Denken vanuit de burger

procession dansante d'Echternach 2006

In 1996 selecteerde een stuurgroep onder leiding van toenmalig staatssecretaris Jacob Kohnstamm vijftien pilotprojecten voor het programma Overheidsloket 2000. Hiermee werd het startsein gegeven voor een Elektronische Overheid met als centrale motto ‘Denken vanuit de burger’. Bij de veranderingen zou niet langer de eigen overheidsorganisatie centraal staan, maar de vraag van de burger. Er werd serieus werk gemaakt van modernisering van de overheidsdienstverlening. De e-overheid en de vorming van een front office stonden centraal.

Twintig jaar na de start van OL2000 wordt nog steeds gewerkt aan een betere dienstverlenende overheid. Afgelopen jaren zijn daarover veel plannen en rapporten verschenen (zie tijdlijn hieronder). Er zijn successen geboekt. Denk hierbij aan de vooraf ingevulde belastingaangifte, de bundeling van bedrijfsvoeringsfuncties binnen het Rijk en het BSN-nummer in de zorg. Het merendeel van de overheidsdiensten kan inmiddels digitaal worden afgenomen. Helaas ging er ook het nodige mis. Diverse projecten faalden vanwege een overmaat aan ambitie en onvoldoende sturing. Herhaaldelijk is daar onderzoek naar gedaan, met steeds dezelfde conclusies. Nog steeds is het onbekend hoeveel de overheid besteedt aan ICT. Laat staan hoeveel geld wordt verspild als gevolg van falende projecten.

Gebrek aan doorzettingsmacht en samenwerking breekt de overheid op bij grote veranderingen. Minister Plasterk schrijft deze maand dat het kabinet “doorgaat met het stapsgewijs ontwikkelen van het eID. Dat wordt een nieuwe standaard om burgers en bedrijven veilige en betrouwbare toegang te verlenen tot online dienstverlening van overheid en bedrijfsleven. Met pilots wordt het gebruik van zowel publieke als private inlogmiddelen beproefd.” Het gaat vooruit, maar nog steeds bijzonder traag met vallen en opstaan. Het heeft veel weg van de Processie van Echternach: drie stappen vooruit, gevolgd door twee stappen achteruit.

Burgers en ondernemers moeten in 2017 hun zaken veilig en makkelijk digitaal met de overheid kunnen afhandelen. Voormalig Rijks CIO Dion Kotteman benadrukt in dat verband dat de overheid moet denken vanuit de burger en niet vanuit eigen silo’s: “Daarbij hoort ook een discussie over taken en rolopvatting. We gaan naar standaardisatie, maar we komen van een situatie waar veel maatwerk was. Er is echt sprake van ‘work in progress’.”

1996 Overheidsloket 2000
Het motto van Overheidsloket 2000 (OL2000), het eerste programma van wat destijds nog niet de Elektronische Overheid heette, was ‘Denken en werken vanuit de burger’. Het wilde daarmee uitdrukken dat je bij veranderingen niet moet uitgaan van je eigen organisatie, maar vanuit de burger. Met Overheidsloket 2000 geeft de overheid het signaal dat men serieus werk wil maken van de dienstverlening. Met name de e-overheid en de vorming van een front office staan centraal. Vijftien proefprojecten worden geselecteerd voor het OL2000.
2003 Programma Andere Overheid
Het accent ligt op verbetering van de bedrijfsvoering en de back office. Het concept van basisregistraties wordt geïntroduceerd. Men heeft een overheid voor ogen die niet naar de bekende weg vraagt, klantgericht is, zich niet voor de gek laat houden, weet waar ze het over heeft, haar zaken op orde heeft en niet meer uitgeeft dan nodig is. Andere Overheid werkt aan een krachtige overheid, die de samenleving centraal stelt én slagvaardig is. Het programma omvat de thema’s: Betere dienstverlening, Minder bureaucratie en Slagvaardige organisatie. Bij alle thema’s is een Andere werkwijze van belang, zoals samenwerken en luisteren naar burgers. Bij de uitvoering van de rijkstaken zal meer en beter gebruik worden gemaakt van ICT.
2004 Op weg naar de elektronische overheid
  In 2007 kan 65% van de publieke dienstverlening via internet verlopen, is er sprake van eenmalige gegevensverstrekking en meervoudig gebruik en is er een elektronisch identificatiesysteem voor de verificatie van burgers en bedrijven.
2005 Publieke dienstverlening, professionele gemeenten
  VNG commissie gemeentelijke dienstverlening/commissie Jorritsma stelt dat gemeenten in 2015 dé poort tot publieke dienstverlening zijn.
Oktober 2005 P-direkt contract ontbonden
  Overheid betaalt aan IBM  een afkoopsom van 20.8 miljoen.
18 april 2006 Verklaring ‘Betere dienstverlening, minder administratieve lasten met de elektronische overheid’
  Stimulans voor de e-overheid: 12 bouwstenen en het programma i-teams om gemeenten bij de implementatie te ondersteunen.
2006 Forum Standaardisatie
  Het kabinet stelt het College en Forum Standaardisatie in ter bevordering van interoperabiliteit en het gebruik van open standaarden.
september 2006 Tussen het kastje en de muur
  PvdA Kamerleden Martijn van Dam en Anja Timmer schrijven: ‘Tussen het kastje en de muur’. ‘Ambtenaren saboteren ICT voor honderden miljoenen euro’s en pleidooi voor een verbod op overbodige formulieren.’
Juni 2007 Artikel Trouw
  Jaarlijks zou vier à vijf miljard euro – net zoveel als de hele Betuwelijn heeft gekost- aan ICT projecten werd verspild. Jan Friso Groote, hoogleraar computertechnologie in Eindhoven, zegt via verschillende berekeningen steeds op eenzelfde jaarlijkse miljardenstrop uit te komen. Chris Verhoef verklaart dat het cijfer nog weleens hoger zouden kunnen liggen: ‘Vijf jaar geleden is voor het ministerie van Vrom onderzoek gedaan naar automatisering bij de overheid. Volgens dat onderzoek kwam maar liefst de helft van alle projecten nooit tot voltooiing.’
25 september 2007 Programma vernieuwing Rijksdienst
Een rijksdienst die beter beleid maakt, minder verkokerd is, efficiënter werkt en in omvang kleiner is.
29 november 2007 Lessen uit ICT-projecten bij de overheid A
  De Algemene Rekenkamer constateert dat de overheid heeft de neiging ICT-projecten te complex te maken. De politieke besluitvorming speelt hierbij een rol. Door te hoge ambitie of aanvullende wensen van minister of Tweede Kamer neemt het risico op het mislukken van ICT-projecten toe. Referentie naar artikel in Trouw uit 2007: ‘wij plaatsen bij deze cijfers enkele kanttekeningen’.
2007 en 2008 Gemeente heeft Antwoord© en “Overheid heeft Antwoord©
  Gezamenlijke publicaties van de Vereniging Directeuren Publieksdiensten, Divosa, VNG, en ICTU programma’s Overheid heeft Antwoord en Egem. Hierin wordt de visie van een gemeentelijke front office in 2015 in 5 groeifasen en bouwstenen verder uitgewerkt.
27 januari 2008 Arda Gerkers (SP Tweede Kamerlid) opent een meldpunt ICT-verspilling
  Van de aanbesteding tot de inhuur van te veel externen: op alle vlakken gaat het mis met ICT-projecten bij de overheid. SP-rapport ‘ICT bij de overheid: wondermiddel of hoofdpijndossier?’
Juni 2008 UWV stopt bouw ICT-systeem voor WIA
  UWV besluit niet verder te gaan met de ontwikkeling van het iCT-systeem voor de WIA, opvolger van de WAO. Door een te hoog ambitieniveau wordt het project te complex en technisch en financieel onbeheersbaar.
1 juli 2008 Lessen uit ICT-projecten bij de overheid B
  De Algemene Rekenkamer constateert dat ICT-projecten van de overheid vaak te ambitieus en te complex worden door de combinatie van politieke, organisatorische en technische factoren. Bij deze te complexe projecten is er geen balans tussen ambitie, beschikbare mensen, middelen en tijd.
2008 NUP: Nationale UitvoeringsProgramma
  Door de veelheid en onoverzichtelijkheid van alle initiatieven dreigen de ontwikkelingen te verzanden. De commissie Postma/Wallage doet voorstellen voor meer focus en prioritering. Dit resulteert in een lijst van 19 bouwstenen, met name gericht op realisatie van de e-overheid. Belangrijke bouwstenen van e-overheid voor een geïntegreerde dienstverlening zijn: basisregistraties, eenduidige nummers voor personen en bedrijven, middelen voor identificatie, authenticatie en machtiging en de gemeenschappelijke voorzieningen voor gegevensuitwisseling.
2009 Eindverslag ICT-werkgroep Tweede Kamer
ICT-werkgroep onder leiding van SP-Kamerlid Arda Gerkens  brengt rapport uit met wat er fout ging en doet aanbevelingen. Het rapport bevat een handreiking voor de behandeling van ICT-projecten.
1 januari 2010 P-Direkt is live
Gefaseerde aansluiting op P-Direkt vanaf 2007. Zeven ministeries zijn aangesloten zijn op het totale dienstverleningspakket van P-Direkt. Het ministerie van AZ, BZK (inclusief Hoge Colleges van Staat), Justitie, LNV en VROM stappen over. De medewerkers van deze ministeries komen formeel bij P-Direkt werken. Sociale Zaken en OCW sluiten later aan.
22 februari 2010 Gatewayreview over het Nationaal Uitvoeringsprogramma
‘Gateway-review’ onder leiding van Docter van Leeuwen zet het sein op rood. NUP is te complex, te eenzijdig gericht op techniek en ontbeert een visie en ondersteuning van implementatie.
25 – 27 mei 2010 World Congress on IT en ‘Declaration of Amsterdam’
Tijdens dit wereld congres dat iedere twee jaar wordt georganiseerd, komen uit meer dan tachtig landen ruim tweeduizend captains of industry, regeringsleiders en wetenschappers bijeen. De deelnemers bespreken op wereldniveau de uiteenlopende toepassingsmogelijkheden van informatie- en communicatietechnologie. In de Declaration of Amsterdam staat dat de ICT-sector zich in gaat zetten om de economische groei te stimuleren. Ook moet ICT een rol spelen bij grote sociale uitdagingen zoals klimaatverandering, gezondheid en kwaliteit van leven.
2010 Dienstverlening: samen doen
Overheidsbrede visie op dienstverlening met zes ambities voor dienstverlening in 2020 moet voldoen: de vraag van burgers, bedrijven en instellingen staat centraal, opereren als één overheid.
14-2-2011 Uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst
Streven naar een “kleinere overheid” en een ombuiging van 6,14 miljard euro in 2015 en 6,56 miljard euro structureel. Het realiseren van deze ambitie vraagt om een compacte overheid. Dit raakt alle overheidslagen: rijk, provincies, gemeenten en waterschappen.
2-3-2011 WRR Rapport iOverheid
De alomtegenwoordige inzet van informatie- en communicatietechnologie (ict) door de overheid heeft ervoor gezorgd dat deze niet langer meer als een eOverheid, gericht op dienstverlening en gebruikmakend van techniek, kan worden gekarakteriseerd. In de dagelijkse praktijk is veeleer een iOverheid ontstaan, gekenmerkt door informatiestromen en -netwerken en gericht op niet alleen dienstverlening, maar ook controle en zorg. Deze iOverheid brengt vergaande veranderingen in de relatie tussen burgers en overheden met zich mee. Een iAutoriteit moet ervoor zorgen dat misrepresentaties van burgers in de backoffice en overige systemen daadwerkelijk worden gecorrigeerd. Stel een permanente commissie voor de iOverheid in die jaarlijks aan het parlement rapporteert over de ‘staat van informatie’.
Juni 2011 Waterschappen verbreken banden met Logica
Het ict-debacle bij de waterschappen staat niet op zichzelf. Ook bij uitkeringsorganisatie UWV zijn de kosten uit de hand gelopen. Een groot automatiseringsproject van Capgemini zou in 2004 maximaal 40 miljoen gaan kosten.
2 september 2011 DigiNotar Hack
Minister Donner zegt vertrouwen op in DigiNotar en kondigt maatregelen aan om de betrouwbaarheid van de overheidswebsites te waarborgen.
15-11-2011 I-strategie Rijk
Verbrokkelde ICT-infrastructuur van de rijksdienst meer een eenheid laten worden, en daarmee de kosten te drukken. Het aantal datacenters wordt teruggebracht, er wordt één ICT beveiligingsfunctie voor de rijksdienst ingericht en worden voorstellen ontwikkeld om de ontwikkeling en het gebruik van software te harmoniseren.
1-12-2011 VVD Kamerlid Brigitte van der Burg vraagt minister Donner om ‘Deltaplan ICT’
Drie belangrijke elementen voor een Deltaplan: simpelere regelgeving om de haalbaarheid van automatisering te verbeteren, een andere manier van selecteren en afrekenen met leveranciers dan het gebruikelijke uurtje-factuurtje, en opschoning van de databases van de overheid.
December 2011 Nederland Open in Verbinding gestopt
Het programmabureau Nederland Open in Verbinding heeft haar werkzaamheden eind 2011 beëindigd. De medewerkers zijn inmiddels werkzaam op andere projecten, zowel binnen als buiten ICTU.
1 Januari 2012 Oprichting Nationaal Cyber Security Centrum
Het NCSC bestaat uit een samenwerking van publieke en private organisaties die zich richt op een integrale aanpak van cyber security. Binnen het NCSC wordt tactische en operationele kennis en expertise uit de publieke en private sectoren bij elkaar gebracht. Op deze manier komt er meer inzicht in ontwikkelingen, dreigingen & trends en kan er meer ondersteuning worden gegeven bij incidentafhandeling en crisisbesluitvorming op het gebied van digitale veiligheid.
26 Januari 2012 Convenant Verbetering samenwerking tussen de rijksoverheid en het ICT-bedrijfsleven
Het programma Samenwerking Rijk en ICT-bedrijfsleven bestaat uit de volgende onderdelen: verbeteren van de samenwerking, Publiek-Private Samenwerking, Kwaliteit van ICT-projecten, Goed Aanbesteden en Talentbehoud en –ontwikkeling.
5 juli 2012 Opdracht parlementair onderzoek ICT-projecten bij de rijksoverheid
Het doel van het parlementaire onderzoek naar ICT-projecten bij de overheid is tweeledig: 1 Het in kaart brengen van de misgelopen maatschappelijke effecten (ten behoeve van de gebruiker) (inclusief maatschappelijke en financiële kosten) door het niet op orde hebben van informatieprocessen en -stromen van de overheid door middel van ICT(-projecten). 2 Duidelijk maken wat de prioritaire stappen zijn die een optimale inrichting van de informatieprocessen en -stromen van de overheid door middel van ICT(-projecten) teweeg kunnen brengen.
17 Januari 2013 Aleksandr Dolmatov pleegt zelfmoord in detentiecentrum
Door diverse organisaties in de vreemdelingenketen worden fouten gemaakt in deze zaak. Abusievelijk werd in het computersysteem INDiGO ingevoerd dat Dolmatov “verwijderbaar” (uitzetbaar uit Nederland) was. Volgens de Inspectie had de mensenrechtenactivist niet in vreemdelingenbewaring gezet mogen worden en kreeg hij niet de juiste rechtsbijstand.
22-5-2013 Hervormingsagenda Rijksdienst
De agenda beoogt: goede dienstverlening voor burgers, bedrijven en instellingen; grotere slagvaardigheid en vermindering van overbodige bureaucratie en vermindering kosten voor personeel en materieel van de rijksdienst.
23-5-2013 Programma Digitaal 2017
Bedrijven en burgers kunnen uiterlijk in 2017 zaken die ze met de overheid doen digitaal afhandelen. De digitale overheid is betrouwbaar, veilig en betaalbaar.
2013 Doorbraakprojecten met ICT
Disruptieve technologie vraagt om het doorbreken van belemmeringen. Het project Massaal Digitaal geeft een impuls aan de ontwikkeling van de digitale overheid en maakt  deel uit van het programma ‘doorbraakprojecten met ict’: Zorg & ICT, Onderwijs & ICT, Big Data, Open Data, Energie & ICT, MKB Inoveert, Ondernemingsdossier en Informatieplatformen.
1 mei 2014 De overheid verliest 4 à 5 miljard per jaar aan falende ICT-projecten
Falende ICT-projecten worden niet bijgehouden en daarom kun je ook niet precies weten hoeveel er aan wordt uitgegeven. We (nrc factcheck) beoordelen de uitspraak daarom als niet te checken.
15 oktober 2014 Naar grip op ICT – Parlementair onderzoek naar ICT-projecten bij de overheid
De tijdelijke commissie ICT-projecten bij de overheid onder leiding van Ton Elias biedt haar eindrapport aan Kamervoorzitter Van Miltenburg. Jaarlijks zou één tot vijf miljard euro aan ICT projecten werd verspild. Pleidooi voor oprichting van een tijdelijke ICT-autoriteit: het BIT (Bureau ICT-toetsing).
12 mei 2015 Digitale Agenda 2020
De VNG formuleert de ambitie voor de komende jaren onder het motto ‘wat samen kan ook samen doen’: Open en transparant in de participatiesamenleving, Werken als 1 efficiënte overheid, Massaal digitaal en maatwerk lokaal.
5 oktober 2015 Topsectoren: Meer innovatie, extra inzet op ICT
Om ICT en innovatie op verschillende terreinen verder aan te jagen wordt een consortium opgericht van bedrijven, kennisinstellingen en overheden dat zich richt op de toepassing van big data -de verzamelnaam voor grote hoeveelheid digitale informatie- op het gebied van energie, zorg, veiligheid en smart industry. Tevens wil het consortium meer ICT-specialisten opleiden op het gebied van cyber security en big data. Hierbij wordt samengewerkt met hogescholen en universiteiten.
9 Februari 2016 Start van pilots voor eID stelsel
Het kabinet gaat door met het stapsgewijs ontwikkelen van het eID Stelsel. Dat wordt een nieuwe standaard om burgers en bedrijven veilige en betrouwbare toegang te verlenen tot online dienstverlening van overheid en bedrijfsleven. Met pilots wordt het gebruik van zowel publieke als private inlogmiddelen beproefd.

Boy Boissevain: Europees ambtenaar en milieu-activist

oosterschelde

Stormvloedkering en overleg: er is niet met open vizier gestreden

De stormvloedkering Oosterschelde. Eduard Carel (Boy) Boissevain heeft er achteraf spijt van ooit met dit compromis tussen helemaal open en dicht te hebben ingestemd. Zijn voordeel van de twijfel is omgeslagen in: fout, een verkeerde beslissing. “Te duur en maar in beperkte mate voldoend aan de verwachtingen. En het is voor mij geen uitgemaakte zaak of de mossel- en oestercultures toch geen klap ondervinden. Dat komt dan hoofdzakelijk naar mijn mening doordat de stromingen verminderen en zich verplaatsen. Ons oorspronkelijke standpunt – dijkverhogingen – blijkt het beste. Goedkoper en er zouden meer natuurwaarden zijn gespaard”.

boyboissevain

Eduard Carel (Boy) Boissevain (1921-1989)

Boissevain – vandaag (8 augustus 1987) 66 jaar geworden – belandde in 1973 na een ambtelijke loopbaan bij het ministerie van landbouw en de Europese Economische Gemeenschap in Brussel (ontwikkelingssamenwerking) in Tholen. “Sinds hij afscheid nam als ambtenaar bij de E.E.G. in Brussel, ontwikkelde hij zich als een strijdbaar milieu-activist”, schreef NRC-Handelsblad over Boissevain in een artikel onder de kop ‘SOS heeft nog hoop voor Oosterschelde’. Zeeland kende hij oppervlakkig; de Oosterschelde door zeiltochten (met Sint-Annaland als thuishaven) goed. “Ik ben door die Oosterschelde gefascineerd geraakt. Ik heb op veel wateren in Nederland gezeild, maar de Oosterschelde vind ik boeiend en mooier dan de andere wateren. Interessanter wat natuur betreft en wat cultuurhistorie betreft. De getijdestromen zijn ook gedeeltelijk interessanter dan de Wadden. Ik ben gewoon gegrepen door de schoonheid van de Oosterschelde”. Geen wonder dat Boissevain zich ging verdiepen in de heisa die begin jaren zeventig over de Oosterschelde open/dicht op gang kwam. “Ik ben aanvankelijk een doodenkele keer naar een vergadering van actiegroepen gegaan. Daar heb ik me hogelijk verbaasd over de onvoorstelbare felheid. Die beschouw ik achteraf als noodzakelijk om de late start van de actiebeweging in te halen. Maar ik was dat felle niet gewend. Ik was ambtenaar geweest; dan probeer je de zaken te regelen. Het komt er niet op aan of ik gelijk heb, maar of ik gelijk krijg – dat was het uitgangspunt.

SOS

Op min of meer toevallige wijze belandde Boissevain op een vergadering van SOS, het comité samenwerking Oosterschelde. “Dat was opgericht door A/L.S. Lockefeer, de voorzitter van Zevibel. Er zaten meer van dergelijke grootheden in de club van mensen met heel verschillende achtergronden en opvattingen. Het enige wat ze bond was een open Oosterschelde. Op die vergadering zie iemand: er moet veel meer sturing in SOS gebracht worden, we werken allemaal langs elkaar heen en zo gaat het niet langer. Er werden twee namen genoemd voor het voorzitterschap. Die van Sicco Parma en die van mij. Dat was tot mijn grote verbazing. Ik heb de boot eerst afgehouden, maar de volgende vergadering werd ik toch op de voorzittersstoel gezet.

Het was inmiddels 1974. De discussie over de Oosterschelde ging naar een hoogtepunt. En Boy Boissevain werd geacht de activiteiten van de voorstanders van een open Oosterschelde te leiden. “Wist ik veel wat SOS betekende. Ik moest beginnen me te oriënteren op het hele vraagstuk. Met name de bestuurlijke kant: wie heeft ermee te maken, waar kan ik contacten leggen. Dat was moeizaam, om niet te zeggen: vijandig. Door de Zeeuwse overheden werden we verketterd. Dat vond ik erg raar, maar ik heb toen gezegd: dan leggen we contacten naar Den Haag toe. Het ministerie, de Tweede Kamer, de politieke partijen. Dat liep wél. Ik ben op een hoger niveau gaan zitten, óver de provincie heen. Ik stootte in Zeeland mijn neus en kon niet anders.

Boissevain zegt dat hij aanvankelijk weinig voelde voor het compromis van een stormvloedkering. “Maar we hadden ook geen gedegen antwoord erop. Ons rapport over dijkversterking is politiek onder tafel gewerkt, eigenlijk alleen op het punt van presentatie. Het compromis werd veroorzaakt door gebrek aan moed van politiek Den Haag. Er waren twee oplossingen: helemaal open of helemaal dicht. Voor beide oplossingen ontbrak de moed. We moesten als SOS een standpunt bepalen. Ik heb ervoor gepleit het compromis het voordeel van de twijfel te geven. Ik kreeg binnen SOS geweldig oppositie, ik moest het compromis er echt uitslepen. Ik zag geen heil in verdere polarisatie; dat zou onze positie alleen maar verzwakken.

De spijt van Boissevain kwam nog tijdens de bouw van de kering opzetten. “De partiële dijkversterkingen toonden aan dat dijkversterkingen toch tijdig en tegen verantwoorde kosten gerealiseerd konden worden. Inmiddels was ook nog gebleken dat een rapport van provinciale waterstaat tegen dijkverhoging nergens op sloeg. Dat rapport was eerst geheim gehouden, maar speelde wel een belangrijke rol in de besluitvorming. Ik heb geen bewondering voor de wijze van procederen van de voorstanders van afsluiting. Er is niet met open vizier gestreden.” Boissevain wijst erop dat de gang van zaken rond de zoetwatervoorziening van Schouwen-Duivenland hem opnieuw doet denken aan gemanipuleer á la Oosterschelde.

Hoe dan ook: de stormvloedkering ligt er; als het goed is voor zeker 200 jaar. Boissevain beseft dat terdege en hij vindt dan ook het beheer van kering en Oosterscheldegebied voor de toekomst uiterst belangrijk. “Die kering moet alleen dienen als noodrem. Verder moet men eens tien jaar met de vingers van de Oosterschelde afblijven. Die moet een evenwicht hervinden. Het moet niet zo zijn dat allerlei gemeentelijke en provinciale autoriteiten met hun stokpaarden aan de gang kunnen. Je hebt sneller iets verpest dan opgebouwd. Maar ik vrees hoor. Er is iets nieuws en dus de psychologische uitdaging: we moeten eraan knutselen. Er hoeft van mij geen actief beheer plaats te vinden. Voor mijn part is het zo passief als wat, als ze maar met hun poten van de Oosterschelde afblijven. Ik heb niet veel fiducie in een betere toekomst voor de Oosterschelde. Ik heb de indruk dat de recreatieve druk zó wordt gestimuleerd, dat de productieve betekenis van het gebied eronder zal lijden. Neeltje Jans ontwikkelen geeft niks, als de mensen maar op dat eiland blijven.

Afbouw

Het comité SOS – dat in 1976 de eerste Zeeuwse milieuprijs ontving – is formeel nooit opgeheven. Als het ernstig mis gaat, kan er altijd nieuw leven in worden geblazen. Niet meer door Boy Boissevain. Hij is aan het afbouwen. Het grote aantal functies in de natuur- en landschapsbescherming (en de politiek) dat Boissevain in korte tijd op zijn schouders gestapeld kreeg, verdwijnt. “Niet te veel stress meer”, merkt hij op. In het najaar neemt hij zodoende afscheid als voorzitter van het Delta-overleg: platform van milieu-organisaties uit Zeeland, Zuid Holland en Noords Brabant. Senator mr J.P. Boersma volgt hem op. Boissevain gaf tien jaar leiding aan het Delta-overleg en hielp het mee op te richten.

“Een nuttige club. Voordat het tot stand kwam zaten de provinciale organisaties binnen de eigen grenzen te opereren. Dat was trouwens ook het geval op bestuurlijk gebied. Het gaf wrijvingen. Was bijvoorbeeld de Dammenroute aan de orde, dan zei Zeeland: over mijn lijk, laat ze de Zoomweg maar aanleggen. Brabant zei dan: dat nooit. Zo kun je niet bezig zijn. Dan beslist Den Haag zonder je. Het heeft wel lang geduurd voor het Delta-overleg op gang kwam. We hebben ‘De Delta Waarheen’ gemaakt. Dat zie ik als een soort geloofsbelijdenis”. Boissevain onderstreept dat met elkaar in gesprek blijven de basis vormt van het Delta-overleg. In zijn functie als voorzitter ziet hij een parallel met die bij het comité SOS: “Coördineren; proberen standpunten met elkaar in overeenstemming te brengen”.

Rinus Antonisse, de Provinciale Zeeuwse Courant

8 augustus 1987

Mies Boissevain-van Lennep: Amsterdamse verzetsstrijder

Adrienne Minette (Mies) Boissevain-van Lennep (1896-1965)

Mies (Adrienne Minette) Boissevain-van Lennep (1896-1965) was zeer actief in de jaren dertig, zwaar beproefd in de 2e Wereldoorlog en daarna opnieuw vol bruisende energie. Levenslust, humor en snedigheid behoorden tot haar karakteristieken. Met het motto ‘Gezondheid + Schoonheid = Levenslust’ exploiteerde zij hoog boven in het grote grachtenhuis in Amsterdam waar Jan en Mies met hun 5 kinderen tot 1939 woonden een beauty parlour. Voor de vrouwen die zich daar door haar lieten behandelen was 4 trappen beklimmen kennelijk geen bezwaar! In diezelfde periode was zij politiek actief in de vrouwenbeweging. Samen met enkele andere vrouwen richtte zij een Jongeren Werk Comité in de Vereniging voor Vrouwenbelangen op om deze laatste nieuw leven in te blazen. Mies trok daarbij de aandacht met haar berijmde toespraken op bijeenkomsten en vooral met haar geregeld in het weekblad De Groene Amsterdammer gepubliceerde limericks waarin zij zich op geestige en rake wijze verzette tegen onrecht. Befaamd werd haar actie tegen een voorstel van de katholieke minister Romme om vrouwenarbeid als zijnde ‘onnatuurlijk’ en onwenselijk wegens de grote werkloosheid te verbieden.

De 2e wereldoorlog begon zijn schaduwen vooruit te werpen. Mies raakte betrokken bij de opvang van joodse vluchtelingen uit nazi-Duitsland en zelfs nog in de oorlog bij het in veiligheid brengen van joodse kinderen. De oorlog bracht diepe ellende: haar 2 oudste zonen Janka en Gi werden in 1943 door de nazibeulen gefusilleerd, haar echtgenoot Jan bracht meer dan 3 jaar in diverse concentratiekampen door (Amersfoort, Vught en Sachsenhausen) en overleed in Buchenwald, haar 3e zoon Frans overleefde de concentratiekampen Vught en Dachau. Zelf overleefde zij de kampen Vught en, zij het ternauwernood, Ravensbrück waar zij driemaal van de gaskamers werd gered. Echtgenoot Jan was al in 1941 gearresteerd wegens het zaken doen met een joodse relatie, na enkele weken vrijgelaten, maar kort daarna opnieuw opgepakt. Het huis waarheen de familie eind 1939 was verhuisd werd geleidelijk een belangrijk centrum van verzets- en sabotage activiteiten: onderduikadressen voor joden en anderen werden geregeld, voor vermommin­gen en valse identiteitsbewijzen werd gezorgd en bomaanslagen en andere verzetsactiviteiten werden er voorbereid. De kelder van het huis was een arsenaal van wapens en explosieven. Vele jaren na de oorlog, in 1962, vond een loodgieter er bij toeval en tot zijn grote schrik in een buis nog genoeg springstoffen om heel Amsterdam mee op te blazen! Janka en Gi waren hier tezamen met andere verzetsmensen, als groep bekend onder de naam CS-6, nauw bij betrokken. De oorsprong van deze codenaam is overigens onzeker. Veelal denkt men dat deze is ontleend aan het huis (Corelli Straat 6), maar volgens andere bronnen was er sprake van afdeling 6 van een internationaal opererende verzetsorganisatie Centre de Sabotage.

Robert Lucas Boissevain (1895 – 1945)

In augustus 1943 sloeg de Sicherheitsdienst toe: Mies en haar 3 zonen (de 2 dochters waren gelukkig niet thuis) en nog 70 anderen werden gearresteerd. Op 1 oktober werden Janka, Gi, achterneef Louis en nog 16 andere tot de groep behorende verzetsmensen in de duinen bij Overveen gefusilleerd. De nacht tevoren had Janka in een der muren van zijn gevangeniscel nog onze familiespreuk gekrast: ‘Ni regret du passé, ni peur de l’avenir’! Mies en zoon Frans belandden in concentratiekamp Vught, waar Mies te werk werd gesteld in het ‘ziekenhuis’. Als ‘Zuster Mammie’ werd zij bekend bij vele gevangenen die zij er heeft kunnen helpen. Onder hen ook haar echtgenoot Jan die zij 1 jaar niet meer had gezien en Robert Lucas Boissevain die na folteringen en 9 maanden eenzame opsluiting in Scheveningen in slechte conditie in Vught arriveerde. In september 1944 werd het kamp ontruimd. Mies werd overgebracht naar Ravensbrück, een vernietingskamp waar de mensonterende omstandigheden nog honderd keer erger waren. Ook daar verzorgde zij zieken maar doorstond ook zelf zware ziekten.

Eind april 1945 werd zij, doodziek en nog slechts 33 kg. wegend, met een ziekentransport van het Rode Kruis naar Zweden gebracht. Enkele maanden later kwam ze terug in Nederland, fysiek weer wat bijgespijkerd en 20 kg aangekomen, maar bovenal mentaal ongebroken en weer vol sprankelende energie en snedige humor. Natuurlijk hadden de kampperiode en de doorstane beproevingen hun sporen nagelaten, maar ook in positieve zin. Zo had zij de waarde van solidariteit onder de kampvrouwen ervaren. Zij trachtte hieraan op verschillende en originele wijze vorm te geven, zij het niet steeds met blijvend succes. Ze vond dat er meer specifiek vrouwelijke invloed in het openbare leven nodig was. Met alleen vrouwelijke inbreng in de traditionele politieke partijen zou dat niet te verwezenlijken zijn en daarom richtte zij een vrouwenpartij op ‘Praktisch Beleid’, gebaseerd op eensgezindheid tussen alle lagen in de samenleving. Voor de publiciteit maakte zij ook nu weer gebruik van snedige limericks. De meeste kiezers vonden de ideële gedachte echter te vaag en de verkiezingen eindigden in een fiasco.

Nationale Feestrok

Eveneens uit de ervaring van eenheid op een ondergrond van (vrouwelijke) verscheidenheid sproot haar idee van de ‘Nationale Feestrok‘ voort. Tijdens haar gevangenschap had Mammie Mies een dasje toegestuurd gekregen gemaakt van lapjes, kledingstukken van familieleden en vrienden, waarmee speciale herinneringen boven kwamen. Het zou aardig zijn als iedere vrouw een kleurige rok zou dragen, gemaakt van allerlei lapjes met een emotionele lading en al dan niet geborduurd met namen en/of data. Iedere vrouw zou dan een unieke rok – een typisch vrouwelijk kledingstuk – hebben, die toch ook eenheid in verscheidenheid zou symboliseren. De rok zou vooral op nationale feestdagen moeten worden gedragen. Er werd zelfs een feestrok-lied geschreven. Om de rok te promoten reisde Mies niet alleen heel Nederland door, maar ging ook naar de Verenigde Staten. In de Amerikaanse pers verschenen zelfs enthousiaste artikelen. Na enkele jaren was de hele gedachte echter weer vergeten.

Robert Lucas (Bob) Boissevain

iOverheid kent geen grenzen

ioverheid_figuur

Het iBestuur congres had dit jaar het ambitieuze thema ‘iOntwerp voor een slimmer Nederland’. Minister Plasterk opende het congres. Voordat hij het spiekbriefje uit zijn zak toverde om de digitale wapenfeiten van de overheid op te sommen moest hem nog iets van het hart. Was het nou EE-Overheid of IE-Overheid? Of misschien in het Engels AAI-Overheid? Verwarrend is dat wel. Waar komt die ‘i’ eigenlijk vandaan?

Vijf jaar geleden schreef de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR)  het rapport ‘iOverheid’. De Raad verlegt daarin de blik van de applicaties die de overheid ontwikkelt naar de informatiestromen. Die informatiestromen banen zich een weg binnen en tussen de verschillende overheden, over de grenzen van de beleidsterreinen heen en over de grenzen van publieke en private organisaties. Dat is de wereld van de informatie-overheid, die vergaande veranderingen in de relatie tussen overheden en burgers met zich meebrengen. Daardoor nemen ook de kwetsbaarheden toe, zowel voor de burgers als voor de overheid zelf.

“Op gebieden als veiligheid en zorg worden systemen ingezet en gekoppeld om de toekomst in kaart te brengen en daarop alvast te anticiperen. Zo moet de Verwijsindex Risicojongeren ‘een nieuw Maasmeisje’ voorkomen, dienen Europese migratiedatabanken te garanderen dat zich geen nieuwe illegalen in Nederland vestigen en zijn opsporingsdatabanken en grensoverschrijdend uitgewisselde passagiers- en bankgegevens er om de wereld te vrijwaren van een nieuwe terroristische aanslag.” schrijft Raad in haar rapport. “Wie er van overtuigd is dat de inzet van technologie alleen maar van invloed is op vooropgestelde doelen als het verhogen van efficiëntie en het verbeteren van de veiligheid, heeft weinig oog voor, minder wenselijke, bijeffecten.” Omdat initiatieven ad hoc worden genomen ontbreekt regie en is de ontwikkeling van de ‘iOverheid’ onbegrensd.

De onderzoekers van de WRR wijzen op de gevaren, die onschuldige burgers diep kunnen raken. Als voorbeeld wordt de zaak-Kowsoleea genoemd. Als onschuldige burger werd Ron Kowsoleea dertien jaar lang verward met een gevaarlijke drugscrimineel, nadat hij het slachtoffer was geworden van identiteitsfraude. Zijn gegevens waren overal opgeslagen en die bleken moeilijk te corrigeren. Daardoor kreeg hij ten onterechte een strafblad. Hij werd hij geregistreerd als ongewenst vreemdeling en ondervond problemen met reizen vanaf Schiphol. Voor het oog van zijn kinderen werd hij met veel machtsvertoon gearresteerd. De Nationale Ombudsman oordeelde vernietigend over het onvermogen van de overheid om de gegevens te corrigeren.

Het onbeperkt vasthouden en koppelen van informatie heeft zijn schaduwkanten. Burgers kunnen zich daardoor moeilijk aan hun eigen verleden onttrekken. Aglaia Bouma gebruikt dit thema in haar roman ‘Niets te verbergen’. Hoofdpersoon van het boek is prostituee Maud. Zij probeert te overleven in een Nederland van de nabije toekomst waarbij alle persoonlijke gegevens zijn opgeslagen in een zogenaamd ‘Elektronisch Burgerdossier’. Maud heeft daar geen problemen mee. Zij heeft immers niets te verbergen en dus ook niets te vrezen. Zij doet achteloos afstand van haar privacy in ruil voor meer gemak en veiligheid. Maud belandt uiteindelijk in een nachtmerrie waarin de registraties zich tegen haar keren. Een wereld van ongebreidelde informatievergaring maakt uiteindelijk van iedereen een verdachte.

De WRR adviseerde het kabinet een ‘iAutoriteit’ in te stellen. Deze organisatie met vergaande bevoegdheden zou burgers, die verstrikt zijn geraakt in de digitale informatiehuishouding van de overheid, bij moeten staan. Daarnaast zou een ‘Permanente Commissie voor de iOverheid’ het parlement jaarlijks moeten rapporteren en adviseren over de ontwikkeling van de ‘vernetwerkte overheid’. Tegelijk zou een iPlatform burgers inzicht moeten verschaffen over de informatie die de overheid over hen verzamelt, wie daar toegang toe krijgen en waarvoor. Het WRR-rapport werd alom geprezen. Raadslid Corien Prins werd in 2011, vanwege haar bijdrage aan het rapport, onderscheiden met de ICT Personality Award. De iAutoriteit, de Permanente Commissie voor de iOverheid en het iPlatform kwamen er niet. Ondertussen blijft de wereld van verbonden systemen en informatieprocessen groeien. Het WRR-rapport ligt nu te verstoffen in een bureaula. Wat bleef is de ‘i’ in iOverheid. Het is de erfenis van een gedegen visie op een digitaliserende overheid.

Disruptieve overheid

disruptie

In de digitale economie is de klant bepalend. Bedrijven en instellingen die hun klanten het best begrijpen en daar snel op inspelen zijn de winnaars. Het denken vanuit de klant leidt tot disruptieve bedrijfsmodellen. Bekende voorbeelden daarvan zijn:

  • Über: het grootste taxibedrijf ter wereld dat geen taxi’s bezit
  • Airbnb: de grootste vakantiehuisvestingaanbieder dat geen vastgoed bezit
  • WhatsApp en WeChat: grote telecomaanbieders die geen infrastructuur hebben
  • Alibaba: de kapitaalkrachtigste verkoper die geen inventaris heeft
  • Facebook: het populairste mediaplatform dat zelf geen content maakt
  • SocietyOne: de snelst groeiende bank die geen geld heeft
  • Netflix: het grootste filmhuis dat geen bioscoop bezit
  • Apple en Google: de grootste softwareleveranciers die zelf geen apps ontwikkelen

Het belangrijkste kenmerk van deze bedrijven is dat ze volledig datagedreven zijn. Het zijn de gebruikers die de waarde toevoegen in het netwerk, bijvoorbeeld door content, goederen of huis te delen. De bedrijven werken als een platform met data als belangrijkste kapitaal. Op basis van data wordt steeds verfijnder gepersonaliseerde dienstverlening geboden.

Gevestigde bedrijven, zoals banken, taxibedrijven, hotelketens, warenhuizen, dreigen te worden ingehaald door disruptieve nieuwkomers. Digitale transformatie is essentieel om te kunnen overleven in de digitale economie. De sleutel van het succes ligt bij het centraal stellen van de klant. Die wil goede service en zijn zaken snel via zijn mobiel kunnen afhandelen. Annet Aris, docent digitale strategie aan de Franse businessschool Insead, noemt in het FD de volgende drie factoren waarop bedrijven en instellingen worden beoordeeld: transparantie, efficiency en keuzevrijheid. In het FD zijn negen sectoren gescoord op een zogenaamde disruptiemeter.

Het is niet verrassend dat de overheid slecht scoort op alle drie de factoren. Dit oordeel wordt bevestigd FD-lezers. De reacties zijn unaniem negatief over de overheidsdiensten: Ze hebben niet het gevoel dat de overheid luistert, of weet wat de burger wil. ‘We betalen ons suf en de service is slecht’, schrijft een ontevreden lezer. Maar ach, wat verwachten we ook van een monopolist, stelt een ander. ‘De overheid is een grote eenheidsworst.’

Mensen verwachten van de overheid een dienstverlening die vergelijkbaar is met die van commerciële dienstverleners. Die verwachting kan de overheid niet waarmaken. Digitale transformatie vereist ontkokering van de organisatie, samenwerking en gerichte investering. Op die punten laat de overheid het afweten. De interne organisatie wordt vooralsnog niet gewijzigd en het geld ontbreekt om een toekomstvaste digitale infrastructuur te implementeren. De technologische ontwikkelingen gaan snel, in een tempo dat de overheid nu niet kan bijhouden.

De overheid wacht nu de zware taak zichzelf te transformeren tot een netwerkoverheid in de netwerksamenleving. Grenzen tussen publieke en private organisaties zullen verdergaand vervagen. Met een grote verzameling registraties zit onze overheid op goud. Overheidsorganisaties zoals RDW, KNMI, CBS, RIVM en Kadaster beheren en ontsluiten de data. Dit blijft een kerntaak van de overheid. Data van KNMI en RDW wordt nu al gebruikt voor hoogwaardige dienstverlening door derden. Die lijn kan de overheid doortrekken door de dienstverlening die nu nog door de overheid wordt uitgevoerd over te laten aan private dienstverleners. Daardoor ontstaat meer  marktwerking. Voor klanten  biedt dat het perspectief van een verbetering van transparantie, efficiency en keuzevrijheid.

Van Caroline Boissevain naar Daniël en terug

Amsterdam

Amsterdam is naast een tolerante stad tussen 1700 en 1850 ook een stad met economische aantrekkingskracht. Dit is ongetwijfeld de reden geweest dat de uit Frankrijk afkomstige familie Boissevain zich daar vestigt. In de negentiende eeuw heeft onze familie zij zich daar op economisch en maatschappelijk gebied verder ontwikkeld. Hier volgt een wandeling door Amsterdam langs de verschillende huizen waar de Boissevains hebben gewoond en gewerkt.

We beginnen bij de Ronde Lutherse Kerk aan het Singel, vlakbij de brug naar de Haarlem­merstraat (als je van het station komt moet je een beetje rechts aanhouden). Ga in gedachten terug naar de eerste helft van de negentiende eeuw. De kerk staat in brand! Het is één grote vuurzee. De paarden met de brandspuiten denderen langs. Sommige pakhuizen beginnen ook al vlam te vatten. De 23-jarige Caroline wordt bang. Ze woont daar in de buurt en is sinds een paar jaar getrouwd met Willem de Clerq, die later beroemd wordt als letterkundige, improvisator en zakenman. Ze is alleen thuis en vlucht. Vlug haar mooie hoed met een grote veer opgezet en daar gaat ze, door een regen van vonken, naar haar vader Daniël. Wij gaan haar achterna. Ze is misschien over de brug naar de Haarlemmerstraat gerend, over de brug naar links en dan de Brouwersgracht op. Het Melkmeisjesbruggetje gaan we voorbij, de volgende brug nemen we naar links en we zijn we op de Herengracht aan de even kant. Kijk even om je heen, dit is één van de mooiste plekjes van Amsterdam. Een paar jaar later was ze zeker het pand no. 40 binnengegaan, want daar werkte haar man als directeur van de Nederlandsche Handel Maatschappij, maar zover is het tijdens de brand nog niet. Caroline en wij lopen dus door.

Bij het huis no. 60 staan we even stil. In dit huis woonde later vader Daniël aan het einde van zijn leven. Ook zijn firma Boissevain & Co. was daar toen gevestigd. Tijdens de Franse overheersing is het een internationale handelszaak in granen, Duits linnen, Franse wijnen en voor zover aanwezig in koloniale waren en Engelse geweven stoffen. Vanaf 1820 komt de nadruk op de scheepvaart te liggen. Boissevain & Co. groeit uit tot een rederij met zeven schepen, die vooral op Indië varen.

Herengracht 60

Boven de deur van no. 60 zie je een bas-reliëf met een afbeelding van Lodewijk XIII, koning van Frankrijk. Dat is er natuurlijk niet door Daniël geplaatst maar door een vorige bewoner. Het pand is trouwens geen eigendom van Daniël, hij heeft het in huur. Het is veel groter dan je zou verwachten, want het loopt aan de achterkant achter het buurpand om en heeft aan de tuinkant een zaal van vijf ramen breed. Dit huis gaat na het overlijden van Daniël over op zijn zoon en opvolger in de firma Gédéon Jérémie. Hij maakt de rederij groot, ondanks moeilijke politieke omstandigheden. In dit huis ontvangt hij toonaangevende Amsterdamse families, maar ook de kapiteins van zijn zeilschepen. Zie zo’n zeebonk staan, net terug van de vaart op Indië. Hij komt verslag uitbrengen en hij heeft zijn ringbaard voor de gelegenheid keurig gekamd.

Maar Caroline is doorgelopen, immers in dit huis woonde toen nog geen familie. Wij komen langs het aardige huis 102 waar de in 1841 geboren Edouard een tijd gewoond heeft en even verder langs het fraai gerestaureerde huis 112 waar Guillaume, de jongste broer van Caroline, woonde. Hij was de enige van de zes broers, die geen eigen zaak had. Wij komen alle broers in dit verhaal tegen: Gédéon Jérémie, Daniël II (de II ter onderscheiding van zijn vader Daniël), Charles Faber, Eduard Constatin, Henri Jean Arnaud en Guillaume.

We gaan verder, eerst langs het foeilelijke pand 124, dat in de plaats is gekomen van het mooie grachtenhuis waar Gédéon Jérémie zijn laatste jaren heeft gesleten. Nu gaan we langs de Leliegracht en komen bij Herengracht 168, thans het Theatermuseum. Aan het einde van de vorige eeuw woont daar Mijnhart, zoon van Daniël II en bankier in ruste vanaf zijn veertigste jaar. Zoals verschillende andere Boissevains in die tijd woont hij alleen ’s winters in Amsterdam, ’s zomers woont hij buiten. Het huis is gebouwd door de beroemde 17de-eeuwse architect Vingboons. Kijk even hoe schitterend het ligt in de bocht van de Herengracht. De voordeur staat open. Zie de binnenkant van de deur: een kunstwerk van wit en koper.

Herengracht 168

Aan de overkant stonden toen natuurlijk niet de lelijke kantoren van nu, maar grachtenhuizen. In één van die huizen ging de firma Boissevain & Kooy, ook een rederij en handelszaak, van Charles Faber van start. Deze jongere broer van Gédéon Jérémie was getrouwd met Hester Kooy. Haar vader had in het huwelijk toegestemd op voorwaarde dat Charles het schip in de firma zou inbrengen, dat juist voor de firma Boissevain & Co. was gebouwd. Aldus geschiedde, maar wel met enig hartzeer bij Gédéon Jérémie!

Wij steken de Raadhuisstraat over en vervolgen onze weg langs de Herengracht. Wij kijken naar de overkant. Daar bevindt zich het grote pand 237-239 (acht ramen breed) dat momenteel leeg staat. Vanaf 1886 is de firma van Adolphe Boissevain er gevestigd. Adolphe (ook een zoon van Daniël II) was een groot bankier, hij is de naamgever van het stadje Boissevain in Canada. De geschiedenis daarvan is, dat de spoorwegmaatschappij Canadian Pacific haar spoorlijn van oost naar west weer een stukje verder naar het westen wilde uitbreiden. Adolphe heeft samen met twee anderen voor de financiën gezorgd.

Herengracht 237-239

Uit dankbaarheid zijn toen de drie volgende haltes naar de drie bankiers vernoemd: Boissevain, Pierson en Tegelberg. De firma van Adolphe is uitgegroeid tot het bankiers­huis Pierson en als ik mij goed herinner was Pierson tot voor kort nog in het pand gevestigd. Adolphe woonde later op Prins Hendriksoord in de Lage Vuursche. Van hem gaat het verhaal, dat hij, toen de automobiel zijn entree in Neder­land maakte, al zijn twaalf rijtuigen en karossen verving door twaalf auto’s. Een mens moet met zijn tijd meegaan, nietwaar.

Wij wandelen weer verder. Op nummers 316, 320 en 324 hebben ook Boissevains gewoond, voor kortere tijd. Het was toen heel gewoon om te verhuizen, maar in de vorige eeuw bleven onze voorouders dezelfde omgeving trouw.

Kijk, daar in de verte zien we Caroline op de stoep van het huis van haar vader staan. Ze ziet er wat verfomfaaid uit, de veer op haar hoed is half verbrand! Het is het huis no. 370 even voorbij de Huidenstraat. Het maakt deel uit van de “Cromhouthuizen” die door de architect Vingboons gebouwd zijn. Het is een groot huis, de tuin loopt door tot op de Keizersgracht waar Daniël’s magazijn lag. Eerlijk gezegd ben ik een beetje aan het smokkelen want hij was al verhuisd naar Herengracht 184 voordat Caroline voor de brand vluchtte, maar dit huis bestaat niet meer – vergeef het me dus maar. Toen hij verhuisde gingen mee: “1 schuit met Koopmansgoederen en 1 dito met gladde Goed”, want ook een firma was aan zijn huis gevestigd.

Wij komen nu aan het pronkstuk van de Boissevain woningen: no. 386, ook in een bocht van de Herengracht, een breed, monumentaal huis. Hier woonde Jan Boissevain, zoon van Gédéon Jérémie en de medefir­mant in de rederij en de handelsfirma Boissevain & Co. Maar de rederij bezat alleen zeilschepen en vooral toen het Suezkanaal was gegraven waar slechts stoomschepen doorheen mochten had de zeilvaart het moeilijk. Jan heeft dit ingezien, heeft de zeilschepen verkocht en de handelszaken beëindigd.

herengracht386-phv

Hij heeft een leidende rol gespeeld bij de oprichting van de Stoomvaart Mij in Nederland, waarbij hij met een enorm doorzettingsvermogen en grote overredings­kracht de ernstige aanloopmoeilijkheden heeft weten te overwinnen. Hij had ook ingezien dat de tijd van de kleine rederijen voorbij was. Een belangrijk man! Wij lopen nu niet door naar de Leidsestraat maar we gaan rechtsaf de Leidsegracht op en dan naar Keizersgracht 482. Hier woonde Gideon, ook een zoon van Daniël II, in die dagen een bekende econoom en oprichter van de Kas-Vereniging, welke bank nu Kasassociatie heet. Hij was ook betrokken bij de Banque de Paris et des Pays Bas.

Wij komen langs het aardige Molenpad. Aan de overkant woonde het echtpaar Gildemeester-Boissevain, een zusje van onze Caroline. Even verderop aan de oneven kant van de Keizersgracht, op no. 321, woonde Walrave, wethouder van Amsterdam, maar dat was al in de twintigste eeuw.

Keizersgracht 321

Op no. 221 bevond zich de firma Gebrs. Boissevain, commissionairs in effecten, opgericht door twee jongere broers van Caroline en van Gédéon Jérémie: Daniël II en Eduard Constatin. Deze tweede Daniël voelde zich op den duur meer aangetrokken tot de verzekeringswereld.

Op dit terrein was ook zijn jongere broer Henri Jean werkzaam onder de firma H.J.A. Boissevain en Zoon, assurantiebezorgers. Hij en zij firma waren gevestigd op no. 143. Later was het eigendom van zijn zoon Prof. Ursul Boissevain, hoogleraar in de oude Geschiedenis en Romeinse Antiquiteiten in Groningen. Het huis is tot 1930 in de familie gebleven. Een mooi gobelin behang uit dit huis hangt nu in het Haags Gemeentemuseum.

Aan het eind van onze wandeling staan we even stil bij no. 133 waar Gebrs. Boissevain ook een tijd gevestigd was. Eduard Constatin woonde boven en onder de zaak, met dien verstande dat het personeel op het souterrain huisde. ’s Zomers woonde hij in Hilversum. Ook zijn zoon Willem woonde aldus. Het betekende dat er twee maal per jaar verhuisd werd. De familie reisde met de trein. Het personeel vervoerde de bagage, waaronder de serviezen en het tafelzilver, met de trekschuit. Als je dan bedenkt dat Willem twaalf kinderen had en dat er altijd wel een nurse en een nanny waren, dan betekende het een aardige kleine volksverhuizing.

We eindigen bij het Huis met de Hoofden, no. 123. Dit is geen Boissevain huis, maar hier was de Openbare Handelsschool gevestigd, dé opleiding voor jonge Bois­sevains die voor het bedrijfsleven voorbestemd waren, tot in het begin van deze eeuw. Dat het niet zo’n slechte opleiding was, is denk ik duidelijk geworden. Hier nemen we afscheid.

Auteur: Ernst G. Boissevain (geschreven in 1993)

Zie ook: Publicatie  Stamboom van de familie Boissevain

Ambtenaar staat nog centraal

35664_ambteleuk

Uiterlijk in 2017 kunnen we alle zaken met de overheid digitaal afhandelen. Op ieder gewenst tijdstip kunnen we dan vanaf de bank een vergunning aanvragen of vanuit het ziekenhuis via een app geboorteaangifte doen. Het maakt niet meer uit bij welke overheidsorganisatie je aanklopt, want de overheid belooft integrale dienstverlening. Dat is de ambitie van het programma Digitaal 2017. 66 procent van de ‘volumediensten’ is inmiddels digitaal. Minister Ronald Plasterk toonde zich ‘als minister verantwoordelijk voor de digitale overheid’ tijdens het overheidscongres tevreden over de geboekte voortgang. Dat is mooi, maar belangrijker is dat de overheidsklanten ook tevreden zijn.

Tijdens hetzelfde congres citeerde een bankier uit een brief die hij had ontvangen van de Belastingdienst. De brief was een antwoord op een verzoek voor kinderopvangtoeslag die hij vijf maanden eerder had gestuurd. ‘Geachte heer/mevrouw’ is de aanhef van de ambtelijke brief. Belastingdienst/Toeslagen deelt mee de aanvraag nog niet te kunnen afhandelen omdat gegevens ontbreken. Welke gegevens dit betreft wordt niet vermeld. De brief zegt meer over het proces dat de ambtenaar doorloopt dan over de situatie van de klant. Voor dienstverleners die de klant centraal willen zetten is dit een schoolvoorbeeld hoe het niet moet.

Overheidsorganisaties kunnen veel leren van digitalisering die zich in de bankensector voltrekt. Banken spelen in op de trend om via meerdere kanalen op consistente wijze te communiceren. Zij stellen de klantbeleving centraal. Mensen verwachten van de overheid een vergelijkbare dienstverlening. Net als bij de overheid hebben banken de uitdaging om de klantgegevens in verspreide IT-systemen te gebruiken in het contact met klanten. ‘De klant centraal’ gaat verder dan bestaande processen digitaliseren. Het gevaar is dat je historisch gegroeide manuele processen digitaliseert, terwijl je met digitalisering juist heel veel nieuwe mogelijkheden (zoals gepersonaliseerde dienstverlening) hebt.

De Belastingdienst doet nu de blauwe enveloppe in de ban. De ambtelijke brieven worden in de toekomst bezorgd in een digitale berichtenbox. Hierdoor wordt  een overheidsbesparing op print- en portokosten gerealiseerd. Voor de briefontvangers biedt het weinig meerwaarde. Het is automatisering van de bestaande bureaucratie. Digicommissaris Bas Eenhoorn is kritisch over de digitale vernieuwing binnen de overheid. “We moeten ons meer afvragen waarom we het nog op de oude manier doen” zegt hij in het Financieele Dagblad. De berichtenbox noemt hij als voorbeeld van wat er bij de digitale vernieuwing van de overheid niet goed gaat: “Steeds meer zien we dat de berichtenbox niet voldoet. Burgers kunnen niet terugmailen, mobiel gebruik is beperkt en er moet steeds opnieuw worden ingelogd met DigiD.”

De overheid beschikt over een grote hoeveelheid persoonlijke data. Met de vooringevulde aangifte laat de Belastingdienst zien dat ontsluiting van persoonlijke data veel gemak kan bieden aan belastingbetalers. Door digitalisering kan deze lijn worden doorgetrokken, waardoor de overheid contextueel met overheidsklanten gaat communiceren. Daardoor kan de overheid onpersoonlijke communicatie ombuigen in communicatie die persoonlijk, relevant en waardevol is. Overheidsorganisaties zullen het daarmee voor overheidsklanten niet alleen makkelijker maken, maar bovenal ook nog eens veel leuker.

Succesvolle mislukkingen

Kort geleden zag ik de film over de Apollo 13-maanmissie in het vliegtuig op weg naar Amerika. ‘Houston, we’ve got a problem’ meldde piloot John Swigert nadat een zuurstoftank was ontploft. Kort daarop hielden ook de andere tanks er mee op. We kennen de afloop van de missie. Maar het blijft spannend om te zien hoe de bemanning weer veilig op aarde kon terugkeren. Uiteindelijk overheerste blijdschap en trots. Het gaat de Amerikaanse geschiedenis in als ‘most succesful failure’.

Die kwalificatie bracht mij er toe te bedenken welke succesvolle mislukkingen wij in Nederland hebben beleefd. Als ik Google mag geloven dan gaan alle mislukkingen in ons land over ICT-projecten. ‘Overheid verspilt jaarlijks 1 tot 5 miljard door ICT-projecten’ en ‘Kans op mislukken IT-projecten bij overheid nog steeds groot’ staan bovenaan in de lijst. Het is veel moeilijker terug te vinden welke problematische projecten uiteindelijk wel succes hebben gebracht. In welke projecten hebben we een cisissituatie weten om te buigen in een positieve afloop? Daarbij denk ik in eerste instantie aan de DigiNotar hack.

DigiNotar was een internetbeveiligingsbedrijf dat het exclusieve recht van de overheid had gekregen als Trust leverancier. In juni 2011 braken Iraanse hackers in bij het bedrijf, dat de hack pas in juli ontdekte en verzweeg. Pas nadat in een blog melding was gemaakt van de inbraak volgde op 30 augustus een bevestiging van DigiNotar over de hack. Overheidsbeheerder Logius verstuurde daarna, afgaand op een verklaring van DigiNotar, het geruststellend bericht dat de certificaten van de overheid wel veilig waren. Extern onderzoek wees kort daarop uit dat dit niet het geval was. In de vroege ochtend van 2 september zegde de overheid het vertrouwen in DigiNotar op. Door adequaat op te treden heeft de overheid de crisis snel bezworen en werd de infrastructuur binnen twee weken hersteld.

Een mislukking was ook de aanbesteding van het shared service center voor personeelsdiensten P-direkt. Anderhalf jaar na de gunning constateerden zowel IBM als het ministerie van BZK dat de aanbesteding onvoldoende basis vormde voor een succesvolle totstandkoming van P-direkt. In oktober 2005 werd het contract ontbonden. Na de doorstart van het project werd afgestapt van een Big Bang-benadering en meer tijd genomen voor de implementatie. De afnemers van P-direkt werden intensief betrokken bij de voorbereiding, processen werden gestandaardiseerd en de opbouw van P-direkt werd stapsgewijs gerealiseerd. Dit was mogelijk dankzij overtuigend leiderschap en een heldere en integrale besturing van het veranderproces. De investeringen die zijn gedaan met de totstandkoming van P-direkt zijn inmiddels ruimschoots terugverdiend.

In de nacht van 17 op 18 juli 2012 ramden twee personenauto’s de ingangen van het gemeentehuis in Waalre. Het pand ging daarna in vlammen op. De gemeente stond voor de taak de dienstverlening te herstellen. De gemeentelijke ICT moest vanaf de grond opnieuw worden opgebouwd. Internet en telefonie moesten snel worden hersteld. Binnen 48 uur werd een noodloket Burgerzaken ingericht en konden medewerkers van de gemeente met nieuwe laptops aan de slag op een nieuwe tijdelijke locatie. In opdracht van de VIAG schreef journaliste Marieke Vos het verhaal van ICT-coördinator Sylvia Mollen en haar team in de dagen en maanden na de brand in de vorm van een ICT-thriller. De bijlage bevat checklists die gemeenten kunnen gebruiken om te zien of zij voldoende zijn voorbereid op een verwoestende calamiteit zoals in Waalre.

In Amerika kon het publiek de problemen met Apollo 13 via de televisie op de voet volgen. De succesvolle terugkeer van de bemanning werd collectief gevierd. In ons land proberen we de problemen zo lang mogelijk toe te dekken. En als de problemen achter de rug zijn, dan herinneren wij ons alleen nog de mislukking zelf. Zo werd P-direkt tot voor kort in de pers nog afgeschilderd als een groot debacle. Onze overheid beschikt over een krachtig herstelvermogen. Met iets meer openheid en transparantie bij de overheid kan ook de buitenwacht daarvan getuige zijn.

Familie in Tropisch Nederland

Nederlands Indië

“Wij blijven heerschen in Indië door dat springtij van jong Hollandsch bloed, dat jaarlijks naar de tropen opstijgt”

Deze uitspraak van Charles Boissevain in zijn boek Tropisch Nederland dateert van het begin van de twintigste eeuw. De auteur geeft in zijn boek naar zijn zeggen uitdrukking aan de “hartelijke wijze hoe na wij zijn verbonden aan onze Oost, hoe Indië een deel van ons zelf, van ons verleden, onze tradi­tie, ons leven en onze eer is.”

Anno 1992 wijst Indonesië vooralsnog alle ontwikkelings­hulp, gefinancierd door de Nederlandse overheid, af. Indone­sië hekelt het ‘roekeloze gebruik van ontwik­kelingshulp als instru­ment van intimidatie of middel om Indonesië te bedreigen’. Nederland veroordeelt de openbare schending van de mensen­rechten in Oost-Timor. Indonesië herinnert Nederland aan een voor dat land buitenge­woon pijnlijk verleden, dat het gevolg is van eeuwen onmense­lijke koloniale onderdruk­king, alsmede barbaarse wreedheden begaan tijdens de onafhan­kelijkheids­oorlog, nog minder dan vijftig jaar geleden.

De 350 jaar waarin Nederlanders geleefd, gewerkt en gevochten hebben in het eilandenrijk dat tegenwoordig Indonesië heet, hebben aan beide kanten sporen achtergelaten die wellicht nooit helemaal zullen verdwijnen. Na de Java-oorlog in 1830 werd Indië als kolonie eigendom van de Neder­landse staat. Het zogenaamde ‘cultuurstelsel’ bracht een radicale verande­ring teweeg in het dagelijkse leven van ontelbare Indonesiërs, vooral op agrarisch Java. Elke Javaanse boer werd verplicht een vijfde deel van zijn grond te bebouwen met producten die het Nederlandse gouverne­ment van hem wilde hebben. Op deze manier viel het de bestuurders van de kolonie niet moeilijk de uitgaven laag en de inkomsten hoog te houden. Aan het moeder­land kon jaarlijks een ‘Batig Slot’ van vele miljoenen worden aangeboden. Tussen 1860 en 1880 beleefde de kolonie de ondergang van het gehate cultuurstel­sel en de opkomst van de grote ondernemingen: de suiker-, koffie-, thee- en tabaksplantages, de tin- en steenkoolmijnen en oliemaat­schappijen. De aanzet voor deze ontwik­kelingen was gegeven door de opkomst van het liberalisme in Nederland. Er werden wegen gezocht en gevonden om Nederland­se ondernemers in Indië aan grond te helpen. Banken en Handels­maatschappij­en verschaften het nodige kapitaal. Met de opkomst van de particuliere ondernemingen in Indië trokken na 1870 duizenden Nederlanders naar het eilandenrijk. In de jaren daarvoor waren het nog uitsluitend soldaten en avonturiers die naar Indië trokken. In de jaren na 1870 werd hun plaats ingenomen door planters, fabrieks­directeuren, boekhouders, schrijvers, bestuursambtenaren en opzichters. Onder hen een aantal van onze voorouders.

De afstammelingen van Daniël Boissevain werden naar Indië gedreven door hun handelsgeest. De nakomelingen van Jean Henri Guillaume Boissevain hebben voornamelijk in bestuurlijke zin een relatie met Indië. In dit artikel ga ik in op het ontstaan van de relatie met Indië van de nazaten van Daniël in de tweede helft van de vorige eeuw. Informatie hiervoor heb ik ontleend aan de boeken van Charles Boissevain (Tropisch Nederland en Onze Voortrek­kers), Maria (Mia) Boissevain (Een Amster­damsche Familie) en Walrave Boissevain (Mijn Leven).

Maria (Mia) Boissevain (1878-1959)

De handelstraditie van onze familie begon bij Daniël. Deze werd geboren in 1772 en huwde op 23-jarige leeftijd Johanna Retemeyer. Kort na zijn huwelijk overleed zijn schoonvader, die chef was van een groot handels­huis. Daniël nam na zijn overlijden de zaken over en associeerde zich met zijn oom M.J. Retemeyer en later met zijn zwager. De handel in Duitse linnen goede­ren, Franse wijn en granen bloeide, maar kende ook een dieptepunt in het begin van de vorige eeuw tijdens de Napoleontische overheersing.

Mia Boissevain schreef over haar grootvader: “Hij zag dat de zaken zooals zij tot nu toe gedreven waren, onder de veranderende omstandigheden verlies moesten brengen. Daartoe bracht hij op zee vlugge schoeners op de Levant en flinke barksche­pen voor de grote vaart. Deze prachtige zeilschepen, van welke o.a. de namen Jan Pieterszoon Coen, Bestevaer van Nederland en Oranje mij zijn bijgebleven, waren zijn trots. Een van zijn genoegens was om met zijn kinderen naar de Handelskade te wandelen om kapitein en bemanning bij aankomst te verwelko­men.” Charles Boissevain schreef over zijn vader: “Elken ochtend als hij bij het ontbijt binnen kwam, ging hij uit het venster kijken naar het haantje op de Westertoren, want hij was afhankelijk van de wind… lagen er schepen in het Nieuwediep, die uitzeilen moesten, dan was Oostenwind onontbeerlijk.

jan boissevain

Gideons zoon Jan, geboren in 1836, kwam op jonge leeftijd te werken op de rederij van zijn vader, waar hij al vroeg tot het inzicht kwam, dat de tijd van de zeilschepen aan een einde kwam. Jaren voor er sprake was van stoom­vaart naar Nederlands Indië, was hij reeds bezig met plannen voor het omvormen van de rederij van zijn vader naar een stoom­vaartlijn. Mia Boissevain schreef over haar vader: “Avond aan avond besteedde hij aan de bestudering dier plannen. Maar zijn vader had er weinig oren naar. Hij was gehecht aan zijn trotsche zeilschepen en het bedroefde hem, dat al de vakkennis en zeemanschap verloren zouden gaan.” Jan Boissevain werd mede-oprichter en directeur van de Stoomvaartmaat­schappij Nederland die op Indië voer. De maatschappij werd in de eerste jaren van haar bestaan geconfron­teerd met scheeps­rampen. “De vreeselijke ramp van de ‘Willem III’ die op de eerste uitreis op weg naar Southampton verbrandde, het vergaan van de “Koning der Nederlanden” in open zee, met wekenlange onzekerheid over het lot der bemanning, het waren rampen die bijna onoverkomen­lijk leken. Met dankbaarheid gedacht mijn vader altijd den eerevoorzitter der Maatschappij, Prins Hendrik der Nederlanden, die ter vergadering gekomen geen enkel woord van blaam uitte en alleen maar zeide: “Wij moeten weer vooruit.” Hij voegde de daad bij het woord door een enorm kapitaal op de nieuwe leening in te schrijven“, aldus Mia Boissevain. Jan Boisse­vain was lid van de Amster­damse Gemeenteraad en de Provinci­ale Staten van Noord-Holland en was mede-oprich­ter van de Amster­damsche Droog­dokmaat­schappij en tal van andere lichamen. Hoogtepunt in zijn leven vormt zijn aandeel in de oprichting van de Koninklijke Pakket­vaartmaat­schappij en de stichting van de Neder­lands-Indische Landbouwmaatschappij. De Koninklij­ke Pakketvaartmaat­schappij zou later drie grote passagierssche­pen voor de vaart naar China en Zuid Afrika vernoemen naar de oprichters van de maatschappij: Boissevain, Ruys en Tegelberg. Charles Boisse­vain schreef over zijn broer: “Wat heeft die Maatschap­pij Nederland, die nationale stoomvaart tusschen Nederland en Indië vestigde, een tegenspoeden gehad. De geschiede­nis van de onderneming herinnerde ons volk aan de bezwaren, die groote ondernemingen steeds te overwinnen hebben. Jan Boissevain had te werken in een land, dat van subsidies wars is en aan eigen initia­tief der burgers groote belangen overlaat. Dat is krachtwek­kend, zeker. Maar in de eerste plaats krachtei­schend! Men had noodig een organisatie in Neder­landsch-Indië met kantoren en agenten in al de havens langs Java’s kust, van waar uit het binnenland het best bereikt werd. Men had noodig den steun van de regeering en volksvertegenwoordiging en het vertrouwen en de welwillendheid van den handel en van de reizigers naar Insulinde. De Regeering rekende steeds op de hulp van de Maatschappij, als in Atjeh of elders snelle bijstand noodig was en hielp haar indirect een weinig.

Jans broer Jacob Pieter, geboren in 1844, was chef van de firma Reiss & Co te Batavia. Jans zoon Walrave, geboren in 1876, bezocht op jonge leeftijd zijn Bataafse oom en schreef daarover: “In Batavia werd ik afgehaald door den bediende van mijn oom Jacob Pieter. Hij bewoonde een aardig huis aan de Molenvliet, had mij voor de helft daarvan afgestaan en voor uitstekende bediende gezorgd. Hoe hartelijk heeft mijn oom Jacob Pieter daar voor mij gezorgd. Hij introduceerde mij aan de tafel zijner vrienden en overal elders in Batavia en ik werd op de harte­lijkste wijze ontvangen.” Walrave Boissevain werkte voor de pakket­vaart in Indië en schreef over zijn opdracht voor deze maatschap­pij: “Toen ik eenigszins wegwijs was geworden bij de K.P.M., kreeg ik de op­dracht, een inspectiereis door de Molukken te maken. Ik moest mij met de vertegenwoor­digers van de regeering, residenten, assistent residenten en controlleurs in verbinding stellen, om te informee­ren, of de gouvernements­diensten naar behooren werden uitge­voerd. Ik moest de kas en de boeken controlee­ren en met de plaatselijke handelaren overleg plegen, of zij ook wenschen en grieven hadden. Voor een éénentwintig-jarige dus een belangrij­ke opdracht.

Bossevain,_Charles

Charles Boissevain (1842-1924)

Jans broer Charles, geboren in 1842, was schrijver en hoofdredac­teur van het Algemeen Handels­blad. Hij bezocht een aantal maanden Indië en schreef daarover in zijn boek Tropisch Nederland: “Een gevoel, dat jeugd ken­schetst, verheugde mij telkens in Java en Sumatra. Daar was het mij weer mogelijk te ontwaken met het besef, dat de dag wellicht iets zeer nieuws en schitterends brengen zou. Zulk een gevoel licht den last der jaren van de schouders en verjongt ons.” Naar het Nederlandse volk deed hij de volgende oproep: “Nu bid ik ernstig alle ouders om uw zonen gehuwd naar Indië te zenden. Geen opoffe­ring, die dit mogelijk maakt, is te groot. Regeering, help mee. Gij vrouwen, die leidt het machtige nieuwe vrouwenle­ven, helpt mede… be­grijpt! Wij blijven heerschen in Indië door springtij van jong Hollandsch bloed, dat jaarlijks naar de Tropen opstijgt. Maar laat toch vooral evenveel vrouwen naar Indië gaan! Dit geschiede bovenal terwille van het vaderland!

Auteur: Jan Willem Boissevain (geschreven in 1992)

Zie ook: Publicatie Stamboom van de familie Boissevain