Rode Letters

Het oorlogsverhaal van Lies, Mia, Romé en Annemie Boissevain

Amsterdam en Scheveningen, 1940 – 1945

Op 30 november 1944 werden vier vrouwen uit huis gehaald en meegenomen door de Duitsers: Louise Maria Antonia Boissevain (Lies), haar jongere zuster Madelien (Mia), hun moeder Romelia Abramina Boissevain-Kalff (Romé)  en hun nicht Anne Maria (Annemie). Lies beschreef wat er die avond en in de maanden daarna gebeurde in haar memoires “Rode Letters” (2004), een naam ontleend aan twee momenten waarop God haar zo duidelijk antwoordde dat het als vuurletters in haar geheugen gegrift bleef. Dit is hun verhaal.

Een gezin in bezet Amsterdam

De Boissevains woonden in een groot grachtenhuis in Amsterdam. Vader Boissevain was wethouder van de stad en een vertrouwde, imposante figuur. Lies groeide op als op-één-na-jongste van zes kinderen, in een huishouden met vaste dienstmeisjes, gezellige avonden en spelletjes. Die wereld brak op 10 mei 1940 abrupt open. “Op 9 mei 1940 kwam ik thuis na een onbezorgde schoolwerkweek,” schreef Lies. “De dag daarna kwam het verschrikkelijke nieuws over de radio: Duitsland had ons zonder oorlogsverklaring aangevallen.”

Vader Boissevain bleef, in lijn met de instructies van de regering in Londen, aanvankelijk aan als wethouder. Zijn gezin leefde in voortdurende spanning: hij was te bekend en viel te veel op door zijn lengte en postuur om in het verzet te gaan zonder anderen in gevaar te brengen. In april 1944 stierf hij plotseling na een val op de trap. “Ik voelde me alsof de bijl aan de wortels van mijn ziel was gelegd,” schreef Lies. Romé, 57 jaar oud, nam daarna de verantwoordelijkheid voor het vrouwenhuis op zich van zes vrouwen: zijzelf, haar drie dochters Roos, Lies en Mia, en de twee nichtjes Annemie en Sylvia Boissevain, die al eerder hun ouders en broers hadden verloren aan de bezetter.

Het verzet en de arrestatie op het Museumplein

Zuster Roos was diep in het verzet beland: koeriersdiensten, een ondergrondse krant, het onderbrengen van Joodse kinderen. Lies volgde. Na haar eindexamen in 1942 – de universiteiten waren door de bezetter gesloten – volgde zij een opleiding stenografie en typen. Neef Wally van Hall vroeg de zusters secretaressewerk te doen op een bijkantoor van de commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten. Drie dagen dacht Lies na. “Aan de andere kant leek ons het werk zinvol en een directe medewerking aan de bevrijding van ons land. Bovendien, als wij het niet deden, wie moesten het dan doen?”

Uit veiligheidsoverwegingen noemde Lies zichzelf voortaan Marion. Haar eigen achternaam was te herkenbaar. Op 30 november 1944, aan het eind van een lange dag, fietste zij over het Museumplein met een groene platte map vol vertrouwelijke papieren, waaronder een afschrift van een bedankbericht aan Londen voor het precisiebombardement op het SD-hoofdkwartier in de Euterpestraat. Ze zag medesecretaresse Rita met haar broer Jan en de verzetsman Arend. Ze stapte even af. Plotseling dook er een landwacht op. Arend rende weg en liet twee dikke archiefmappen achter. “Het had nu geen zin meer om te proberen ons eruit te kletsen,” schrijft Lies. “Het was voor ons een verloren zaak.”

Na verhoor op het landwachtbureau kwamen Jan, Rita en Lies ieder in een aparte cel. En dan, bij het horen van voetstappen in de gang: “Tot mijn grote schrik en ellende stonden ook mijn moeder, Madelien en Annemie daar in de gang. Ook zij waren opgepakt.” Roos en Sylvia waren ternauwernood ontkomen. Lopend werden de vrouwen door de donkere, verlaten straten van Amsterdam-Zuid naar het noodbureau van de SD gebracht. Het hoofdkwartier in de Euterpestraat lag in puin na het bombardement waarvoor Lies net een bedankbrief had meegedragen.

De gevangenis aan de Amstelveenseweg: de baksteen en de klok

Die nacht kwamen ze terecht in het Huis van Bewaring II aan de Amstelveenseweg,  dezelfde gevangenis waar later Hannie Schaft zou worden opgesloten. Het ritme van gevangenschap begon: een luikje voor het eten, een oog in de deur, dagelijks een halfuur luchten in een kooi van kippengaas, eindeloze leegte. De angst lag als een baksteen in Lies’ maag. “Ik ging ermee naar bed en stond er de volgende morgen weer mee op,” schrijft ze. De verhoren gingen over de groene map, de papieren, de namen.

Wat Lies toen niet wist, was dat Arend direct na zijn vlucht neef Wally van Hall had gewaarschuwd. Wally had een stille afspraak met een SD-officier: één keer zou die iets voor het verzet doen, nooit meer. Die ene keer was nu. Terwijl de SD-ers trappen op en af renden in opwinding die Lies niet begreep, verdwenen de archiefmappen uit de kamer van de verantwoordelijke officier. Zonder die documenten konden de verhoren nergens op uitlopen.

Toch werd Lies voor haar zwijgzaamheid gestraft met vijf dagen strafcel: betonnen muren, een metalen kooi, pikkedonker, water en brood. “In de kou moet je in beweging blijven,” schreef ze. Lopend heen en weer, een paar stappen voor en terug. En toen, onverwacht: een beeld dat van buiten in haar gedachten viel. “De wijzerplaat van een enorme klok, zo reusachtig dat deze tot in de hemel reikte. Onderaan hing een klein slingertje.” De klok was God. Het slingertje was zijzelf. “Daardoor kwam er rust in mijn hart. Op de één of andere manier zou ik er doorheen komen.”

Wees niet van tevoren bezorgd wat gij zeggen zult, maar zegt wat u in die ure gegeven wordt.

De woorden die Lies in haar cel hoorde, en die haar angst telkens braken.

Het Oranjehotel in Scheveningen: op de rand van deportatie

In februari 1945 werden de vrouwen overgebracht naar de beruchte gevangenis in Scheveningen, in de volksmond het ‘Oranjehotel’. Het had een deel van de winter leeggestaan en was ijskoud. Romé, Madelien en Lies kwamen samen in een kleine cel terecht, een opluchting na de eenzame maanden in Amsterdam. Annemie zat elders in het gebouw.

Al snel werd duidelijk dat transport naar Westerbork dreigde, en van daaruit naar een Duits concentratiekamp. Romé had opvallend wit haar, hoewel slechts 58 jaar oud. Lies besefte wat dat betekende: bij aankomst in een Duits kamp zou haar moeder regelrecht naar de gaskamer worden gestuurd. Ongeveer vijftig vrouwen stonden al opgesteld in de gang. “Transport! Duitsland,” dacht Lies. “Wat een ramp! Concentratiekamp!”

Toen: terugkeer naar de cellen. De geallieerden hadden de spoorlijn gebombardeerd. De trein kon niet rijden. “Merkwaardig om misschien wel je leven te danken te hebben aan een bombardement,” schreef Lies later. Dit was de tweede keer dat een bombardement haar lot keerde: de eerste keer leidde het naar haar arrestatie, nu redde het haar leven.

Bevrijding: mei 1945

Op zondagochtend 6 mei 1945 werden alle gevangenen vrijgelaten. Scheveningse vrouwen en kinderen stonden voor de poort, behangen met oranje. In een Rode Kruishuis hoorden de vrijgelatenen de toespraak van koningin Wilhelmina en zongen samen het Wilhelmus. Romé schreef diezelfde dag nog een brief aan haar schoonzuster Mia Boissevain: “Alles bloeide en geurde, en alles lag in een wonderbaar licht.”

Wij zijn 30 november meegenomen, Lies, Mia, Annemie en ik; eerst hebben we op den Amstelveenschen Weg gezeten. Toen moesten we op transport; we werden naar de Scheveningsche gevangenis gebracht, we stonden al op een rij in de gang, toen werd ’t transport afgelascht […] Zondagochtend 6 mei werden we allemaal vrijgelaten.

Brief van Romé Boissevain-Kalff aan Mia Boissevain, 12 mei 1945

Op de terugweg naar Amsterdam kregen de vier vrouwen een lift van een chauffeur van een autootje, die hen naar Amsterdam bracht. Lies, Mia en Romé werden afgezet bij het kantoor van de Binnenlandse Strijdkrachten, waar Roos werkzaam was. Roos hoorde het nieuws, sprong op haar fiets en holde de trappen op. “Zij zag ons daar staan, bleek en mager, en riep: ‘Maar lieverds, wat hebben zij met jullie gedaan!’”

Wat achterbleef

Niet iedereen had geluk gehad. Neef Wally van Hall, die in januari 1945 was opgepakt, werd gefusilleerd. Jan, de broer van Rita, was in Duitsland gestorven. Neef Jan Boissevain, overleefde Sachsenhausen niet. Annemies moeder Mies keerde pas later terug uit Ravensbrück. Het huis aan de Corellistraat was een lege huls. Het huis van Romé was door de Duitsers geplunderd. Dienstmeisje Sientje had in een stilmoment de juwelen van haar meesteres gered door ze in een sponzenzak te verbergen.

Jaren later, tijdens een gebed, kwamen de herinneringen aan de donkere strafcel plotseling terug. “De duisternis en de angst, tanden op elkaar, bidden, doorzetten.” En toen, schrijft Lies, voelde zij een aanraking: “De Heer sprak: Ik was bij je in die cel.” Die woorden doorbraken het gevoel van verlatenheid dat zij onwetend al die jaren had meegedragen. Twee rode letters in haar leven: de stem die haar in de strafcel leidde en het beeld van de klok die tot in de hemel reikte. Beide hadden haar gevangen gehouden én bevrijd.

De naam Boissevain was tot en met gehaat door de moffen, maar nooit zo erg als zij door ons.

Brief van Menso aan Mia Boissevain, via Emily, 10 mei 1945