Goed, snel en goedkoop kan wél

good - cheap - fast

Kwaliteit, tijd en kosten vormen een duivelsdriehoek. Projecten kunnen nooit goed, snel én goedkoop worden gedaan. Twee van de drie is het meest haalbare. De opdrachtgever moet dus een keuze moeten maken en één van de drie factoren loslaten. De projectmanager moet er daarna voortdurend voor zorgen dat de balans binnen de driehoek intact blijft.  Meer dan eens pakt die benadering averechts uit.

Sturing op het project vindt plaats op verschillende onderdelen. Allereerst is er sturing op de input, bijvoorbeeld de CV’s van projectmedewerkers of de offertes. Daarna wordt gestuurd op de voortgang aan de hand van rapportages en reviews. Tenslotte wordt het resultaat beoordeeld op basis van een acceptatietest. De belangrijkste test wordt meestal achterwege gelaten: de meting van het behaalde effect, bijvoorbeeld toename van de klanttevredenheid.

Het falen van overheidsprojecten laat zich verklaren op basis van de gebrekkige sturing op de projecten. Het begint al bij de openbare aanbesteding. Dat is een overwegend bureaucratisch en geldverslindend proces waarbij inschrijvers alle voorwaarden en specificaties moeten aanvaarden, ook al stroken die niet met het beschikbare marktaanbod. Kwaliteit en doorlooptijd worden in het bestek voorgeschreven. Leveranciers kunnen zich daardoor onvoldoende onderscheiden op kwaliteit op basis van een bewezen oplossing. De prijs geeft de doorslag bij de selectie. De overheid krijgt het gevraagde maatwerk vol kinderziektes. Zo ging NS in zee met AnsaldoBreda voor de levering van de geplaagde Fyra-treinen.

De belangrijkste sturingsvariabelen van een overheidsproject zijn kosten en doorlooptijd. De kosten worden begrensd door het budgettaire kader. De doorlooptijd wordt veelal vastgesteld op basis van een politiek besluit. Het dashboard van overheidsprojecten kleurde tot voor kort nog volledig groen. Dat was zo omdat de realisatie werd afgezet tegen de budgetten die op basis van voortschrijdend inzicht periodiek werden herijkt.

ict-dashboard

De belangrijkste factor is natuurlijk de kwaliteit. Maar de status daarvan ontbreekt nog steeds in alle rapportages. Vaak wordt geredeneerd dat het met de kwaliteit wel goed komt als er maar genoeg geld en tijd beschikbaar is. Dat is een grote misvatting. Beperkingen stimuleren juist de creativiteit. Er valt veel winst te behalen door alleen de dingen te doen die echt nodig zijn, de overhead te beperken, snel te leren van gemaakte fouten en bijsturen, hergebruik te bevorderen en beter samen te werken. Kwaliteit moet altijd de dominante sturingsvariabele zijn. “Als je stuurt op kosten, gaat de kwaliteit omlaag. Als je stuurt op kwaliteit, gaan de kosten omlaag.” (Willem van Oppen, ex CPO van KPN)

Nieuwe banen

divide2014-3-1200x500

Komende vijf jaren verdwijnen wereldwijd ruim zeven miljoen banen door voortschrijdende digitalisering volgens berekening van de denktank van het World Economic Forum. De ‘nieuwe industriële revolutie ’ zorgt ook weer voor twee miljoen nieuwe banen. Vooral in de financiële sector, de zorg en de energiesector zullen banen verdwijnen. Voor nieuwe banen zijn met name wiskundigen en ICT-deskundigen in trek.

Afgelopen twee honderd jaar hebben zich drie industriële revoluties voltrokken. In de achttiende eeuw zorgde stoommachine voor schaalvergroting en daling van productiekosten.  De eerste fabrieken ontstonden en de textielindustrie bloeide op. Vanaf eind negentiende eeuw maakte stoomenergie geleidelijk plaats voor elektriciteit en verbrandingsmotor. Energie werd als krachtbron breed toepasbaar. De computer en het internet maakte het vervolgens mogelijk informatie efficiënt en onafhankelijk van plaats en tijd te delen. Productie- en routinematig werk verdween. Meer intelligent en creatief werk kwam daarvoor in de plaats.

De vierde industriële revolutie wordt gekenmerkt door een vergaande digitalisering van diensten en producten. Dit leidt tot een transformatie van de economie en verschuiving van de vraag naar arbeid. Vanaf de tachtiger jaren werd de schaarste van ICT-deskundigheid voornamelijk opgelost door bij- en omscholingsprogramma’s van ICT-bedrijven. Het voortgezet onderwijs zorgde vervolgens voor een betere aansluiting van ICT’ers op de arbeidsmarkt. Door de snelle technologische ontwikkelingen blijft continue scholing noodzakelijk om blijvend te kunnen voldoen aan de vraag naar deskundigheid.  De verwevenheid van ICT in producten en dienstverlening vraagt om deskundigheid op alle niveaus en binnen alle organisaties. ICT-bedrijven kunnen daar slechts een beperkte bijdrage aan leveren.

Toenemende inzet van ICT draagt voor 25 tot 40 procent bij aan economische groei. De ICT-uitgaven in ons land worden geschat op jaarlijks 47 miljard euro. De groei van de ICT-sector zelf zal ook doorzetten. Volgens onze Digitale Agenda zijn er alleen vorig jaar al 7.800 nieuwe ICT-bedrijven bijgekomen. Vier procent van alle medewerkers, 356 duizend in totaal, is ICT’er. UWV verwacht komende jaren een groot tekort aan ICT-deskundigen. In de komende jaren zullen 40 duizend ICT-vacatures vervuld moeten worden.

De Verenigde Staten is gidsland voor de digitale revolutie. De scheefgroei van vraag en aanbod van ICT’ers tekent zich daar nu in volle hevigheid af. Het aantal vacatures in de ICT dat moeilijk vervuld kan worden is opgelopen tot boven 12 miljoen. Gelijktijdig zijn 6 miljoen goed opgeleide jong volwassenen op zoek naar een baan. Het initiatief ‘Year Up’ zet zich in om die kloof te dichten. In een jaar tijd worden getalenteerde jongeren klaargestoomd voor een nieuwe baan. Het programma bestaat uit een omscholingsprogramma en scholing in de praktijk. Veel grote bedrijven, zoals Bank of America, Microsoft en Wells Fargo, ondersteunen het initiatief. Zij geven jongeren nieuw perspectief en laten jong talent zich in hun organisatie ontwikkelen. Het initiatief zou ook navolging verdienen in Europa.

Post-Brexit Plan

Boris

Wat doe je als je beste medewerker vrijdagmiddag in overspannen toestand zijn ontslagbrief komt aanbieden?  Je luistert naar zijn persoonlijke verhaal, toont begrip en spreekt je waardering uit voor de belangrijke bijdrage die hij in het verleden heeft geleverd. In geen geval neem je zijn ontslagbrief in ontvangst. Je vraagt hem zijn besluit in het weekend nog eens goed te overdenken. Zo is mij geleerd tijdens managementtrainingen.

Ik moest daaraan denken naar aanleiding van de reacties op de aangekondigde Brexit. Regeringsleiders gaven al direct blijk collectief afscheid te hebben genomen van het Verenigd Koninkrijk. Zij lijken nu zo snel mogelijk van de Britten af te willen. ‘De onderhandelingen over het Britse vertrek moeten snel zijn afgerond.’ vindt president Hollande. Zonder de Britse premier vergaderden de EU-leiders over hun toekomst na een Brexit. ‘Het Verenigd Koninkrijk houdt niet zonder meer toegang tot de Europese markt.’ waarschuwde EU-president Donald Tusk na afloop. Alleen Angela Merkel hield het hoofd koel en maande tot kalmte.

Het lijkt een standaardreflex om na het vernemen van een mogelijk afscheid alleen aan de eigen situatie te denken. Toen ik zelf na 25 jaar trouwe dienst mijn ontslag aankondigde werden de managementlessen ook niet in de praktijk gebracht. Mijn ontslagbrief werd gretig in ontvangst genomen. Ik werd terstond op non-actief gesteld en het personeel werd ingelicht over mijn vertrek. Een woord van dank kon er niet vanaf. Wel werd mij een afscheidsreceptie in het vooruitzicht gesteld, die ik uiteindelijk zelf moest organiseren en bekostigen. Een paar maanden na mijn vertrek ontving ik een forse rekening voor ‘verlofdagen’ vanaf de datum van mijn non-actiefstelling.

Een overhaast en rancuneus afscheid is altijd onverstandig. Zo ook na het Brexit-referendum. Slechts een kleine meerderheid heeft in het Verenigd Koninkrijk voor uittreding gestemd. Zij hebben zich laten leiden door de populistische uitspraken van campagneleider Boris Johnson. Die blijkt uiteindelijk geen plan te hebben voor na de Brexit. Voor het leiden van het land vindt hij zichzelf dan ook niet geschikt. De verkiezingsbeloften over de interne markt, immigratie en EU-contributie zijn inmiddels ook alweer gebroken. De Britten zijn verrast door de uitkomst van het referendum. Zij lijken nu massaal spijt te hebben van hun keuze, getuige ook de protestdemonstraties en de miljoenen handtekeningen die in korte tijd zijn verzameld.

De EU-leiders doen er goed een voorbeeld te nemen aan Angela Merkel. Na de eurocrisis, Griekse schuldencrisis en vluchtelingencrisis zal de EU deze interne crisis ook wel weer te boven komen. Laten we de Britten de ruimte en tijd geven voor een herbezinning op hun onverstandige keuze.

Aanbestedingsregels knellen niet

zakendoen

Waarin verschilt de ICT-inkoop in het bedrijfsleven van die bij de overheid? Bedrijven hebben intensief contact met potentiële leveranciers tijdens de selectiefase en kiezen vervolgens de beste leverancier of het beste product. De overheid vermijdt ieder contact met leveranciers en kiest in een openbare aanbesteding voor de best scorende offerte.

Zes jaar geleden werd mijn mening gevraagd over de problemen bij overheidsopdrachten. “Aanbestedingen zijn bureaucratisch en onnodig duur.” zei ik destijds. De openbare aanbestedingen waren ooit bedoeld voor meer transparantie, maar worden in toenemende mate gejuridificeerd. Niet de inhoud, maar het proces staat centraal. De overheid verbiedt overleg tijdens de aanbesteding. Leveranciers moeten daardoor de vraag zelf zien te interpreteren.

In die situatie is afgelopen jaren weinig verbetering gekomen, getuige ook een brandbrief van de brancheorganisatie over een recente aanbesteding: ‘De aanbesteding betreft een tamelijk onoverzichtelijke opdracht met op onderdelen vage vergezichten en prestatieverplichtingen met een groot open einde karakter. Daarmee tart de organisatie de professionaliteit van de ICT-markt. Bedenkelijk vinden wij ook dat de organisatie in de concept overeenkomst op voorhand verlangt dat de leverancier aan wie de opdracht wordt gegund, moet toezeggen volledig op de hoogte te zijn van de organisatie. Van een rijksoverheid die kennelijk zelf nauwelijks weet welke kant de organisatie de komende jaren opgaat, mag in redelijkheid verwacht worden dat zij niet verlangt dat de leverancier aan wie de opdracht wordt gegund dat wel weet.’

Afgelopen jaren hebben overheid en leveranciers zich creatief georganiseerd rond de aanbestedingen. ICT-bedrijven hebben daarvoor offertefabrieken ingericht. Na het winnen van de opdracht wordt de uitvoering weer overgedragen aan een ander onderdeel van de organisatie. De overheid kan vervolgens moeilijk bijsturen of overstappen naar een andere leverancier. In toenemende mate spant de huisleverancier een kort geding aan na een voorgenomen gunning voor andere leverancier. Zelfs bij verlies van de rechtszaak kan de leverancier daardoor extra omzet bijschrijven als gevolg van uitgestelde gunning. Inkopers binnen de overheid zoeken eveneens de randen op van de aanbestedingsregels. Zo worden aanbestedingen georganiseerd via brokers die onder overheidscontract staan. Via die route kan een opdracht onderhands worden gegund. Een opkomend fenomeen is leveranciersselectie door loting. Dit is toegestaan binnen de aanbestedingsregels, mits dit vooraf is aangekondigd. De overheid voorkomt daardoor verlies van rechtszaken, want een beroep tegen een lottoapparaat is kansloos.

De verhouding tussen overheid en leveranciers rond aanbestedingen moet worden genormaliseerd. Dit kan worden gerealiseerd op basis van de volgende verbeteracties:

  1. Zorgdragen voor goede band tussen overheid en leveranciers
  2. Onnodige bureaucratie vermijden
  3. Ruimte bieden voor pilots en innovaties
  4. Pre-competitieve marktdialoog organiseren
  5. Vraag vooraf (laten) toetsen op beschikbare aanbod in de markt
  6. Functioneel aanbesteden en streven naar win/win relatie
  7. Ruimte bieden voor interactie tijdens de aanbesteding
  8. (Betaalde) Proof of Concept inlassen
  9. Onafhankelijke bindende beroepsinstantie instellen
  10. Wendbaarheid en exit clausule inbouwen in contracten

Zakendoen zonder contact en overleg is onmogelijk. Het zijn niet de  aanbestedingsregels zelf die knellen, maar de wijze waarop deze worden toegepast.

Jan Boissevain: Amsterdams reder

Jan Boissevain (1836-1904) is zoon van Gideon Jeremie Boissevain (1796-1875) en Maria van Heukelom (1801-1866). Hij was gehuwd sinds 15-5-1862 met Petronella Gerharda Johanna Brugmans (1838-1905). Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 5 dochters geboren.

Familie van Jan Boissevain met Mia, Walrave, Nella, An, Thijs, Heleen, Charles Daniël Walrave , Li, Aat van Hall, Wil de Vos, Sissy Blijdenstein en Gi den Tex

Jan Boissevain werkte na een school van uitgebreid lager onderwijs doorlopen te hebben reeds sinds zijn dertiende jaar op kantoor bij zijn vader, die een kleine zeilschiprederij had, en in enkele van zijn brieven ontwikkelt hij een plan om die rederij te vergroten en om te zetten tot een stoomvaartdienst op Nederlands-Indië, in tegenstelling tot het heersende dogma dat stoomschepen alleen goed waren voor kustvaart of korte oversteek. Hij dacht toen nog aan snel zeilende klippers met hulpstoomvermogen, maar in de loop van de jaren zestig namen de vooruitzichten toe voor een zuivere stoomvaartlijn vanuit Amsterdam. Drie omstandigheden werkten hiertoe mee: het Suezkanaal in het verschiet, het langzaam tot uitvoering komende Noordzeekanaal ter vervanging van het omslachtige Noord-Hollands Kanaal, en de verbetering van de compoundmachine waardoor een belangrijke kolenbesparing mogelijk werd.

jan boissevain archief

Jan Boissevain (1836-1904)

Toen het met beide kanalen lange tijd slabakken bleef richtte zich Boissevains belangstelling op de regeringspolitiek ten aanzien van de zeilvaart op Indië, waarbij hij in twee artikelen in De Economist (1868 en 1869) op grond van gedegen statistische gegevens afschaffing van de subsidies en van de beurtvaarten bepleitte. Maar in 1869, toen het Suezkanaal zijn inwijding naderde kwam een Schotse reder met het voorstel tot oprichting van een stoomvaartlijn op Nederlands-Indië. In augustus 1869 werd op initiatief van een Amsterdams cargadoor een vergadering van belanghebbenden belegd. Men besloot een comité van actie te benoemen waarin Jan Boissevain, sinds 3 november 1868 (tot 22 augustus 1873) liberaal lid van de Amsterdamse gemeenteraad, een der leden was. Het kreeg als eerste opdracht zich in verbinding te stellen met prins Hendrik (‘de Zeevaarder’) die de Nederlandse regering bij de opening van het kanaal zou vertegenwoordigen. De Prins zegde zijn volle medewerking toe, zowel geldelijk als moreel, maar slechts op voorwaarde dat de zaak een nationaal karakter zou dragen. Hierdoor werd de Schot uitgeschakeld, en daar zowel de zojuist genoemde cargadoor als de Prins zelf naar Egypte vertrokken vielen de voorbereidende werkzaamheden op Boissevain als jongste lid van het uitvoerend comité. Er moest haast worden gemaakt, wilde de handel in Oost-Indische producten zich niet naar het zoveel gunstiger gelegen Zuid-Europa verplaatsen. De stemming op de Amsterdamse beurs was sceptisch. Boissevains berekeningen, hoe zorgvuldig ook opgesteld, vonden weinig vertrouwen, en toen in maart 1870 de inschrijving werd opengesteld kwam van het benodigde kapitaal van 3½ miljoen niet meer dan 2½ bijeen. Eerst na veel intense propaganda, met steun van prins Hendrik gevoerd, en met een beroep op vaderlandsliefde, werd bij een hernieuwde openstelling het gevraagde bedrag bereikt. Op 13 mei 1870 kon de Stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’ worden opgericht met een driehoofdige directie waarvan Jan Boissevain gedurende precies 34 jaar de ziel bleef. De Koning trad als beschermheer op, diens broer als zeer actief erevoorzitter, de burgemeester van Amsterdam mr. C.J.A. den Tex, als president-commissaris.

hendrik-11

Prins Hendrik – de Zeevaarder (1820-1879)

De eerste jaren van de nieuwe maatschappij waren niet voorspoedig. De berekeningen bleken wat optimistisch geweest te zijn, havenfaciliteiten in Nieuwediep moesten gehuurd worden van de Koninklijke Marine die daar slechts voor korte tijd in toestemde. Het Noordzeekanaal, waarvan men hoge verwachtingen koesterde kon eerst in 1876 door kleine, in 1879 door grote schepen bevaren worden en toen bleken de haveninstallaties aan het IJ nog onvoldoende te zijn. Het ergste was evenwel dat de maatschappij getroffen werd door een aantal scheepsrampen. Het eerste, in Schotland gebouwde schip dat in 1871 uitvoer, verbrandde na nauwelijks een etmaal, weliswaar waren daarbij geen mensenlevens te betreuren, maar de maatschappij bleef jarenlang verstrikt in processen over schadevergoedingen aan de passagiers. In 1881 verging een ander schip in de Indische Oceaan waarbij één van de reddingsboten met bemanning en passagiers in de golven verdween. Ook onbetrouwbare schroeven veroorzaakten in de eerste jaren veel reparatiekosten en vertraagde reizen. Toch ging het toen de Maatschappij al beter. In 1873 had zij de dank van de Regering geoogst voor de snelle legertransporten bij het uitbreken van de Atjehoorlog. Ook werd in 1874 voor het eerst dividend uitgekeerd.

Enkele jaren later werd Indië getroffen door de beruchte suikercrisis. Een catastrofale daling in de suikerprijzen had de Nederlandsch-Indische Handelsbank in het najaar van 1884 in ernstige moeilijkheden gebracht daar zij ver boven haar eigen middelen kredieten aan planters had verstrekt. Als zij surséance moest aanvragen zou dit een ramp betekenen voor de hele economie van Oost-Indië en indirect voor de beide stoomvaartlijnen ‘Nederland’ en ‘Rotterdamse Lloyd’. De grote bankier A.C. Wertheim en Jan Boissevain verenigden enige andere Amsterdamse zakenlieden, “zooals men elkander aan de Beurs vond, zonder voorafgaand overleg” (zo schreef Boissevain later). “Hoe moeilijk leek de zaak, toen men de behoeften had overzien! Negen millioen waren noodig… Men had slechts vijf dagen tijd…” Een nieuwe maatschappij ad hoc werd opgericht. Ieder van de initiatiefnemers liep zich het vuur uit de sloffen, en twee uur voor het verstrijken van de vijf dagen lag het geld op tafel en was de Nederlandsch-Indische Handelsbank gered. Boissevain was toen sinds twee jaar voor het kiesdistrict Amsterdam liberaal lid van de Provinciale Staten geworden. Hij zou dit blijven tot 1898 en nogmaals voor Amsterdam VI van 1901 tot zijn dood.

Toen de crisis afebde kwam de kwestie van de pakketvaart tussen Java en de buitenbezittingen aan de orde. Deze was in handen van een schijnbaar Nederlandse, in wezen Engelse maatschappij die alle verkeer op Singapore richtte, tot veel klachten van passagiers en bevrachters aanleiding gaf, en in geval van oorlog weinig behulpzaam zou kunnen blijken. Het nationaal belang eiste een zuiver Nederlandse onderneming, die echter moeilijk van de grond kon komen als men rekening zou moeten houden met scherpe concurrentie van de bestaande maatschappij. Boissevain stond bekend als soepel onderhandelaar, steeds geneigd de belangen van de tegenpartij niet over het hoofd te zien. Tijdens herhaalde reizen naar Engeland en Schotland slaagde hij er eerst in een vriendschapsrelatie met de directeur van de Nederlandsch-Indische Stoomvaart Maatschappij, Sir William McKinnon, op te bouwen. Vervolgens wist hij de gehele vloot van die maatschappij voor schappelijke prijs door de nieuwe Koninklijke Pakketvaart Maatschappij te doen overnemen.

Het was niet de enige Amsterdamse onderneming waartoe de directeur van de ‘Nederland’ de stoot gaf. Toen de installaties van de maatschappij in 1877 van Den Helder naar Amsterdam zouden worden overgebracht, bleek er dringend behoefte te bestaan aan een groter droogdok. De Amsterdamse Droogdok Maatschappij werd door Boissevains stuwende kracht opgericht en zou meer dan een eeuw, de eerste 26 jaar met hem als president-directeur, bijdragen tot de bloei van de Amsterdamse haven. Daar er behoefte bestond aan een machinistenschool werd deze mede dank zij zijn steun opgericht. Later kreeg dit instituut de naam van Middelbaar Technische School.

De oprichting van de Nederlandsche Scheepsbouw Maatschappij in 1894 was in zoverre merkwaardig dat zij het gevolg was van een demarche van de kant van de ontslagen arbeiders van ‘Werkspoor’ – toen dit bedrijf de scheepsbouw opgaf – bij commissarissen en directie van de ‘Nederland’. Het is de eerste keer dat men iets verneemt van handelend optredende arbeiders bij de Scheepsbouw Maatschappij, iets waaraan Boissevain moeilijk heeft kunnen wennen. Hij had hart voor zijn werknemers, wat o.a. bleek uit het feit dat hij jarenlang voorzitter was van een woningvereniging die huizen voor arbeiders bouwde; hij en zijn vrouw hielpen hen met raad en daad als er moeilijkheden waren, dankbaarheid werd verwacht voor wat de arbeiders meer en meer als hun recht gingen beschouwen. Daarom ook ervoer hij de staking der havenarbeiders in 1903, die leidde tot de spoorwegstakingen, als een persoonlijke belediging, die wellicht zijn levenseinde heeft verhaast. In het voorjaar van 1904 vertrok hij met vrouw en dochter naar Bellagio en liet een gedrukte afscheidsbrief achter voor al zijn medewerkers. Op zijn wens is hij in Bellagio op het protestantse kerkhof begraven.

Ondanks zijn vroeg beëindigde schoolopleiding was Jan Boissevain een veelbelezen man, die zijn talen goed sprak – het Frans zonder accent. Hij was geabonneerd op De Gids – Potgieter was een huisvriend – en op de Revue des Deux Mondes. De artikelen in deze bladen vormden het geliefkoosde onderwerp van zijn tafelconversatie, waar alle roddel streng verboden was. Hij was een trouw kerkganger in de Walenkerk, maar ook wel bij gelegenheid onder het gehoor van vrijzinnige hervormde of doopsgezinde dominees. Maar toen zijn kinderen De Nieuwe Gids boven de oude, de symbolisten boven de romantici prefereerden, en de grondstellingen van het Christendom in twijfel trokken, kon hij hen niet volgen. En toen de omgang met zijn werknemers niet meer een kwestie van individuele hulp was, maar van harde onderhandelingen met vakverenigingen, liet hij dit gedeelte van de directietaak gewoonlijk over aan zijn jongste mededirecteur jhr. L.P.D. Op ten Noort. In economisch opzicht ging hij wel met zijn tijd mee en terecht kan men hem als een Amsterdams handels-en scheepvaartmagnaat aanduiden.

A: Archief-Boissevain in Gemeentearchief Amsterdam.

P: Jaarverslagen van de Maatschappij Nederland, 1871-1903; Terugblik op de eerste 25 jaren van het bestaan der Stoomvaartmaatschappij “Nederland” (Amsterdam, 1895).

L: N.G. Pierson, in Eigen Haard 1904, 742-750; Charles Boissevain, Onze Voortrekkers [Amsterdam, 1906]; Gedenkboek der Stoomvaart-Maatschappij Nederland 1870-1920. Samengest. door M.G. de Boer (Amsterdam, 1920); M.G. de Boer, Geschiedenis der Amsterdamsche Stoomvaart (Amsterdam, 1921-1922. 3 dln.); J.C. Ramaer, in Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, VII, kol. 161-164.

I: Peter Hofland, Leden van de Raad. De Amsterdamse Gemeenteraad 1814-1941. (Amsterdam 1998) 132.

Auteur: Jan den Tex

Overgenomen van: Resources Huygens ING

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979) Laatst gewijzigd op 12-11-2013

 

Publicatie over Jan Boissevain

Esmeralda Tijhoff: De ADM van Boissevain

 

Oplossing zoekt een probleem

oculusface_1

De opkomst van de stofzuiger en de wasmachine beloofden in de vijftiger jaren het walhalla voor de moderne huisvrouw. Voortaan zou zij haar zorgzame taken in huis nog beter kunnen uitvoeren. Dat pakte anders uit. De wasmachine en stofzuiger maakten de weg vrij voor emancipatie en een vrouwelijke bestorming van de arbeidsmarkt.

De maatschappelijke impact van technologische ontwikkelingen blijkt moeilijk te voorspellen. Toen eind vorige eeuw de mobiele telefoon zijn intrede maakte was het gebruik ervan aanvankelijk nog niet populair. Het mobiel leek vooral handig voor zakenmensen en binnenschippers. “Ik heb een gewone telefoon, waarom moet ik een mobiel hebben?” Vindt u het belangrijk om altijd bereikbaar te zijn? “Ook niet, ik ben niet zo belangrijk.” zegt een man in onderstaand straatinterview.

Minder dan twintig jaar later tellen we in Nederland meer dan 20 miljoen mobiele telefoons. Dat is 1,3 mobieltjes per persoon. Tachtig procent van de Nederlanders bezit een smartphone en is 24 uur per dag online.

Niet alle vernieuwende technologische introducties zijn succesvol. Zo lanceerde KPN in 1997 een dienst “Het Net” waarin bezoekers in een besloten omgeving een beperkt aantal websites kon bezoeken. Die dienst werd al snel ingehaald door de groei van het wereld wijde internet. Om de mislukking te maskeren werd de naam “Het Net” snel verbonden aan een normale internetdienst. Met het mobiele dataverkeer probeerde KPN het in 2002 opnieuw met een variant van de Japanse succesformule i-Mode. Ook die dienst flopte, omdat consumenten onbeperkt toegang tot internetdiensten verlangen zonder bemoeienis van een provider. Door de komst van nieuwe internetdiensten, sociale media en smartphones verschuift het telefoon- en berichtenverkeer naar het internet.

Nieuwe technologieën die op doorbreken staan zijn Virtual Reality (VR) en  Internet of Things (IoT). Tien jaar geleden konden we nog als ‘avatar’ rondlopen in virtuele wereld Second Life. Zoetermeer opende zelfs een virtueel gemeenteloket. Vrij snel raakte Second Life in de vergetelheid. De virtual reality brillen Oculus Rift en Microsoft’s HoloLens domineren nu de virtual reality wereld. Op beurzen zien we nerds van technologiebedrijven met reusachtige skibrillen rondlopen. Dezelfde bedrijven schetsen een toekomstbeeld voor slimme steden waar alle mensen en apparaten op elkaar aangesloten zijn. De gemeente Amsterdam heeft zelfs slimme lantaarnpalen die je met een smartphone aan en uit kunt zetten.

Technologische innovaties zijn veelbelovend. De mogelijkheden lijken onbegrensd. Maar wat is de maatschappelijke relevantie? Welke oplossingen bieden technische ontwikkelingen voor zorg, milieu, mobiliteit en veiligheid? Wat is de populariteit onder consumenten? En wat gaat er voor ons veranderen als technologie onze samenleving nog meer gaat domineren? Het zijn vragen die vooralsnog onbeantwoord blijven. Nieuwe technologische oplossingen zijn naarstig op zoek naar maatschappelijke problemen.

Grootmeester Nederlandse journalistiek op ‘Drafna’

Bossevain,_Charles

Charles Boissevain (1842-1924)

Aan de Meentweg in Naarden stond tot in de Tweede Wereldoorlog een groot Zwitsers huis met de Noorse naam Drafna. Aanvankelijk diende het uit 1860 daterende huis als zomerverblijf annex buitenplaats voor een van Nederlands grote industriëlen. Later werd het huis permanent door particulieren bewoond. Het eindigde zijn geschiedenis in 1941 als bouwvallig schoolgebouw van een destijds gerenommeerd Theosofisch Lyceum. In de oorlogsjaren liet een schoensmeerfabrikant het houten gebouw slopen en op de plek een stenen villa onder dezelfde naam bouwen. Dat huis behoort sinds 1948 toe aan eigenaren van een van Nederlands bekende kledingconcerns.

_normal_drafna_09_oude_foto

In dit artikel gaan we het hebben over de journalist Charles Boissevain (1842-1927), ook een bewoner van Drafna. Vijf jaar geleden noemde de auteur en columnist H.J.A. Hofland deze man ‘de journalist van de eeuw’, maar voegde daar aan toe dat journalisten niet ‘voor de eeuw’ maar ‘voor vanavond’ schrijven. De volgende dag al worden er namelijk visgraten in hun werk verpakt.

Boissevain bewoonde het voormalige Drafna ruim dertig jaar, vanaf 1896 tot aan zijn overlijden. In 1911 stichtte zijn oudste zoon, jonge Charles, het eveneens aan de Meentweg gelegen landhuis Bergerac. Nog iets verderop bevindt zich het landgoed De Duinen met het in 1912 gebouwde huis met dezelfde naam, waar Boissevains oudste dochter Mary, toen gehuwd met de bankier Cornelis van Eeghen, woonde. In dezelfde tijd werd tegenover Drafna het huis Heerlijkheid gesticht door het echtpaar Den Tex-Boissevain, een neef en nicht van Charles. Boissevains dus te over aan Naardens schoonste weggetje, dat in die tijd nog de Oude Valkeveenscheweg werd genoemd. Wie deze toonaangevende mensen met Franse geslachtsnaam waren, is terug te vinden in het Gemeentearchief van Amsterdam. Daar kan men onder toegangsnummer 394 het omvangrijke Boissevainarchief raadplegen. Het onderstaande verhaal is er grotendeels aan ontleend.

Eigenlijk was de naam Bouyssavy. Althans zo noemde een verre voorvader Lucas zich, die in de 17de eeuw ten oosten van Bergerac in de Dordogne wijnboer was. Deze Lucas, een moedig en godvruchtig man, moest wegens geloofsvervolgingen uitwijken naar Bordeaux. Daar verschool hij zich aan boord van een schip met vaten wijn, tenminste zo wil het verhaal, en belandde omstreeks 1691 in Amsterdam. De Nederlandse Boissevains stammen dus uit een geslacht van réfugiés of Hugenoten. ‘Opgejaagd als een hert’, schreef Charles over zijn voorvader Lucas, die in Amsterdam in zijn onderhoud kon voorzien door het geven van les in de Franse taal en het maken van tekeningen. Hij stierf reeds op 44-jarige leeftijd. Zijn reislustige zoon Jérémie (1702-1762), wiens zwerftochten hem tot in Perzië voerden, werd naderhand ‘vader’ van het Walenweeshuis. En een andere zoon, Gideon Jérémie (1741-1802), was het, die geluk had in de handel en zich daardoor een maatschappelijke positie wist te verwerven die het geslacht vanouds in Frankrijk ook al bezat. Daniël (1772-1834), de grootvader van de Charles van dit verhaal, was de derde van de elf kinderen van genoemde Gideon Jérémie. Hij noemde zich inmiddels Boissevain en ging eveneens in de handel. Zo ook diens zoon, de vader van onze Charles.

Voor zijn vader, ook een Gideon Jérémie (1796-1875), koesterde Charles een grote bewondering. Hij was reder van beroep en woonde op de Herengracht. De scheepvaart nam als vanzelf een centrale plaats in binnen het gezin Boissevain.

Hoe herinner ik mij uit mijn jeugd‘, schreef Charles eens, ‘de machtige betekenis van de wind voor het zeevarend Holland! ’s Ochtends was de eerste taak van mijn vader om in de tuinkamer uit het venster te gaan kijken naar het haantje van den Westertoren om te zien hoe de wind was. Want de ‘Nederland & Oranje’, de ‘Bestevaer’ en de ‘A. Falck’ lagen al een paar weken te Nieuwediep (Den Helder, red.), wachtende op de gunstige oostenwind en ziet de wind bleef altijd maar uit het westen waaien, tot groot verdriet van reeder en gezagvoerder. Welk een aardig slag mensen waren die scheepsgezagvoerders van een vijftig jaar geleden! Die op mijn vaders schepen, kwamen meest uit Katwijk, uit deftige gezinnen, wier hoofden van vader tot zoon kapiteins waren van Amsterdamsche Koopvaardijschepen. Nog zie ik hen voor mij, de Duyvenbodes en de Van der Plassen, breede krachtige mannen, trouwhartig, onkreukbaar eerlijk, gelijk mijn vader steeds getuigde. Ze brachten de poëzie van de zee steeds onze huiskamer binnen als ze kwamen koffiedrinken na behouden terugkomst. Dan brachten ze geschenken mee, waarvan ik er een tot nu bewaard heb, een Indische prauw met zeilen en roeiers geheel van kruidnagelen gemaakt. Potten gember, kanaries van de Canarische eilanden, snuisterijen uit Java, den geur der morgenlanden brachten ze het huis op de Heerengracht binnen. Geen wonder, dat ik de zee liefheb!

GIDEON JEREMIE (1796 - 1875) x MARIA VAN HEUKELOM (1801 - 1866)

Charles moeder was Maria van Heukelom (1801-1866), de dochter van een groot bankier. Bij haar huwelijk, in juni 1830, kreeg ze van haar vader al voor 40.000 gulden aan Nederlandse effecten mee, waaruit valt op te maken dat het in dit gezin aan niets ontbrak. Via de Van Heukeloms kende de familie de heer Van Rossum op Zandbergen te Naarden en het is dan ook aardig om uit Gideon Jérémies dagboeknotities van zaterdag 14 september 1839 het volgende te citeren:

Ten 8 Uren met Papa van Heukelom, & Jan & Margo (ook Van Heukeloms, red.) met het wagentje & de Tilbury naar Zandbergen boven Naarden bij den Heer I.P. van Rossum, de plaats en de Zanderij bewandeld, en Kweek van jonge boomen bezigtigd. Collation in de open lucht genuttigd. Met het Rijtuig van den Heer van Rossum naar het zomerhuis van den heer Huidecoper (het paviljoen), ’t welk f 75/m gekost heeft. Schoon gezigt van het Balcon af, men ziet Amsterdam, Hoorn, Harderwijk, Amersfoort en Utrecht. Ten 1/4 voor 8 Uur weder in de stad gekomen en toen gegeten, het weder was schoon.

Bewondering voor Charles’ vader was er in 1832, toen hij tijdens de beruchte cholera-epidemie Amsterdam verkoos boven een veiliger verblijf op het platteland. Vrijwel iedereen met geld en vrienden elders zocht een onbesmet onderkomen op de zandgronden. De rijke reder Boissevain daarentegen zocht de zieken op! Aan de Prinsengracht regelde hij een leegstaand huis en vestigde er een hoofdkwartier om van daaruit de epidemie te bestrijden. Hij wierf personeel voor het vervoer en de verpleging van zieken en begaf zichzelf onder de cholerapatiënten. Een moedige vader dus, die door de goede God, zoals hijzelf zei, gespaard bleef. Hij kreeg er een medaille van de stad Amsterdam voor. Dat stukje eremetaal was in de familie meer waard dan menig ridderorde.

Ook voor zijn moeder had Charles een grenzeloze waardering. Zij sprak haar talen en was zeer belezen. Goethes citaat dat de jeugd vatbaar was voor het hoogste geluk, stond bij haar hoog in het vaandel. Charles’ jeugd speelde zich deels af op het buiten ‘Duinvliet’ tussen Overveen en Aerdenhout, waar het gezin halverwege de negentiende eeuw, naar eigen zeggen, de heerlijkste zomers doorbracht. Op gevorderde leeftijd verheerlijkt de avontuurlijk van aard zijnde Charles de roeitochten daar, de ritten te paard en het lezen van ‘Ivanhoe, The Heir of Redclyffe’ onder een hoge eik. ‘Een toververhaal uit het land der idealen’ noemde hij het boek. In die tijd logeerde hij eens bij zijn grootvader Van Heukelom op Leeuwenhooft in de Haarlemmer Hout. Op een zondag in mei reed hij met hem in een brik naar Heemstede. Daar in de kerk zag hij op de kansel Nicolaas Beets. Hij raakte onder de indruk van hoe treffend mooi en toch eenvoudig deze een preek voorlas. Ook in het ouderlijk huis ontmoette Charles dikwijls hoogstaande mannen op het gebied van de kunst en de letteren. Na zijn schooljaren voelde hij zich tot de letterkunde aangetrokken en zijn aangeboren opmerkingsgave leidde vervolgens als vanzelf tot de journalistiek.

Al in 1865, Boissevain was toen 23 jaar, schreef hij onder de schuilnaam ‘Fantasio’ in het toonaangevende Algemeen Handelsblad zijn eerste artikelen. Het waren de zogenoemde ‘Iersche Brieven’, die niet alleen door hun inhoud, maar ook door de vorm waarin zij gegoten waren zeer de aandacht trokken. Zijn jeugdige, frisse beschouwingen vormden al snel verkwikkende oases in de toen gortdroge en dorre inhoud van de dagbladen. Het is daarom niet vreemd dat hij kort daarna in de redactie van het blad werd opgenomen. Charles werd buitenlands correspondent en op een van zijn reizen ontmoette hij de Ierse Emily MacDonnell, die later zijn vrouw zou worden. ‘Een Schotse van naam en afkomst’, zei de schrijver Potgieter, die bevriend was met Boissevain, toen hij Emily aan zijn confrère Busken Huet voorstelde. In 1885 werd Charles Boissevain hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad en twee jaar later begon hij met zijn eigen rubriek ‘Van Dag tot Dag’. Hij introduceerde hiermee het hoofdredactionele commentaar in de Nederlandse journalistiek. In zijn circa 4.300 ‘columns’, die tot de populairste lectuur van zijn tijd behoren, heeft hij zijn eigen zeer persoonlijke gaven geheel kunnen ontplooien. Er zijn niet veel onderwerpen te bedenken waarover hij niet geschreven heeft. Bekend werden zijn polemieken met de gereformeerde politicus Abraham Kuyper en zijn steun voor de Zuid-Afrikaanse Boeren in hun opstand tegen de Engelsen.

‘Ons Amsterdam’ (1996 afl. 10) beschreef Charles Boissevain onder meer als volgt: ‘Charles was op en top een liberaal. Het vrije ondernemerschap ging bij hem boven alles, maar de ‘Oranjefurie’ tegen de socialisten in 1887 keurde hij scherp af. De veroordeling en de verbanning van de joodse officier Alfred Dreyfus in Frankrijk in 1894 vond hij een schande en in 1898 interviewde hij als eerste Nederlander Emile Zola, romancier en Dreyfus’ welsprekende verdediger. Daarentegen veroordeelde hij het opkomend socialisme.

Tot ergernis van de linkse journalist Henri Wiessing, van 1907 tot 1915 hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, die Charles kenschetste als ‘de zelfvoldane opperliberaal van die dagen’ die ‘op basis van een wel zorgvuldig maar tweederangs schrijftalent en een inhalige geest zonder schroom zichzelf en zijn hele familie naar de voorgrond drong’.

Aanvankelijk woonde Charles Boissevain met vrouw, elf kinderen en met het Engelse kindermeisje Polly Barker op de Herengracht nr 332. Zijn vermaarde broer Jan, oprichter van de Stoomvaart Maatschappij Nederland, woonde een paar huizen verder. Op 54-jarige leeftijd kocht Boissevain Drafna en werd Naarden het domicilie van de toen al ‘Paus van de vaderlandse journalistiek’ genoemde bekende Nederlander. Die typering vond hij overigens niet prettig. Rond de eeuwwisseling zagen de Naarders hem elke morgen in een wagentje met een wit hitje ervoor gespannen naar het station rijden. Later legde hij de afstand veelal per driewieler af.

Alhoewel hij eens op Drafna in een toneelspel de draak stak met de Gooise boeren die zijn naam niet goed konden uitspreken, koesterde hij sinds zijn verhuizing naar Naarden een bijzondere liefde voor het Gooi. De natuur was hem alles. Hij kon zeer geestdriftig schrijven over bomen en bloemen, over de Hollandse duinen en de zee, het strand, over een sneeuwstorm en over een nachtelijke wandeling over de Gooise heide, waarbij hij overweldigd werd door het licht van de maan en de pracht van de sterrenhemel.

‘Waarom Maart’, zo schreef hij, ‘de lentemaand wordt genoemd, besef ik eerst goed sinds ik hier buiten woon in het Gooi. Want zij heet lentemaand, omdat onze dichterlijke taal niet in de steden is geboren, maar in de eerste plaats doordrongen is van het gevoelen, denken en verbeelden van hen die het land bewonen en den grond ontginnen en voor wie Maart zaaimaand is.’

En in de zomer van 1906 schreef hij: ‘Gisteravond zongen bij mij op Drafna voor het eerst van dit jaar een paar nachtegalen in de eschdoornlaan, in de luwte van het dennenbosch‘.

Boissevain Daughters

Charles en Emily Boissevain poseren met hun zes dochters voor Drafna

Het leven op Drafna met kinderen en kleinkinderen temidden van de fraaie natuur werd op latere leeftijd het belangrijkste in het leven van Charles Boissevain. Veel brieven, toneelstukjes, menu’s en foto’s getuigen van de goede en vaak feestelijke sfeer die er op Drafna heerste. Daar ook schreef Charles zijn ‘Zonnige uren’, opstellen die hij maakte als ‘de zon in zijn inktkoker scheen’ en hij zich verheugde over de momenten van lieflijke en schone dingen die mensen kunnen opbeuren en hoop geven. Het boek werd opgedragen aan zijn kleinkinderen, die, zei Charles ‘ons dwingen jong en vrolijk te blijven; kinderhandjes strijken de rimpels glad van het fronsend voorhoofd.’ Charles was een groot kindervriend. Hij geloofde heilig in de kracht die er schuilt in het grote, nauwverbonden gezin, in huiselijk geluk.

In 1912, bezocht de journalist Jan Feith hem op Drafna voor een interview.

Het was de dag van zijn 70ste verjaardag’, schreef Jan Feith, ‘28 oktober 1912, in den vollen herfst, een van najaarspracht jubelende kleurdag in Holland, mooi-Gooi op zijn heerlijkst. Daar woonde hij buiten Naarden, naar den kant der vlakke Zuiderzee, aan den ruigen Gooikant, in zijn idyllisch houten buitenhuis, de groote tuin als park, heuvelachtig en bosrijk. Aan de bocht van de Huizerweg, de kortgesnoeide haag langs, de glooiing van een op Ierland geïnspireerde lawn, daartusschen de breede oprij-weg, leidend naar het in chalet-stijl gebouwde woonhuis. Terzijde lag rimpelloos de lage vijver, nu vol bladval; het dennenbosch daarneven; een rustiek bruggetje over een ravelijntje. En achter het half Zwitsersch half Noorsche huis, tusschen de verspreid staande boomen, de wijde doorkijk over de lage, naar het noorden gespreide weiden, aan den einder afgesloten door den roest-bruinen wand van Valkenveensche bosschen. En daar weer achter de Zee, – “zeewind, gezuiverd door dennengeur!” zoals Charles Boissevain zijn eigen retraite eens aanduidde.

Charles Boissevain Handelsblad

Charles Boissevain is tot 1908 hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad gebleven. In dat jaar nam, tot grote schrik van de redactie, zijn zoon Alfred Gideon (1870-1922) het roer van hem over. Naast zijn journalistieke oeuvre schreef Charles enkele boeken, waaronder het in 1906 op Drafna gemaakte ‘Onze Voortrekkers’. Dat bij het Algemeen Handelsblad gedrukte bijna 500 pagina’s tellende werk vertelt over de geschiedenis van enkele van Charles voorouders en eindigt met persoonlijke herinneringen van hemzelf. Het boek werd niet in handel gebracht maar was uitsluitend bestemd voor familieleden en vrienden. In die kringen werd hij op handen gedragen.

Drafna werd familiehuis bij uitstek, waar kinderen en kleinkinderen dolgraag kwamen, waar grootvader Charles volop genoot van hun aanwezigheid en met overgave het ‘Hop Marjannetje’ en ‘Schuitje varen, theetje drinken’ met de kleintjes kon meezingen.

Charles is tot zijn overlijden in mei 1927 op Drafna blijven wonen. Zijn laatste jaren waren niet gemakkelijk. Een half jaar voor zijn dood bezocht een redacteur van het Algemeen Handelsblad hem nog een keertje in de grote kamer van Drafna, die uitzicht bood op de vijver. De bijna 85-jarige Charles werd toen de kamer binnengeleid ondersteund door een verpleegster. Van het licht, dat zo dikwijls door zijn inktkoker had geschenen, zag hij vrijwel niets meer. Voor wie wist hoe lezen, waarnemen en schrijven zijn grote vreugde waren, was het een droevig gezicht. Maar zijn geest was nog helder en zijn belangstelling voor het Algemeen Handelsblad was gebleven.

Zacht is het leven van Charles Boissevain uitgeblust. Als een zon, die langzaam onderging in de gouden schoonheid van het Gooi’, schreef men na zijn overlijden op 5 mei.

Toen Charles Boissevain eens aan het graf stond van een van zijn zusters, die ook in mei de eeuwige rust was ingegaan, zei hij:

Er is geen betere maand om van het leven te scheiden, dan de Meimaand, als alles herleeft, als alles hernieuwd wordt en weder opbloeit tot het dragen van nieuwe vruchten. Dat symbool van eeuwige herleving begroeten we, als wij onze dierbaren ons zien voorgaan.

Charles Boissevain werd op een dinsdagmiddag om twaalf uur op de begraafplaats bij Jan Tabak ter aarde besteld. Op het ogenblik dat de droeve stoet, waarin velen uit zijn grote gezin en het voltallige dienstpersoneel meegingen, Drafna verliet, op dat ogenblik werd van een venster een gordijn langzaam weggeschoven en zag men de vrouw, die bijna zestig jaar licht en vreugde had verspreid in het leven van Charles Boissevain. Ze was alleen in huis achtergebleven en oogde diepbewogen het stoffelijk omhulsel van haar man na.

Op het kerkhof, zo lezen we in de kranten van toen, waar een grote menigte, waaronder journalisten, de Naardense burgemeester Van Wettum, de Erfgooiersvoorzitter Emil Luden en vele andere bekenden uit het Gooi waren samengekomen om de bekende en beminde grijsaard de laatste eer te bewijzen, werd de baar gedragen door zoons, schoonzoons en de oudste kleinzoons. Rondom het graf en tegen de groene hagen waren kransen van rozen, seringen, aronskelken en rododendrons gevlijd. Aan de binnenkant was het graf gestoffeerd met sparrengroen, witte violieren en seringen. Een van Boissevains kleinzoons refereerde aan al het goede en schone wat grootvader hun had ingeprent en waar zij heel hun leven voordeel mee zouden kunnen doen. Charles jr. herinnerde aan de innige verhouding die bestond tussen de vader en al zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. En toen de Naardense torenklok haar brede uitvaartgalmen wijd over heide en veld beierde, zongen allen als afscheidslied zijn lievelingshymne uit het liedboek der Engelse Kerk:

Sun of my soul, Thou saviour dear

It is not night, if Thou be near.

Henk Schaftenaar, Naarden (september 2004)

De heer H. Schaftenaar is redacteur van ‘De Omroeper’, het geschiedkundige tijdschrift voor de plaats Naarden. Bovenstaand artikel is van zijn hand en geplaatst in jaargang 17, nr. 3.

Wicher Boissevain: ontginner van de Liberiaanse wildernis

wicher01i

Wicher Boissevain was general-manager rubberplantages in Liberia

Wij zitten in de ruime kamer van een eenvoudig prefabricated woning op ruim 100 km van de Liberiaanse hoofdstad, Monrovia. Het uitzicht is weids. Op de heuvels, kilometers ver in de omtrek, bevindt zich een nog geen twee jaar oude rubberaanplant met een totale oppervlakte van 2000 ha. Mijn gastheer, de heer Wicher Boissevain (1925-1981), die er met zijn Nederlandse vrouw en vier kinderen woont, maakt een verontschuldigend gebaar: “Nee, ik ben geen landbouwingenieur. Ik heb alleen de landbouwschool in Deventer, want vier jaar militaire dienst in Nederland en Indonesië hadden mij toch al achterop gebracht.” Uit zijn onopgesmukt verhaal blijkt wel dat het leven beslissingen verlangt, waarop men op geen enkele school afdoende kan worden voorbereid.

Geen water, geen licht, geen weg

Toen wij in 1957 uit Indonesië werden verjaagd konden wij in Nederland moeilijk aan de slag komen. De werkgevers wisten niet goed wat zij met ons aan moesten. Een collega van mij verzweeg ten slotte zijn diploma’s en ging in een pakhuis aan de arbeid. Maar omdat hij te hard werkte dreigden enkele mede-arbeiders hem in de gracht te gooien. Ik hoorde dat Amsterdam Rubber van plan was een rubberplantage te stichten in Liberia en greep mijn kans met twee handen aan. In 1959 trok ik in Liberia de ‘bush’ in, om het terrein te verkennen. Dragers waren gauw genoeg gevonden en een van onze eerste daden moest zijn, van het lokale opperhoofd een lemen hut te kopen, die wij voor tien dollar verkregen. Toen wij het terrein hadden uitgezocht en de plaats, waar de fabriek kon worden gevestigd, konden de werkzaamheden een aanvang nemen. Er was uiteraard geen water en geen licht en ook de weg moest eerst door ons worden aangelegd. Een rivier bood een grote moeilijkheid, maar ook de brug is door ons gebouwd. De verstandhouding met de bevolking is van den beginne af aan uitstekend geweest.

“Iets wits”

Op een dag was er groot rumoer onder de duizend arbeiders, die wij in dienst hadden. In plaats van aan het werk te gaan, bleven zij in groepjes druk praten. Het probleem bleek te zijn, dat aan de stam een belasting van 25 dollar was opgelegd en dat zij met geen mogelijkheid wisten, hoe zij aan dat geld moesten komen. Ik heb ten slotte aan het opperhoofd aangeboden de 25 dollar te betalen. Er werd onmiddellijk een groot feest georganiseerd, dat ik ook moest bijwonen, omdat “iets wits” dankbaarheid uitdrukt. Enkele bewoners hebben mij later nog met een witte kip verrast, hetgeen voor deze mensen een heel kapitaal is.

’s Lands wijs

Maar het grootste bewijs van erkentelijkheid kwam, toen een deputatie mij, enige dagen later, een jonge dochter kwam aanbieden. Ik vertelde dat ik al een vrouw in Nederland bezat en de wetten van mijn land het bezit van een tweede vrouw niet toelieten. De deputatie was met dit antwoord maar matig tevreden, omdat ik nu eenmaal in hun land was, waar dergelijke dwaze wetten niet bestonden. De ouders van het jonge meisje hebben later nog een pleidooi voor hun dochter gehouden en toen ook dat niet hielp heeft de stam achtereenvolgens zeven jonge meisjes “op zicht” gestuurd.

Staking

Moeilijkheden zijn overigens niet uitgebleven. Plotseling was de stam van mening dat hogere lonen moesten worden uitbetaald. Een groepje met stokken bewapende Afrikanen trok in de aanplant van groep naar groep, wekte alle arbeiders op, het werk neer te leggen en verjoeg het huispersoneel uit de woningen van de drie Nederlanders, die toen de leiding vormden. Op zo’n ogenblik moet je geen vrees tonen, maar de situatie werd toch wel moeilijk, toen een tocht naar de bewoonde wereld onmogelijk bleek, omdat de leiders van de staking de enige weg naar Monrovia geblokkeerd hadden. Telefoon is er nog niet in dit land en eerst na dit intermezzo hebben wij voor een radioverbinding gezorgd. Er was een mogelijkheid, in schijn toe te geven, opdat in ieder geval de weg zou worden vrijgemaakt. Wij zouden dan echter het vertrouwen van de bevolking verspeeld hebben. Wij bleven weigeren te onderhandelen en eisten, dat de versperringen zouden worden verwijderd. Toen wij daarna president William V. S. Tubman in Monrovia van de gebeurtenis op de hoogte konden stellen, stuurde deze onmiddellijk een aantal soldaten, die de orde herstelden.

ƒ12 miljoen

Investeringen als deze zijn ook in financieel opzicht een avontuur. Toen wij in 1959 startten met het project, dat in totaal ƒ12 miljoen zal kosten, was de bevolking enthousiast over het loon van ongeveer ƒ1,25 per dag. Sindsdien zijn niet alleen de lonen bijna verdubbeld, maar zijn door ons ook reeksen van voorzieningen getroffen, waaronder bijvoorbeeld de verstrekking van rijst. In dezelfde periode zijn tegelijkertijd de rubberprijzen aanzienlijk gedaald, zodat het maar gelukkig is, dat wij bij onze oorspronkelijke financiële opzet met ruime marges hebben gewerkt. In deze landen moeten de westerse ondernemers vrijwel alles zelf doen. De Amerikaanse Firestone, waar, tussen haakjes, ruim dertig Nederlanders werken in leidende functies, bezit in Liberia de grootste aaneengesloten rubberplantage ter wereld. Deze onderneming heeft vele dorpen gebouwd voor haar arbeiders, scholen opgericht voor kinderen en sportvelden aangelegd.

Bij volmacht

Hoewel Firestone aan tienduizenden mensen werk verschaft en grote welvaart om zich heen verspreidt, gaan toch wel kritische stemmen op onder Liberiaanse jongeren, die zich niet (kunnen) realiseren welke problemen de leiding van zo’n onderneming inhoudt. Maar gelukkig beschikt Liberia over een wijs man aan het hoofd van de regering, president Tubman, die de belangen van zijn land op bekwame wijze behartigt. De president wordt telkenmale met overweldigende meerderheid herkozen. Bij de laatste verkiezing heeft mijn chauffeur zeventien maal op hem gestemd, uiteraard telkenmale zogenaamd voor een ander. “Als de president dit zou bemerken zou hij alleen maar blij zijn, dat iemand blijk geeft zoveel van hem te houden”, was zijn verklaring voor zijn enthousiasme bij de stembus.

wb krant 002 ws

de Telegraaf (5 oktober 1963)

wb onderscheidingen 008i

Voor zijn verdienste voor Liberia ontving hij op 4 december 1979 in naam van de Liberiaanse president William R. Tolbert de hoge onderscheiding van Grand Commander of the Liberian Order.

wb onderscheidingen 001i