De Amsterdamse familie Boissevain

Familiereünie 8 april 2006

Op 2 november 1996 zijn zo’n 100 Boissevains bijeen in het Gemeentearchief voor een ‘familiedag’. Uit de inventaris van het familiearchief, die dan gepresenteerd wordt, blijkt hun veelzijdigheid: reders, bankiers, journalisten, hoogleraren, kunstenaars en gemeentebestuurders. Stamvader Lucas, die in 1687 Frankrijk ontvluchtte, zou ervan hebben opgekeken.

Zo’n 100 jaar geleden behoorden de Boissevains tot de bekendste families van Amsterdam. Het Adresboek van de stad Amsterdam voor de jaren 1896-1897 en het bevolkingsregister bieden een boeiende momentopname. Op Singel 130 woont Willem Boissevain, boven het kantoor van zijn firma Gebr. Boissevain, commissionairs in effecten. Op Keizersgracht 143 vinden we de firma H.J.A. Boissevain & Co., assurantiebezorgers; de weduwe van de naamgever woont erboven, net als de 44-jarige zoon en firmant Louis Daniël Boissevain met zijn gezin. Drie Boissevain-huishoudens wonen buiten de Singelgracht, in de nieuwe elitebuurten. Koopman Jacob Pieter Boissevain, die kantoor houdt op Herengracht 158, bewoont Parkweg (nu Willemsparkweg) 71 en op nummer 88 woont Wibbina Cornelia Boissevain, lerares aan de Middelbare School voor Meisjes. Tesselschadestraat 4 is het adres van Gideon Maria Boissevain (59), bankier en econoom, medeoprichter van de Kas-Vereeniging. Het is nog steeds 1896: veel Boissevains wonen en werken op de prestigieuze Herengracht. Ook de beroemdste Boissevains van hun tijd vinden we hier: Charles en Jan. Op nummer 332 woont Charles (54), al elf jaar hoofdredacteur en sinds kort ook directeur van het Algemeen Handelsblad, de invloedrijkste krant van Nederland. Hij geldt dan ook als de paus van de vaderlandse journalistiek, al vindt de liberaal die titel niet prettig. Als jong verslaggever ontmoette hij op een van zijn expedities zijn Ierse vrouw, Emily MacDonnell. Ze hebben elf kinderen en gelukkig ook een (Engels) kindermeisje, Polly Barker.

Herengracht 368

Broer Jan, “Koopm. en Reeder; Direct, der Stoomv. Maats. Nederland”, woont sinds drie jaar op Herengracht 368. Op 12 december 1896 wordt hij 60 jaar. Zijn vrouw Petronella Brugmans bestiert de vele dienstboden (“een zorg die nimmer ophield,” herinnerde zoon Walrave zich) en het kindermeisje, Annie Barker, de zus van Polly. Nella ontvangt bovendien ’s maandagsmorgens in het souterrain hulpbehoevenden: die geeft ze geld, eten, brandstof, bemoedigingen en vermaningen. Op 368 staat ook mr. M.G.J. Boissevain ingeschre­ven. Dat is zoon Thijs (26), in het ouderlijk huis werkzaam als advocaat. Juist in 1896 richt hij Pro Juventute op, een vereniging die jongeren op het rechte pad wil houden.

Bouyssavy werd Boissevain

Die vooraanstaande positie in het Amsterdam van 1896 hadden de Boissevains niet cadeau gekregen. Ze behoorden immers niet tot het ‘regentenpatriciaat’ bestaande uit families als Bicker, Backer, Boreel, Elias, De Graeff, Huydecoper, Van Lennep, Röell, Six en Trip. Tot de Franse bezetting in 1795 waren zij generaties lang lid van de vroedschap (gemeenteraad) en als zodanig in 1815 door de kersverse koning Willem l in de adelstand verhe­ven. Daarvoor moesten die families aan twee eisen voldoen: ‘aanzienlijk’ (lees: rijk) zijn én Nederduits Hervormd. De Boissevains waren hugenoten, de van oor­sprong Franse calvinisten die in de 17de eeuw hun land ontvluchtten toen de katholieke koningen het protestantisme poogden uit te roeien. De familie woonde oorspronkelijk in Zuidwest Frankrijk. De oudst bekende Bouyssavy, zoals de naam toen nog werd gespeld, was anno 1445 notaris in Périgueux. Een nazaat, Lucas Bouyssavy, vluchtte in 1687 naar Nederland – het verhaal wil als verstekeling op een schip en verborgen onder de lading van een hooi­wagen. De voormalige wijnboer uit Bergerac moest in Nederland een beroep doen op de diaconie van de Waalse kerk. Lucas werd een kundig tekenaar en boekhouder en kon daarmee in zijn onderhoud voorzien. Hij noemde zich Boissavin; later werd dit in officiële stukken Boissevain. In 1700 trouwde hij met de Francaise Marthe Roux en ging met haar in de Korte Leidsedwarsstraat wonen. Stapje voor stapje beklommen zoon Jérémie en kleinzoon Gédéon Jérémie de maatschappelijke ladder, maar de echte opgang begon bij achterkleinzoon Daniel. Daniel (1772-1834) vond zijn echtgenote buiten de kring van réfugiés: in 1795 trouwde hij met Johanna Maria Retemeyer, met wie hij dertien kin­deren kreeg. Kort na het huwelijk overleed schoon­vader Retemeyer en met diens broer nam Daniel de leiding op zich van Retemeyers handel in Franse, Duitse en koloniale goederen. In 1812 begon hij voor zichzelf en stichtte de firma Boissevain & Co. Daniel werd rijk en verwierf aanzienlijke functies, zoals het lidmaatschap van de Kamer van Koophandel. Zijn dagboek biedt een prachtig beeld van het leven van een Amsterdamse koopman aan het begin van de 19de eeuw. Het gaat over de handel en het weer, over de politiek en de beursberichten (waarvan hij soms knorrig wordt). Hij vermeldt de kalfskop die hem zo goed smaakte en de oesters op Oudjaar. Hij houdt van stok- en schelvis en drinkt thee van sassefras met hondsdraf. Op zon­dagmorgen gaat hij naar de Waalse Kerk op de Oudezijds Achterburgwal en ’s middags worden visites afgelegd. Ook wandelt hij graag, langs de Buitenkant (Prins Hendrikkade) of over de Kalfjes­laan. Hij speelt kolf en gaat met vrouw en kinderen naar Felix Meritis om Bilderdijk aan te horen. Daniels schrijfstijl is beknopt en ietwat droog, maar door de veelzijdigheid is het een mooie kroniek, die kleur en diepte geeft aan de tijd waarin hij leefde.

Van koopmanschap naar rederij

In 1816 trad Daniels zoon Gideon Jérémie (1796-1875) toe tot het bedrijf. Deze verlegde met succes het accent naar de handelsvaart en de assurantie. Gideons schoeners voor de Levant en barkschepen voor de grote vaart vertrokken vanaf de Amster­damse kaden. In 1830 trouwde Gideon voor de derde keer; de eerdere echtgenotes overleden kort na hun huwelijk. Hij en Maria van Heukelom kregen zeven kinderen, onder wie zoon Charles die later over zijn jeugd rond 1850 schreef: “Mijn vader was reeder. Elken ochtend, als hij bij het ontbijt binnen­kwam, ging hij uit het venster kijken naar het haan­tje van den Westertoren, want hij was afhankelijk van wind. (…) Onze verbeelding werd geadeld door de zee en nog eens door de zee. En we gingen als jongens met vader naar de overzijde van het IJ, en dan zagen wij, door twintig paarden voortgetroken, langzamerhand het hooge schip, dat zoo donker uitstak boven de groene weiden, aankomen en als men van het dek den patroon zag, dan werd de vlag geheschen en klonk een hoerah uit het want.” Door huwelijken raakte de kinderrijke familie Boissevain gelieerd aan families als Van Eeghen, Van Lennep, Van Hall, Den Tex en Bosscha. De inte­gratie ging snel, ook omdat rijkdom inmiddels min­stens zo belangrijk werd gevonden als een patricische afkomst. Gideon woonde op de Herengracht en ’s zomers op het buiten Duinvliet bij Overveen. Net als zijn vader hield hij een dagboek bij en ook schreef hij reisverhalen, memoires en brieven. Hoe de gegoede burgerij destijds het joodse proletariaat bezag, lezen we in de brief van 9 september 1839, waarin Gideon het bezoek van Willem III aan Amsterdam beschrijft: “Maandag hebben wij den plegtigen intogt gehad van den Erfprins en Erfprinses, alle huizen fraai vercierd, de straten krielende van menschen en ik vrees maar al tezeer het vor­stelijk rijtuig krioelende van vlooijen, want verbeeld u dat het gemeen (wel van ’t minste soort augurke-moussies en zoo al wat) de caliche zoo zeer omringd had dat zij aan de lantaarns hingen, en er een zelf tot vlak over de princes zat, doch gelukkig is alles wel afgeloopen.” Gideons zoon Jan (1836-1904), al genoemd als Herengracht-bewoner, was een innoverend onder­nemer en verlegde zijn activiteiten van de zeil- naar de stoomvaart. In 1870 richtte hij met anderen de Stoomvaart Maatschappij Nederland (SMN) op, voor een snellere verbinding met Nederlandsch-Indië. En in 1888 stond hij aan de wieg van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij, die later met de SMN opging in Nedlloyd. Jan was enkele jaren lid van de Amsterdamse gemeenteraad en Provin­ciale Staten. Hij verhoogde zijn status door te trou­wen met een dochter van stadsadvocaat Brug­mans; alleen keek zijn schoonmoeder aanvankelijk neer op “die koopman”.

Liberale dagbladmakers

Jans avontuurlijke broer Charles (1842-1927) was buitenlands correspondent van het Algemeen Han­delsblad en werd in 1881 hoofdredacteur. Hij begon in november 1887 de rubriek ‘Van dag tot dag’ en wist die ruim 30 jaar vol te houden. Volgens pershistorici introduceerde Charles hiermee het hoofd­redactionele commentaar in de Nederlandse jour­nalistiek, al is die rubriek ook als column te typeren. Charles polemiseerde met de gereformeerde politi­cus Abraham Kuyper (tevens hoofdredacteur van De Standaard) en steunde door dik en dun de Zuid-Afrikaanse Boeren tegen de Engelse kolonisatoren. Ook schreef hij over ‘Het Hollandsche strand’ en ‘Het roekeloos rijden der wielrijders’ – met veel begrip voor die waaghalzen, want zelf schafte hij al rond 1870 een vélocipède aan!

Charles Boissevain (1842-1927)

Charles was op en top een liberaal. Het vrije ondernemerschap ging boven alles, maar de ‘Oranjefurie’ tegen de socialisten in 1887 keurde hij scherp af. Anders dan zijn vader moest hij niets hebben van antisemitisme. Het ontslag van de joodse officier Alfred Dreyfus in Frankrijk vond hij een schande en in 1898 interviewde hij als eerste Nederlander Émile Zola, romancier en Dreyfus’ wel­sprekende verdediger. Daarentegen veroordeelde hij het opkomend socialisme. De linkse journalist Henri Wiessing, van 1907 tot 1915 hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, kenschetste Char­les als “de zelfvoldane opperliberaal van die dagen” die “op basis van een wel zorgvuldig maar tweede­rangs schrijftalent en een inhalige geest, zonder schroom zichzelf en zijn hele familie naar de voor­grond drong”. De krant zetelde in twee oude herenhuizen op de Nieuwezijds Voorburgwal bij de Paleisstraat. Jour­nalist David Kouwenaar schreef: “De benedengang van het Handelsblad was zo smal, dat twee personen elkaar nauwelijks konden passeren. De volle, iet­wat schommelende gestalte van Charles vulde de gang vrijwel geheel.” Begrijpelijk dat Boissevain door architect Eduard Cuypers hier een groot, modern pand liet bouwen, dat in 1903 gereed was. Vijf jaar later gaf Charles het hoofdredacteurschap door aan zoon Alfred Gideon (1870-1922), die in 1916 ook het directeurschap overnam. Wiessing beschreef hem boosaardig als “een zeker niet onaardig marineofficier, die echter op journalistiek en met name politiek gebied van toeten noch bla­zen wist, zelfs geen behoorlijke brief kon schrijven, en desondanks nu en dan in eigen persoon een hoofdartikel ging brouwen, wat de hele redactiestaf de schrik op het lijf joeg!”

De feministische traditie

Het is ondoenlijk alle verdienstelijke Boissevains hier aan bod te laten komen. Wel valt er een ‘sorte­ring’ te maken naar werkterrein en belangstellings­sfeer. Begin deze eeuw raakten enkele Boissevains in de ban van de theosofie, toen min of meer een religieuze rage. Een dochter van Charles, Maria van Eeghen-Boissevain (1869-1959) stelde de bewe­ging in 1924 zelfs haar landgoed bij Valkeveen ter beschikking. Belangrijker is de feministische traditie, ingezet door Maria (1878-1959), de jongste dochter van Jan en Nella. Mia zoals ze genoemd werd, kwam met de vrouwenbeweging in aanraking tijdens haar studie biologie in Zürich, waar ze de doctorsgraad behaalde. Terug in Nederland besloot ze kennis te gaan maken met de roemruchte Aletta Jacobs. “Toen ik daar op de stoep stond en de bel luid klin­gelde, keek ik verschrikt naar rechts en naar links of iemand mij ook gezien had. Ik was bang dat men mij zou verdenken voor een illegale operatie daar op bezoek te gaan. Het was nl. ongelofelijk zoals er gelasterd werd in alle mogelijke kringen, de pro­fessorale vooral niet uitgezonderd, over deze eerste Nederlandsche doctores, ’t Is waar, ze was een groot voorstandster van kinderbeperking; een tijd lang had de z.g. vrije liefde ook haar sympathie gehad en dit was genoeg om haar bij de conventioneele menschen onmogelijk te maken.” Jacobs betrok Mia Boissevain bij de geruchtmakende ten­toonstelling ‘De vrouw 1813-1913’, op het land­goed Meerhuizen aan de Amsteldijk. Daarbij werkte ze samen met feministische kopstukken als Wilhelmina Drucker, Rosa Manus en Johanna Naber, die lang niet zo eng waren als gedacht.

Maria (Mia) Boissevain (1878-1959)

Charles’ zoon Charles Ernest Henri (1868-1940) was getrouwd met Maria Pijnappel (1870-1950) en zij bracht het tot voorzitster van de Bond voor Vrouwenkiesrecht. Ook Mies Boissevain-van Len­nep werd een vurig feministe. Zij was getrouwd met Jan (1895-1945), een zoon van Charles Daniël Walrave. In de jaren dertig voerde ze actie tegen het arbeidsverbod voor gehuwde vrouwen. Na de oorlog richt­te ze de vrouwenpartij Practisch Beleid op, die ech­ter de kiesdrempel niet haalde. Een andere idealistische stroming die weerklank vond bij de familie Boissevain was de Montessori-beweging. Romelia Abramina Kalff, de tweede vrouw van Walrave Bois­sevain, de politicus, kende diverse Montessorianen, dus stuurden ze in 1920 hun dochtertje Gon naar de Montessorischool in de Lairessestraat. En omdat hij zo graag praatte, was Walrave al snel voorzitter van het schoolbestuur. Als zodanig had hij nauw contact met zijn nicht Hilda de Booy-Boissevain, afdelingsvoorzitster van de Nederlandsche Montessori-vereeniging.

Wetenschap en politiek

Twee Boissevains werden hoogleraar aan de Uni­versiteit van Amsterdam. Ursul Philip (1855-1930), een neef van Jan en Charles, was van 1917 tot 1926 hoogleraar Oude Geschiedenis. En Jeremy Boissevain (1928), een achterkleinzoon van journa­list Charles, doceerde er tot 1994 Antropologie. Een paar Boissevains kwamen in de politiek terecht. ‘Jonge Charles’, directeur van een ammoniakfabriek en bestuurder van het Concertgebouw, was tussen 1905 en 1919 lid was van gemeente­raad en Provinciale Staten. Zijn eega, de hiervoor genoemde Maria Boissevain-Pijnappel was van 1919 tot 1939 voor de liberale Vrijheidsbond lid van de Provinciale Staten. Maar de bekendste politicus was Walrave (Wally, 1876-1944), zoon van reder Jan. In 1913 kwam hij voor de liberalen in de Tweede Kamer en in 1918 in de gemeenteraad. In 1927 werd hij wethouder. Vol­gens partijgenoot en oude kennis Ernst Heidring, voorzitter van de Kamer van Koophandel, was Wally “geen groot licht, hoewel van het tegendeel overtuigd”. In de Kamer willen ze hem wel kwijt, schreef Heidring in zijn dagboek, “daar hij telkens bij gewichtige stemmingen op het appèl ontbreekt en golf speelt”. Walraves politieke tegenvoeter was S.R. (Monne) de Miranda van de SDAP. Ze wissel­den elkaar af als wethouder Volkshuisvesting en/of Publieke Werken. Boissevain had een heel eigen opvatting van democratie: het college van B&W zonder socialisten waartoe hij in 1933 toetrad, legde elke motie tegen het harde bezuinigingsbeleid naast zich neer. “Wij hadden besloten,” schreef Walrave in zijn memoi­res, “onze taak te volvoeren, als het kon met den Raad, als het moest zonder den Raad”. Maar hij was netjes genoeg om in 1939 als voorzitter van een onderzoekscommissie naar het ‘erfpachtschandaal’ alle beschuldigingen van corruptie tegen De Miranda te ontkrachten. Diens val was echter onvermijdelijk en Boissevain werd weer wethouder, tot de Duitsers hem in 1941 ontsloegen. Heel wat linkser was het gezin van ‘jonge Jan‘ en Mies Boissevain-van Lennep. Naast bankier was Jan commissaris van de avant-garde bioscoop De Uitkijk. Eind jaren dertig ving Mies, die een schoonheidsinstituut had op Keizersgracht 484, al gevluchte joodse kinderen uit Duitsland op. In de eerste bezettingsjaren werd hun huis Corellistraat 6 een centrum van verzet. De zoons Jan Karel en Gideon fabriceerden in het souterrain brandbom­men en wapens. Jan Boissevain werd in 1942 opgepakt wegens handelscontacten met een jood; hij stierf in 1945 in Buchenwald. De verzetsgeest van de familie bleef ongebroken. De groep rond Jan Karel en Gideon kreeg de naam CS6, naar het huisadres. Leo Frijda, Hans Katan en anderen maakten er deel van uit. Bij een overval in 1943 werden Mies Boissevain en haar drie zonen met anderen gearresteerd. Jan Karel, Gideon en hun neef Louis Boissevain en de andere CS6-leden wer­den op 1 oktober 1943 gefusilleerd. Op de muur van hun gevangeniscel werd na de oorlog de wapenspreuk van de Boissevains aangetroffen: Ni regret du passé, ni peur de l’avenir (Geen spijt over het verleden, geen vrees voor de toekomst). Mies en haar zoon Frans overleefden de oorlog, respec­tievelijk in Ravensbrück en in Dachau.

Adrienne Minette (Mies) Boissevain – van Lennep (1896 – 1965)

Jongste generatie in kunstensector

Het geslacht Boissevain is over ons land en de wereld uitgezwermd; er zitten er veel in het Gooi, rond Arnhem en in Amerika. Naoorlogse bekende Amsterdamse Boissevains vind je nog in de kun­stensector. Beeldend kunstenaar Guus (1929) behoorde in de jaren vijftig en zestig tot de bohè­me. Deze zoon van een hoge legerofficier tekende cartoons voor De Telegraaf, maar noemde zich anarchist. Nu woont hij in een commune in Bergen aan Zee, waar hij jut en wilde feesten geeft. Zijn zoon Daniël (1969) rondde de toneelschool af in 1994 en acteert onder meer in de tv-serie ‘Tijd van leven’.

Daniël Boissevain (1969)

Annemie Boissevain (1939), klein­dochter van prof. Ursul Philip, is sinds 1975 gale­riehoudster. De Witte Voet, nu in de Kerkstraat, is gespecialiseerd in keramiek. Het journalistenbloed, ten slotte, zit in Marianne Boissevain (1946), een achterkleindochter van Charles en kleindochter van Alfred Gideon. Zij is al vele jaren buitenlandredacteur, zij het niet van NRC Handelsblad maar van de Volkskrant.

Het Boissevain-archief (1556-1992) is geïnventariseerd door P.J. Hofland en H. Peschar van het Gemeentearchief en daar te raadplegen: archiefnummer 394. Dit artikel is deels gebaseerd op de inleiding van deze inventaris en notities van Hofland.

Uit: Ons Amsterdam

Door: Lydia Hagoort & Peter-Paul de Baar

Prestatie-indicator wordt doel

Jaren geleden vroeg een opdrachtgever mij of de voortgang van een automatiseringsproject geduid kon worden door één enkel rapportcijfer. Ik antwoordde destijds bevestigend, met dien verstande dat het cijfer dan altijd een zeven zou zijn. Het gaat immers nooit écht slecht, maar helaas ook nooit écht goed.

In de vorige eeuw duurden automatiseringsprojecten vaak eindeloos lang. Via de watervalmethode werd eerst een definitiestudie opgesteld, daarna volgden diverse ontwerpen en vervolgens werd de code ontwikkeld. Opdrachtgevers gingen er van uit dat automatiseerders hun werk goed deden en moesten hun vertrouwen ontlenen aan lijvige voortgangsrapportages. Jaren na de projectstart kwamen zij er bij eerste oplevering van de software meestal pas achter dat het systeem niet of onvoldoende voldeed aan de verwachtingen. De roep om een indicator, die je laat zien of de doelen wel of niet worden gehaald, is dus begrijpelijk.

Bedrijven moeten vandaag de dag ook in een oogopslag kunnen zien hoe goed zij het doen. Zij willen daarom altijd een actueel inzicht hebben in de tevredenheid van hun klanten. De Net Promotor Score (NPS) biedt dat inzicht gebaseerd op één enkele vraag over de mate waarin de klant het bedrijf, product of dienst aan anderen zou aanbevelen op een schaal van 0 (zeer onwaarschijnlijk) tot 10 (zeer waarschijnlijk). De NPS wordt berekend als het verschil tussen het percentage respondenten die een score 9 of 10 geven (de promotors) en het percentage respondenten die een score van 0 tot 6 geven (de criticasters). Een positieve NPS (> 0) wordt als goed beschouwd.

In het dagelijkse leven onderwerpen we ons ook aan indicatoren. Gezondheids- en fitnessapps meten continu of wij onze doelen halen. Mijn Garmin Connect app geeft na iedere training op een schaal van 0 (geen vooruitgang) tot 5 (te intensief) aan in welke mate ik het aeroob trainingseffect heb behaald. Aan de hand van de hartslag tijdens de training wordt bepaald of het fitnessniveau wordt behouden of verbeterd. Regelmatige training met gemiddelde inspanning of trainingen met langere intervallen hebben een positieve impact op het aeroob metabolisme en produceren daardoor een aeroob trainingseffect. Mijn score na een roeitraining is meestal 3 of 4 en 5 na een spinningtraining.

Welke waarde moeten wij hechten aan de scores? Als klanten zeggen dat zij een bedrijf of product zullen aanbevelen in hoeverre doen zij dat dan ook daadwerkelijk? De NPS zegt immers niets over het werkelijke gedrag van klanten. Hetzelfde geldt voor onze persoonlijke scores. Hoge trainingseffectiviteit is geen garantie voor toename voor conditie of verbetering van sportprestaties. De scores verengen veelal het zicht op de werkelijkheid. Voor goed inzicht is informatie over de context noodzakelijk. Voor goede besluiten is vertrouwen op intuïtie onontbeerlijk. Als wij ons laten leiden door ‘meten is weten’ zullen wij nooit meer weten dan wij meten.

Organisaties meten veelvuldig prestaties, zoals bijvoorbeeld de output van de medewerkers, tevredenheid van klanten, resultaten van studenten of sterfgevallen in ziekenhuizen. Het gewicht dat aan de metingen wordt toegekend gaat vaak veel verder dan middel tot signalering. Organisaties worden er op afgerekend. Medewerkers zijn ervoor afhankelijk voor toekenning van hun bonus. Dat leidt tot ongewenste effecten, zowel bij meting als gedrag. Bijvoorbeeld: medewerkers concentreren zich op maximalisering van prestatie-indicatoren, klanttevredenheid wordt selectief gemeten, universiteiten verscherpen toelatingseisen en ziekenhuizen sturen patiënten in laatste levensfase naar een hospice. Metingen van sportprestaties – vaak gedeeld via sociale netwerken – worden een obsessie. Prestatie-indicatoren beïnvloeden in toenemende mate het gedrag van mensen en zijn vaak een doel op zich.

Veertien redenen om te geven

Het Rode Kruis en de Verenigde Naties waarschuwen voor een humanitaire ramp in Oost-Afrika. Elf miljoen mensen in Somalië, Ethiopië en Kenia dreigen te overlijden aan honger door extreme droogte. Normaal valt er veel regen tijdens het korte regenseizoen tussen oktober en december, maar afgelopen jaar is er amper iets gevallen. Door de droogte zijn de gewassen dor en is er te weinig drinken en voedsel voor het vee. Zelfs kamelen die gewend zijn aan droogte, hebben het moeilijk, zegt het Rode Kruis. Sinds 2011 is de situatie niet zo slecht geweest: “Alleen al in Somalië overleden toen een kwart miljoen mensen. We kunnen nu wat doen om een ramp zoals toen te voorkomen, maar alleen als we direct actie ondernemen.”

Zes jaar geleden opende NRC Handelsblad met de kop ‘Veertien redenen om niet te geven’ om een discussie te openen over de noodhulp aan de Hoorn van Afrika. Als één van de argumenten om niet de geven werd toen genoemd: “Voedselhulp is net zo verslavend als heroïne.” Meer dan de helft van de Nederlanders zou destijds niet van plan zijn geweest te doneren vanwege twijfels over de besteding van het opgehaalde geld.

Er zijn minstens veertien redenen om wél geld te geven voor de noodhulp aan de Hoorn van Afrika. En één reden om dat niet te doen. Aan jou de keus.

  1. In de Hoorn van Afrika heerst de ergste droogte sinds 60 jaar. Er worden 10 miljoen mensen bedreigd door hongersnood. Velen zijn voor de honger op de vlucht geslagen en volledig afhankelijk van noodhulp. Zonder hulp sterven dagelijks honderden mensen.
  2. Meer dan 2,5 miljoen kinderen zijn ondervoed. Aanvullende hulp voor kinderen is noodzakelijk om permanente schade aan hersenen en lichaam te voorkomen.
  3. Het bieden van noodhulp is een internationale humanitaire plicht. Noodhulp wordt alleen verstrekt in een levensbedreigende situatie. De Wereld Gezondheidsorganisatie spreekt van een noodsituatie als 15% van de bevolking ondervoed is. In Somalië ligt dit percentage veel hoger (20-30%) en in de kampen in Kenia zelfs op 45%.
  4. Ook buiten de kampen worden noodhulpmaatregelen getroffen zoals: met tankwagens water naar dorpen brengen en het verkleinen van de getroffen kuddes door vee op te kopen, te laten slachten en het vlees te verdelen.
  5. De Hulporganisaties werken al geruime tijd in Kenia en Somalië. Zij werken met eigen teams ter plaatse en met een vertrouwde lokale partnerorganisaties.
  6. Hulporganisaties bezitten een kwaliteitskeurmerk voor non-profit hulporganisaties. Het geeft aan dat de Hulporganisatie verantwoording aflegt en de kwaliteit van zijn humanitaire operaties verzekert.
  7. De samenwerkende Hulporganisaties leggen in het openbaar rekenschap af van de besteding van gelden. Zoals bij de hulp aan Haïti kan achteraf worden vastgesteld waar de hulp terecht is gekomen. Op fraude wordt streng toegezien.
  8. De samenwerkende Hulporganisaties hebben controles ingeregeld, zoals veldbezoeken, rapportages en accountantscontroles, om misbruik van hulpgelden en goederen te voorkomen.
  9. De overheadkosten van de Samenwerkende Hulporganisaties mogen niet hoger zijn dan 7%. De giften verdwijnen dus niet in de bureaucratie van de Hulporganisaties.
  10. Humanitaire hulp is slechts een klein onderdeel van de ondersteuning die Hulporganisaties bieden. Noodhulp mag niet worden verward met ontwikkelingssamenwerking die zich richt op een structurele aanpak van de oorzaak van problemen op lange termijn.
  11. Een persoonlijke gift aan een Hulporganisatie voor een schrijnende situatie in de wereld zorgt voor meer persoonlijke betrokkenheid dan hulp vanuit de overheid of de kerk.
  12. Het geld dat overblijft na de noodhulpverlening wordt door de Samenwerkende Hulporganisaties besteed aan een eerstvolgende ramp.
  13. Door ruimhartig te schenken versterkt Nederland haar reputatie van een solidaire humanitaire partner in de wereld.
  14. Het fiscale beleid van de overheid moedigt schenkingen aan goede doelen aan. Met een notariële akte geldt dit voordeel zowel voor de schenker als voor de Hulporganisatie.

Niet geven
Ontwikkelingshulp maakt onderontwikkelde landen afhankelijk en belemmert hen om zélf hun ontwikkeling vorm te geven.

Nieuwe impuls aan e-Overheid

c0selrquaaayg7x

In de tachtiger jaren deed het kwaliteitsdenken haar intrede. Als management consultant draaide ik mee in kwaliteitsprojecten binnen de overheid. Centraal stond de dienst die werd geleverd, de afnemer daarvan en de verwachtingen van de klant. In mijn eerste interview werd ik meteen terecht gewezen: “de overheid heeft geen klanten, de overheid heeft burgers. En die burger heeft rechten en plichten.” De toon was gezet, de overheid had een duidelijk beeld van haar verhouding met de burger.

Hoe anders is dit bij een commercieel bedrijf. Een bedrijf ontleent haar bestaansrecht aan haar omgeving. Deze bestaat uit klanten en uit stakeholders. Die laatste groep ziet toe op een verantwoord gedrag van het bedrijf. Een bedrijf heeft alleen bestaansrecht als het zich bezig houdt met zaken die de omgeving aantoonbaar waardeert. Het bewijs daarvoor is afname van producten en diensten door klanten. Een tevreden klant is belangrijk voor een bedrijf. Het bedrijfsresultaat en de continuïteit zijn afhankelijk van tevreden klanten die ook weer bereid zijn terug te komen. Klanttevredenheid leidt niet alleen tot klantenbinding maar ook tot positieve aanbevelingen en toename van het aantal klanten.

In de jaren negentig zette de overheid dienstverlening aan burgers en bedrijven op de agenda. In 1996 ging het programma Overheidsloket 2000 van start. Dit programma moest voorzien in een landelijk netwerk van loketten waar burgers en bedrijven terecht kunnen voor publieke dienstverlening met maximaal één doorverwijzing. De diensten moesten zonder menselijke tussenkomst 24 uur per dag beschikbaar zijn. In 1998 bracht minister Roger van Boxtel vervolgens het Actieplan Elektronische Overheid uit. Hierin staan voorstellen over goede elektronische toegankelijkheid van de overheid, betere publieke dienstverlening en verbeterde interne bedrijfsvoering bij de overheid. Vanaf die tijd wordt hard gewerkt aan de e-Overheid.

Twintig jaar na de start Overheidsloket 2000 wordt nog steeds gewerkt aan een betere dienstverlenende overheid. De overheid heeft daarbij nu last van remmende voorsprong. De meeste voorzieningen werden gebouwd vanuit het perspectief van de overheidsorganisatie zelf. Daardoor viel de afname van de diensten aanvankelijk tegen. Die afnemers – burgers en bedrijven – worden ook geconfronteerd met een verkokerd aanbod. Iedere overheidsorganisatie  heeft een eigen persoonlijk ‘mijnportaal’. Tenslotte werden veel voorzieningen met behulp van externe inhuur specifiek voor de overheid als maatwerk ontwikkeld. Zo werden bijvoorbeeld een zoekmachine, een berichtenbox, inlogmiddelen en overheidsloketten gebouwd. Deze maatwerkontwikkelingen zijn allang ingehaald door technologische- en marktontwikkelingen. De overheid kampt nu met een versnipperde, verouderde, onveilige en geldverslindende digitale infrastructuur.

Om een nieuwe impuls te geven aan de e-Overheid kunnen overheid en ICT-industrie de handen ineen slaan. De overheid kan zich daarbij primair richten op Open Standaarden en Open en toegankelijke Data. Hierdoor wordt de ICT-industrie gestimuleerd om innovatieve diensten en producten te ontwikkelen en daarvoor gebruikers te verleiden en te binden. Maatschappelijke en technologische ontwikkelingen worden daardoor vraaggericht aan elkaar gekoppeld. ICT-bedrijven zijn inmiddels het stadium van uurtje-factuurtje ontgroeit en kunnen in de huidige netwerksamenleving partner worden van maatschappelijke oplossingen.

Negen miljard besparen door vernieuwing overheid

tweedekamer

Kan de overheid 20% beter presteren tegen 20% lagere kosten? Ja dat kan, constateerde de initiatiefgroep 20×20 met deskundigen uit overheid, wetenschap, bedrijfsleven en verschillende politieke partijen in aanloop van de verkiezingen in 2012. Miljarden liggen voor het oprapen als de overheid oude patronen durft te doorbreken en zichzelf drastisch vernieuwt. Door slimmer te werken en actief gebruik te maken van informatietechnologie kan de overheid inspelen op de ontwikkeling naar een zichzelf organiserende samenleving.

Naar een digitale samenleving
Een moderne overheid is 24 uur per dag online vanuit een integraal burgerperspectief. Dubbele overheidsregistraties, –administraties en -portalen worden uitgebannen. Zoals in Estland heeft iedere burger een ID-kaart met een chip die gekoppeld kan worden aan computer en smartphone. De kaart is naast persoonsbewijs ook een digitale handtekening, een ov-kaart, een verzekeringspas en identificatie voor internetbankieren en internetstemmen. Burgers kunnen via hun ID-kaart via internet inzien welke data over hen wordt opgeslagen, zoals hun elektronisch patiëntendossier, en wie hun gegevens heeft geraadpleegd. Op die manier kan de burger beter worden geholpen, bespaart de overheid aanzienlijk en kan fraude beter worden bestreden. De overheid moet dan wel de keuze maken om volledig digitaal te gaan. De gebruikelijke compromisoplossing waarbij overheidsorganisaties de vrijheid hebben  zich al dan niet aan te sluiten op de digitale infrastructuur zal nooit de gewenste kwaliteitsverbetering en besparing opleveren. Ook de burger zal de elektronische dienstverlening moeten accepteren. Minder digitaal vaardige mensen moeten zich laten bijspijkeren en hulp zoeken in hun sociale omgeving. Zo compromisloos is de overheidsdienstverlening ook in Denemarken geregeld.

Twintig vernieuwingsvoorstellen
Op de vooravond van de verkiezingen presenteerden de initiatiefnemers twintig vernieuwingsvoorstellen die een bijdrage kunnen leveren aan een moderne overheid. Voormalig Tweede Kamerlid en wethouder Rob Oudkerk bepleitte een professionalisering van de facilitaire inkoop in de zorg. Op landelijke schaal zou daardoor 1 miljard kunnen worden bespaard. Peter de Baat, wethouder in Alkmaar, bepleitte de omvorming van gemeenten tot netwerkorganisaties voor gemeentelijke uitvoeringstaken. Maurice de Hond riep op tot een radicale vernieuwing van het onderwijs. Dit zou een besparing kunnen opleveren van 2 miljard en eveneens kunnen bijdragen aan versterking van de Nederlandse concurrentiepositie. Vanuit het bedrijfsleven werden voorstellen gedaan om door inzet van slimme technologie gelijktijdig kosten te besparen en CO2 uitstoot te verminderen.

Negen miljard bezuinigen zonder lastenverzwaring en verschraling
Realisatie van de voorstellen had 9 miljard aan besparingen op kunnen leveren zonder lastenverzwaring en verschraling. Daarvoor was daadkracht en samenwerking op landelijk en lokaal niveau noodzakelijk. Wethouders van Den Haag, Rotterdam en Enschede zegden hun steun toe. Tweede Kamerleden gaven aan de voorstellen te zullen inbrengen in de formatiebesprekingen. Helaas heeft geen van de voorstellen het VVD/PvdA regeerakkoord ‘bruggen slaan’ in 2012 gehaald. Het kabinet Rutte II bezuinigde 16 miljard euro resulterend in lastenverzwaring en verschraling.

Wilhelm Theodor Boissevain: de dominee van de NSB

wthb

Eind jaren 20 van de vorige eeuw werd Wilhelm Theodor Boissevain (1880-1945) gezien als een talentvol coming man in de kerk. Jaren later werd hij door Rost van Tonningen ‘de meest intelectuele NSB-er’ genoemd, een partij-ideoloog. Het leven van W.Th. Boissevain is te beschouwen als een muziekstuk met de titel: Tussen avondrood en zonsondergang. Aan de ene kant het fin-de-siècle gevoel en aan de andere kant de ondergangsstemming van de beide wereldoorlogen. Zijn levensgang in deze periode is opmerkelijk: van talentvol, jonge theoloog naar ideoloog van de NSB. In deze laatste rol heeft W.Th. Boissevain een belangrijk bijdrage geleverd aan het winnen van het protestants-christelijk volksdeel voor de NSB. Wat waren de idealen van deze opmerkelijke man? Wat waren zijn drijfveren om lid te worden van de NSB? En hoe is hij met de keuzes die hij maakte, te plaatsen in zijn tijd? Henk Tijssen geeft de antwoorden in de biografie die hij schreef over W.Th. Boissevain.

W.Th. Boissevan kwam in 1880 ter wereld in een gezin, dat de (in hun geval: Waalse) hervormde kerk trouw zou blijven in de woelige negentiende eeuw. Dat was geen vanzelfsprekendheid, want Hendrik de Cock en volgelingen knaagden in 1834 aan de fudamenten van de volkskerk en Abraham Kuyper zette vanaf de jaren zestig van die eeuw zelfs de bijl aan de wortel en leidde in 1886 een aantal klagenden uit de zijns inziens slappe, niet stringent confessionele Nederlandse Hervormde Kerk.

W.Th. Boissevain, die in Groningen theologie studeerde, voelde groeiende sympathie voor Hoedemakers gedachte dat kerk en staat onlosmakelijk met elkaar verbonden waren: de staat had te luisteren naar Gods geboden en kon onmogelijk neutraal zijn, zoals Thorbecke in 1848 bij wet had besloten. Dat Abraham Kuyper de publieke ruimte nu vulde door achtereenvolgens in de kerk en in de politiek zijn eigen partijtje te blazen en zo verdeeldheid zaaide, was de jonge W.Th. Boissevain een doorn in het oog. De publieke ruimte (de politiek) liet hij aanvankelijk voor wat die was. W.Th. Boissevain concentreerde zich in de eerste decennia van zijn werkzame leven op de kerk.

Voor W.Th. Boissevain was de onderlinge verdeeldheid van de hervormde kerk al even onaanvaardbaar als die voor Hoedemaker was geweest. Met dit verschil, dat het streven naar eenheid binnen de kerk in een door het modernisme gestempelde cultuur in het Interbellum volstrekt tevergeefs was. De kloof tussen modernen (zelfs rechts modernen) en orthodoxen was inmiddels eenvoudig te groot.

Met aandoenlijk idealisme (Tijssen beklemtoont terecht dat W.Th. Boissevain zijn leven lang een idealist was) schreef W.Th. Boissevain zijn vingers blauw om de versplinterde hervormde kerk tot een eenheid samen te ballen. Zijn De kansen der kerk (1930) was een wanhopige poging zijn kerk de weg te wijzen. Toen dat in geschrifte niet lukte, week hij uit naar een katholiek model: een bisschop zou de zo gewenste eenheid moeten smeden. Het bewees dat W.Th. Boissevain, bij gebrek aan intellectuele weerklank, zijn heil steeds meer zocht in een sterke man.

W.Th. Boissevain stond in de jaren dertig niet alleen met zijn hang naar eenheid. In de hervormde kerk, maar ook in katholieke kring, was een sterke drang naar volkseenheid. Het naoorlogse verlangen naar ‘doorbraak’ van de verzuilde samenleving was in het Interbellum al te bespeuren bij theologen als Willem Banning en Jo Eijkman. Tijssen is zo gefixeerd op W.Th. Boissevain dat hij die bredere lijn niet kan of wil trekken. Maar daar staat tegenover dat hij de (gevolgen van de) keuze voor de NSB tot op het bot uitbeent en de tragiek van dit mislukte leven tot in detail beschrijft.

Midden jaren dertig verruilde de moegestreden W.Th. Boissevain kerk en staat: door lid te worden van de Nationaal-Socialistische Beweging hoopte hij vanaf nu de onderlinge verdeeldheid van het Nederlandse volk te overwinnen, waaruit de eenheid in de kerk dan weer zou voortvloeien. IJdele hoop. W.Th. Boissevain liep namelijk vast in het moeras van het antijudaisme. Dat ligt bij christelijke theologen (of zij nu rooms-katholiek, gereformeerd of hervormd zijn) uit de aard der zaak natuurlijk voortdurend op de loer. Het Jodendom heeft wel het religieuze eerstgeboorterecht, maar dat is door het christendom eeuwenlang betwist. W.Th. Boissevain maakte zich tot tolk van dit antijudaisme, na aanvankelijk nog betoogd te hebben dat Joodse en christelijke uitlegging der Schrift zou moeten worden ‘geharmoniseerd.

Maar al gauw begon nationaal-socialistische denkbeelden zijn theologie te vergiftigen. Het Jodendom was voor W.Th. Boissevain eind jaren dertig niet alleen meer een godsdienst, het was nu ook een ras: ‘In het Joodsche volk zijn geest en mythe, ras, bloed en historie tot een veeleenheid gevormd.’

„Grens tussen wereldvreemdheid en blindheid voor tijdgeest lijkt soms flinterdun”

W.Th. Boissevain repte, schrijft Tijssen, met geen woord over moord op de Joden. Hij wenste hen een eigen staat toe en meende zo in de lijn van Hitler te redeneren. Dat was al een ernstige vergissing, maar zeker zo ernstig was dat W.Th. Boissevain nu overtuigd was van een ‘Joodsch probleem’ dat hij nu, geheel in nationaal-socialistische geest, alom tegenwoordig achtte. In de slangekuil die de NSB was, laveerde de dominee kunstig door tussen draufganger Meinoud Rost van Tonningen en ambtenaar Anton Mussert. Rost prees W.Th. Boissevains ‘arisch christendom’ uitbundig aan bij zijn Duitse vrienden. Je zou denken dat het W.Th. Boissevains reputatie bij Mussert schaadde. Maar zie: die benoemde hem in 1944 tot persoonlijk adviseur.

Het was een troostprijs die tot niets diende. W.Th. Boissevain vluchtte na Dolle Dinsdag (september 1944) naar Duitsland, keerde korte tijd later terug naar Nederland en werkte in 1945 als privésecretaris van de NSB-burgemeester in Marum (Groningen). Zo diep was de man gezonken: eens op de nominatie voor kerkelijk hoogleraar aan een rijksuniversiteit, nu privésecretaris van een dorpsburgemeester. Het kon nog erger: op 23 maart 1945 viel W.Th. Boissevain van de trap in het gemeentehuis. Het was een dood in stijl: even sneu als zijn mislukte leven.

Wim Berkelaar, voor Protestant.nl
6 januari 2010

Henk Tijssen is historicus en docent geschiedenis. In 2008 studeerde hij af in Groningen met een scriptie over W.Th. Boissevain.

Samenleving vraagt om samenwerking

trifilm-society-collaborations

De overheid zet zich in om burgers en bedrijven te beschermen tegen overtollige administratieve lasten als gevolg van complexiteit van regelgeving. Volgens het kabinet is de doelstelling om de regeldruk voor burgers, bedrijven en professionals met 2,5 miljard euro te verlagen gehaald.  Voortschrijdende juridisering van de samenleving en toenemende regelgeving vanuit Brussel leiden echter steeds weer tot nieuwe regels. De overheid moet daarnaast rekening houden met een complexer wordende samenleving. Onze samenleving vraagt om een aanpak op maat.

De bescherming van jeugdigen bijvoorbeeld kan niet meer worden afgedaan met handhaving en straffen alleen. Jeugdbeschermers moeten een individuele aanpak hanteren waarin de jeugdige en het gezin centraal staan. Daarin moet jeugdzorg samenwerken met o.a. politie, onderwijsinstelling en huisarts. Deze vorm van maatwerk brengt complexiteit met zich mee ten aanzien van diversiteit van regelgeving en de informatiepositie van de jeugdzorg. Erik Gerritsen, Secretaris Generaal van het ministerie van VWS, zegt daarover: “Het is inconsistent dat jeugdbeschermers die namens de overheid gerechtigd zijn om diepgaand in te grijpen niet tegelijkertijd beschikken over alle bij diezelfde overheid beschikbare informatie die nodig is om hun werk goed te doen.”

De overheid moet de complexiteit het hoofd te bieden en op geïntegreerde wijze maatwerk kunnen leveren. Daarvoor is het noodzakelijk dat de overheid een geïntegreerde beleidswaardeketen hanteert. Daarvoor zijn de volgende veranderingen van belang:

Silo’s afbreken

Een geïntegreerde beleidswaardeketen begint met het afbreken van de organisatorische en culturele silo’s binnen de overheid. Deze zijn nu nog strikt gescheiden en verantwoordelijk voor beleidsvorming, -uitvoering en -handhaving. Het delen van dezelfde informatie over strategie, beleid, wetgeving, bedrijfsregels en kennis staat aan de basis een integratie. Deze integratie, die met behoud van autonomie kan worden doorgevoerd, verhoogt het aanpassingsvermogen en versnelt invoering van wetten en regelgeving.

Processen van regels scheiden

Processen zijn stabiel en generiek. Regels veranderen in hoog tempo en zijn specifiek. De verwevenheid van processen en regels in administratieve systemen maakt het beheer kostbaar en tijdrovend. Door scheiding van processen en regels kunnen administratieve systemen generieke ondersteuning bieden. De stappen voor het verlenen van een vergunning zijn bijvoorbeeld altijd dezelfde: ontvang de aanvraag, verzamel de benodigde informatie, onderzoek het dossier, neem een beslissing en voer die uit. Het verschil zit in de toepassing van bedrijfsregels voor elk afzonderlijk dossier, zoals voor een horecavergunning of een parkeervergunning. Het scheiden van processen en regels verhoogt het adaptief vermogen en versnelt de invoering van nieuwe regels.

Gegevens en regels uitwisselen

Om complexe problemen het hoofd te bieden wordt nog veelvuldig gekozen voor schaalvergroting: het samenvoegen van organisaties en het ontwikkelen van geïntegreerde systemen. Deze aanpak is risicovol gebleken en heeft veelal niet geleid tot beoogde kostenbesparingen. Door uitwisseling van gegevens en regels kunnen complexe problemen worden aangepakt zonder ingrijpende organisatorische aanpassingen. Door op een slimme wijze gegevens en regels over organisatiegrenzen heen uit te wisselen worden administratieve lasten verminderd.

Verschillen in taalgebruik overbruggen

In de samenwerking binnen de EU en daarbuiten hebben we te maken met diverse talen. Dat geldt ook voor het taalgebruik voor diverse doelgroepen, zoals, burgers, ambtenaren en politici. Die hanteren ieder een eigen taalgebruik. Een burger wil niet worden aangesproken met wetteksten, maar in begrijpelijke taal. De systemen van de toekomst moeten de taalverschillen kunnen overbruggen.

De overheid zal op termijn transformeren naar een adaptieve overheid: een overheid die snel kan inspelen op veranderingen in de samenleving. Het huidige kabinet beloofde ons nog verbeterde dienstverlening. Maar de overheid van de toekomst is niet langer een dienstverlener met de burger als klant. De overheid zal taken terug moeten leggen bij de samenleving. De moderne samenleving vraagt om samenwerking.

Mensen leren, overheid en bedrijven niet

overheid

Dertig jaar automatiseringsbeleid van de Nederlandse overheid: wat waren de ambities en wat is daarvan terecht gekomen? Rob Meijer dook in geschiedenis en putte daarbij uit zijn rijke ervaring als onder meer hoofd van de afdeling voor Informatiebeleid van de VNG en als  eerste CIO van de Rijksoverheid. Ook vroeg hij betrokkenen uit de politiek, overheid en bedrijfsleven te reflecteren op de ontwikkelingen binnen de overheid. Zij gaven tot slot antwoord op zijn vraag of de overheid heeft geleerd op het terrein van IT.

Meijer’s persoonlijke terugblik op dertig jaar overheidsautomatisering is te lezen in zijn lezenswaardige boek ‘Terug in de toekomst’. Wij gaan terug naar het jaar 1988. Toen verscheen BIOS-1, de eerste grote nota over het automatiseringsbeleid van de overheid. De nota moest verbeteringen initiëren voor de grote problemen met complexe IT-projecten van de overheid uit die tijd. Destijds werden daarbij de volgende  knelpunten onderkend: ontbreken van voldoende kennis, onduidelijkheden over de verdeling van taken en verantwoordelijkheden, onvoldoende beheersing van complexe informatiesystemen, onduidelijkheid over de wijze van doorberekening van kosten, ontbreken van een adequaat beveiligingsbeleid en ontbreken van informatiebepalingen in wet- en regelgeving. Vandaag de dag kampt de overheid nog met exact dezelfde problemen.

Een aantal mensen die afgelopen decennia hun stempel heeft gedrukt op het automatiseringsbeleid van de overheid blikt in het boek terug op de ontwikkelingen. Zo memoreert Jacob Kohnstamm zijn toespraak in 2014 voor het 100e partijcongres van D66 over hoe een partijcongres er over 50 jaar uit zou kunnen zien: “Ik had toen weinig tijd om dat goed voor te bereiden en greep terug op een oude toespraak die ik ooit als partijvoorzitter in 1983 had gehouden. Ik las die gewoon voor, inclusief de uitspraak dat er snel een integratie zou komen van computers, tv en telefonie. Congressen zouden nauwelijks meer nodig zijn. Besluitvorming zou – zo meldde ik toen – allemaal van huis uit te regelen zijn. Dit was voor die tijd nog ongehoord.”

Als vertegenwoordiger van het bedrijfsleven geef ik ook mijn visie in Meijer’s boek op basis van mijn ervaring van afgelopen dertig jaar met grote IT-projecten binnen de overheid. Ik herinner nog mijn eerste grote overheidsproject: ‘Verbetering Financieel Beheer’ bij de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Onderwijs in Groningen. Van overheidsfinanciën had ik geen kennis, maar die haalde ik op tijdens het project. Binnen twee jaar was ik een deskundige op het terrein van financieel beheer. Op basis van die kennis werd ik ingezet op projecten bij de ministeries van VROM, Verkeer en Waterstaat en Justitie. Hoewel de ministeries gezamenlijk één financieel systeem hadden kunnen ontwikkelen, ging ieder voor zich. Bij ieder ministerie werd een specifieke kas- verplichtingenadministratie als maatwerk ontwikkeld. Met een beroep op de eigen autonomie werden vervolgens ook voor de ondersteuning van generieke processen voor iedere gemeente, politiekorps, provincie en waterschap eigen (maatwerk)systemen gebouwd.

Ondanks alles heeft de digitalisering een grote vlucht genomen binnen de Nederlandse overheid. De meeste projecten werden succesvol afgesloten en ook de onderlinge samenwerking kwam op gang. Maar dat haalde zelden het nieuws. Alle aandacht van de media ging uit naar de veel te ambitieuze projecten die uit de bocht vlogen en veel te laat werden bijgestuurd. Een parlementaire commissie onder leiding van Ton Elias onderzocht tien projecten die tien jaar daarvoor fout waren gelopen. De commissie trok daaruit de conclusie dat de overheid jaarlijks één tot vijf miljard euro verspilt met IT-projecten. Dat is zeer onwaarschijnlijk, want de overheid geeft nog geen miljard euro per jaar uit aan IT-projecten. Van de tien miljard die de overheid jaarlijks naar schatting aan IT uitgeeft gaat minstens driekwart op aan het in stand houden van de systemen. Het zijn de transactiesystemen, die veelal als maatwerk in de jaren tachtig en negentig zijn ontwikkeld, die een steeds groter risico vormen. De legacy is een erfenis voortkomend uit het maakbaarheidsideaal van de vorige eeuw. De beheerkosten van de legacy-systemen rijzen inmiddels de pan uit. Vijf jaar geleden pleitte ik in het fd voor een ‘deltaplan voor IT van de overheid‘. Overheid en bedrijfsleven zouden daarvoor de handen ineen moeten slaan. Hopelijk moet er niet eerst weer een ramp gebeuren voordat er gecoördineerde actie wordt ondernomen.

Wat leert de overheid op het terrein van IT? Meijer citeert voormalig topambtenaar Koos van der Steenhoven: “Nog steeds worden dezelfde fouten gemaakt. Zo is het PGB-drama weer een voorbeeld dat je een organisatie als de SVB, die gewend is aan bulkverwerking zoals de AOW en kinderbijslag, nu opeens inzet voor maatwerkregelingen, wat de PGB nu eenmaal is.” Per saldo hebben de politiek, de overheid en het bedrijfsleven weinig geleerd van dertig jaar automatiseringsbeleid van de Nederlandse overheid. Het zijn de mensen die individueel en collectief leren. Hoe groter het verloop (zoals in de Tweede Kamer) des te geringer het lerend vermogen.

Kiezers zijn de verliezers

tom-pof

Hillary Clinton wijt haar verlies van de presidentsverkiezingen aan een gerichte aanval van Vladimir Poetin. De Russische president zou hackers hebben aangestuurd die e-mailaccounts van de Democratische partijtop en van campagnechef John Podesta hebben gehackt en gelekt uit persoonlijke wrok die Poetin jegens Clinton koesterde. Het is de klassieke reflex om de oorzaak van een nederlaag buiten zichzelf te zoeken. De informatieroof heeft ongetwijfeld de verkiezingen beïnvloed, maar de oorzaken kunnen beter dichter bij huis worden gezocht.

In het huidige digitale tijdperk moeten politici zich realiseren dat zij kwetsbaar zijn voor aanvallen van cybercriminelen. Zij kunnen zich wapenen door een goede beveiliging. Zowel de preventieve als de curatieve beveiliging is de meeste politieke partijen ver onder de maat. Als je als politicus mail verstuurt vanaf een privé server of vanaf een eigen gmail account, dan ben je een prooi voor hackers. De campagnechef gebruikte zijn gmail en trapte in de val van een eenvoudige phishing-mail. Russische hackers waren geruime tijd geïnfiltreerd in het netwerk van de Democratische partij, voordat daadwerkelijk actie werd ondernomen. De beveiliging werd overgelaten aan een inhuurkracht. De inbraak drong veel te laat door tot de partijtop.

Hackers speelden de informatie door naar WikiLeaks, die de publicatie tijdens de verkiezingscampagne uitsmeerde na de Democratische conventie. De kandidaten gebruikten de inbraak voor eigen politiek gewin en veiligheidsdiensten straalden verdeeldheid uit over oorzaak en motief van de computerinbraak. Hoewel de mails weinig nieuwswaarde bevatte dook de Amerikaanse pers er bovenop. De gelekte mails werden door de media onnodig belangrijk gemaakt en gekleurd geduid. Het publiek werd daarbovenop nog eens geconfronteerd met een grote stroom nepberichten via de sociale media.

DONALD TRUMP

“If Russia, or some other entity, was hacking, why did the White House wait so long to act? Why did they only complain after Hillary lost?”

— PolitiFact National on Thursday, December 15th, 2016

Wie treft de meeste blaam voor beïnvloeding van de verkiezingen? De democratische partij die haar beveiliging niet op orde had, de hackers die informatie hebben buitgemaakt, WikiLeaks die de documenten heeft gepubliceerd, de pers die de zaak heeft opgeblazen, informatiediensten en kandidaten die rollebollend over straat gingen of het publiek dat zich liet beïnvloeden? De Democratische partij heeft het onheil over zichzelf afgeroepen en de traditionele media zijn toe aan een grondige zelfreflectie. De pers ontketende tijdens de verkiezingscampagne een hype over gestolen berichten die weinig nieuwswaarde bevatten en na de verkiezingen berichtten zij over het huzarenstukje van de schuldigen die het democratisch proces zouden hebben verstoord.

Uiteindelijk zijn de kiezers de grote verliezers. Zij worden overladen met informatie van politici en (sociale) media en weten niet meer wat de waarheid is en wie zij kunnen vertrouwen. Zo blijkt 52 procent van de Republikeinse kiezers te geloven dat Donald Trump in absolute zin de meeste stemmen heeft behaald. Sociale media moeten worden gedwongen hun berichten te filteren op onjuiste feiten. Uitspraken in debatten zouden gelijktijdig gecheckt kunnen worden op juistheid. Tenslotte zouden politici vrijwillig hun mailverkeer vrij kunnen geven. Hackers hoeven er dan geen jacht meer op te maken en de interesse bij de media zal wegebben.

Gedigitaliseerd vertrouwen

touwtje

Het vertrouwen in bestuurders van pensioenfondsen, woningbouwcorporaties, banken en verzekeraars is gedaald naar een absoluut dieptepunt. Burgers vertrouwen de politiek niet meer en keren zich af van traditionele politieke partijen. De overheid vertrouwt de burgers niet en regelt alles dicht. Als we elkaar niet meer vertrouwen, wie vertrouwen we dan nog wel? Computers misschien?

Bij De Wereld Draait Door keek Jan Terlouw terug op de ontwikkelingen van de laatste decennia. Hij legde daarin de nadruk op het vertrouwen dat we afgelopen jaren kwijt zijn geraakt. “Wat ik vroeger met een handdruk bekrachtigde, dat gaat nu met vijf contracten” en “Als ik nu een brug moet bouwen dan heb ik meer juristen nodig dan ingenieurs” tekende Terlouw recent op van ondernemers. Waar is het touwtje gebleven dat in de vijftiger jaren  uit elke brievenbussen hing, vroeg Terlouw zich af. Het verdwenen touwtje gebruikte hij als metafoor voor het afnemend vertrouwen in onze samenleving.

In de laatste decennia is veel veranderd. De postbode bezorgt nauwelijks nog brieven en postkaartjes. De melkboer rijdt niet meer door de straat. Kinderen spelen niet meer buiten. De fysieke wereld verschuift naar de virtuele wereld. Wij communiceren via het internet en doen er onze bankzaken, onze inkopen en andere transacties. Meer dan de helft van de transacties tussen overheid en burgers loopt inmiddels via het digitale kanaal. Het vertrouwen in digitale diensten lijkt groot. Velen zijn zich onvoldoende bewust van de bedreigingen op het internet. Ondertussen vissen hackers en cybercriminelen volledig onzichtbaar naar de vele loshangende touwtjes in ons onveilige internet.

Afgelopen jaar is een ware hype ontstaan rond blockchain. Deze technologie achter bijvoorbeeld de bitcoin wordt beschouwd als de grootste innovatie sinds het internet. Mensen kunnen daardoor geld naar elkaar overmaken zonder tussenkomst van een bank. Deskundigen beweren dat blockchain het onderling vertrouwen digitaliseert. De mogelijkheden lijken onbegrensd. Transacties via derde partijen kunnen we voortaan via blockchain zonder tussenkomst digitaliseren. Derde partijen – zoals overheid, banken en notaris – voor het waarborgen van vertrouwen worden daardoor overbodig.

De blockchain technologie is veelbelovend. Het kan transacties goedkoper, efficiënter en veiliger maken. Wij moeten ons evenwel bewust blijven van de (on)volwassenheid van nieuwe technologie en de (on)veiligheid van het verkeer op internet. Er lijkt nu een blind vertrouwen in nieuwe technologie. Biedt digitalisering dan de oplossing voor het groeiende wantrouwen in onze samenleving? Blockchain kan een aanjager zijn om het onderlinge vertrouwen te bevorderen, maar vertrouwen is voornamelijk mensenwerk. Vertrouwen is het cement dat de samenleving bindt, door geloof dat de ander eerlijk is en het goede zal doen op een manier die ons niet zal benadelen.