale Feestrok‘ voort. Tijdens haar gevangenschap had Mammie Mies een dasje toegestuurd gekregen gemaakt van lapjes, kledingstukken van familieleden en vrienden, waarmee speciale herinneringen boven kwamen. Het zou aardig zijn als iedere vrouw een kleurige rok zou dragen, gemaakt van allerlei lapjes met een emotionele lading en al dan niet geborduurd met namen en/of data. Iedere vrouw zou dan een unieke rok – een typisch vrouwelijk kledingstuk – hebben, die toch ook eenheid in verscheidenheid zou symboliseren. De rok zou vooral op nationale feestdagen moeten worden gedragen. Er werd zelfs een feestrok-lied geschreven. Om de rok te promoten reisde Mies niet alleen heel Nederland door, maar ging ook naar de Verenigde Staten. In de Amerikaanse pers verschenen zelfs enthousiaste artikelen. Na enkele jaren was de hele gedachte echter weer vergeten.

Robert Lucas (Bob) Boissevain