Van Hall en Boissevain in Oorlogstijd

Nel van Hall-Boissevain met haar gezin

Gijsbert (Gijs) van Hall en zijn broertje Walraven (Wally) van Hall zijn de bekendste nakomelingen onder de tien kinderen van Nel van Hall-Boissevain en haar man Aat van Hall. Zij waren de financierders van het verzet in de Tweede Wereldoorlog.  Maar zij  waren niet de enige die naam had gemaakt in het verzet. Binnen de familie Boissevain en Van Hall was de dadendrang groot. Jonge mannen en vrouwen droegen hun steentje bij, en vele van hen moesten dat met de dood betalen. Reden genoeg om deze families eens uit te lichtten.

Door: Esmeralda Tijhoff

Tijdens een van de bijeenkomsten van de Onderzoeksschool Politieke Geschiedenis liep ik Dirk Wolthekker tegen het lijf. Deze beste man bleek een biografie te schrijven over Gijs van Hall, één van de zoons van Nel van Hall-Boissevain waar ik zelf een biografie over schrijf. Op 6 juni promoveert hij op dit boek Alleen omdat ik een Van Hall ben. In de dissertatie analyseert Wolthekker waarom Gijs van Hall als burgemeester van Amsterdam moest aftreden. In mijn biografie over zijn moeder Nel van Hall ben ik Gijs vooral tegengekomen vanuit zijn verzetswerk. En omdat ik veel moet schrappen zodat mijn dissertatie een handzaam formaat krijgt, leek het me wel aardig de stukken over de Tweede Wereldoorlog en de Boissevains op mijn blog te publiceren.

Wally van Hall

Gijs en Wally

De Tweede Wereldoorlog trok een grote wissel op het gezin van Aat en Nel van Hall-Boissevain. Hun twee zonen Gijs en Wally waren vooraanstaande verzetsmensen die met hun netwerk en kennis van de financiële wereld op grote schaal fraude wisten te plegen om zodoende financiële middelen vrij te krijgen om het verzet te financieren. Aat en Nel wisten dat hun zonen actief in het verzet waren, dat kon ook niet anders want het tweetal moest al snel onderduiken. Overigens zaten in hun eigen huis Zonnehof af en toe ook mensen ondergedoken. De diepe donkere kast naast de kamer van dochter Mia had een raampje en was daarmee zeer geschikt om mensen in te verbergen. Aat adviseerde Gijs en Wally, en was ook wel eens aanwezig op vergaderingen van het Nationaal Steunfonds.[1] Zijn reputatie in de bankwereld gaf zijn zonen de nodige credenties. Men vertrouwde Aat, dus vertrouwden ze erop dat zijn zonen ook geen ‘ontoelaatbare trucs’ zouden doen. Gijs van Hall zei daarover: ‘Wie hèm kende, kende òns.’[2] Het was deze reputatie die voor de zoons de weg vrij maakte om met medewerking van enkele bankiers grootschalige fraude te plegen ten bate van het verzet.

Naarmate de oorlog duurde en de verzetsactiviteiten toenamen, werden de risico’s op ontdekking, deportatie en moord ook groter. Het was duidelijk dat de Duitsers Wally zochten, en als zijn moeder Nel daar al in ontkenning over was geweest, dan zal dat bij de inval in zijn woning in Zaandam in 1944 wel zijn opgehelderd. Wally was gelukkig niet thuis en zijn echtgenote Tilly van Hall-den Tex kon met een truc wat illegale krantjes die in het huis waren in de afvoer van de wc verstoppen.[3] De Duitsers vingen bot. Maar op 27 januari 1944 konden ze Wally toch arresteren. Aanvankelijk was er nog hoop dat de Duitsers hem niet zouden kunnen identificeren als de heer Van Tuyl, de naam waaronder Wally in het verzet opereerde. Maar een medegevangene verried wie hij was.

Op zijn verjaardag van 10 februari zat hij in een donkere cel, met in de cel naast zich zijn vriend en verzetskameraad Jaap Buijs. Op 12 februari werd hij met nog zeven andere gevangen in Haarlem-Noord doodgeschoten. Zijn lichaam werd in de Kennemerduinen begraven, waar inmiddels ook Louis, Gi en Janka Boissevain lagen. Tilly dook met haar kinderen onder. Gelukkig lieten de Duitsers hen met rust zodat ze weer terug konden gaan naar hun huis aan de Westzijde 42. Een dag na de moord, 13 februari, hoorde de familie Van Hall wat er was gebeurd.[4]

‘Lieve Mia, Nu krijg je een verslag van de moordpartijen in Amsterdam’

Nel van Hall-Boissevain verloor haar zoon, maar wellicht nog erger vond zij het, dat de jonge kinderen van Wally en Tilly van Hall-den Tex hun vader kwijt waren geraakt. Daarom verzocht zij vrienden van Wally om haar een brief te sturen met hun gedachten over Wally. Deze liet zij samen bundelen met als simpele titel: Walraven van Hall. 10 februari 1906-12 februari 1945. Haar idee was dat de kinderen van Wally door deze brieven altijd zouden weten wie hun vader was geweest en wat hij had gedaan.

Vanuit het oogpunt van hun moeder Nel van Hall-Boissevain is het belangrijk te benadrukken dat zij weet had van het verzetswerk van haar kinderen en andere verwanten, dat zij de risico’s en de gruwelijkheden van de mogelijke gevolgen kende. Haar zonen zaten ondergedoken en liepen continue gevaar opgepakt en vermoord te worden. Nel zag de verschrikkingen van de oorlog met eigen ogen en stond achter de beslissing van haar kinderen om zich te organiseren tegen het onrecht. Op 26 februari 1941 schreef Nel aan haar dochter Mia die toen in Diepenveen bij Deventer woonde: ‘Lieve Mia, Nu krijg je een verslag van de moordpartijen in Amsterdam.’[6] Wat volgde was een relaas over de gebeurtenissen van de Februaristaking.

Nel beschreef hoe de Weerbaarheidsafdeling (WA) de Jodenbuurt waren binnengedrongen en daar mensen hadden mishandeld. De brief toont dat zij goed op de hoogte was van de grote lijnen en van kleine getuigenissen van de aanvallen. Zij beschreef zowel hoe de buurt werd afgezet met prikkeldraad en hoe er 600 joodse mensen met overvalwagens werden opgepakt, maar ook hoe dit alles op individueel niveau uitpakte:

‘bv. een dood verschrikt vrouwtje die alleen in haar winkel zat zeide een Kadijker: ga jij maar in je achterkamer, ik houd je winkel en toen WA’s binnendrongen had hij een betonnen paal als wandelstok en gaf ze van katoen maar toen kwamen ’s avonds de WA onder geleide van de grüne polizei (Gestapo) en mocht de politie niets doen’

De stakingen die volgden werden door Nel toegejuicht. ‘Wij [de Nederlanders] willen geen Jodenvervolging, dat is nu wel heel duidelijk’ schreef ze Mia. Overal in het land werd gestaakt, ook bij Nel staakten de bakkers en de melkleveranciers; ‘dat kan ons niets schelen zeide iedereen, de Joden hebben het zoo slecht dan willen wij het ook slecht hebben.’[7]

Razzia in Amsterdam

Onderduikers

Gijs en Wally waren niet de enigen uit hun familie die actief waren in het verzet. Hun ouders hadden een veilige plek voor onderduikers. Hun tante Heleen Boissevain herbergde ook enkele neven in haar huis tijdens de oorlog. Als oude dame wonende in haar eentje in een groot huis, vormde zij de ideale verstopplek. Bob en Sonja Boissevain-van Tienhoven hadden vier joodse onderduikers en maakten illegale nieuwskranten wat Bob zijn leven kostte. Ook hun zus Hes van Hall en haar man Raimond Dufour namen een onderduiker in huis. Zij hadden drie jonge kinderen, waarvan hun zoon Beppo nog slechts een baby was. Ondanks het grote risico besloten zij de joodse Bernard Samuel geboren in 1940 onder te laten duiken bij hen.[8] Bernard was bijna even oud als hun middelste kind Raimond junior, zodat Hes en Raimond besloten net te doen alsof Bernard en Raimond jr. een niet-identieke tweeling waren. Met vier kinderen in huis nam Hes de betrouwbare Adri Gorlitz aan als kinderjuffrouw. Bernard overleefde de oorlog en kon in mei 1945 bij zijn vader en broer terug komen. Zijn moeder had de oorlog niet overleefd, zij was opgepakt en in Auschwitz vermoord.

Suzy en Frits van Hall

Anderen gingen het verzet in zoals nicht Suzy van Hall over wie Aat na de dood van zijn broer Anne Maurits voogd was. Zij werkte met haar vriend Gerrit Jan van der Veen samen die de Persoonsbewijzencentrale oprichtte waarvoor op grote schaal documenten werden vervalst. Haar broer Frits van Hall, die ook onder Aats voogdij viel, zat ook in het verzet. Hij was beeldhouwer en mede oprichter van het Kunstenaarsverzet. Na de Februaristaking was hij naar Gijs van Hall toegegaan om financiële steun te vragen voor de stakers en de families van de doodgeschoten stakers. Dit leidde tot de oprichting van het Nationale Steunfonds.[9] Frits werd op transport door de Duitsers neergeschoten in 1944.

Knokploeg CS-6

En het hele gezin van de oudste zoon van Nels broer Karel was actief in het verzet. Jan en Adrienne Minette (Mies) Boissevain-van Lennep hielpen onder andere met de  opgevangen van joodse kinderen. Hun zonen Frans, Jan Karel (Janka), en Gideon Willem waren  in de zomer van 1940 een verzetsgroep / knokploeg, begonnen onder de naam CS-6 van circa 20 mensen groot. Jong en voor niemand bang maakten ze bommen en explosieven om zaken als treinstellen te saboteren.

‘ni regret du passé, nu peur de l’avenir’

Vrijwel de gehele CS-6 groep waaronder ook neef Louis Daniël Boissevain (1922), werd verraden door toedoen van de spion Antonius van der Waals. De jongens Boissevain krasten de familiespreuk in de muur van de binnenplaats te Vught: ‘ni regret du passé, ni peur de l’avenir’.[10] Zij werden op 1 oktober 1943 gefusilleerd in Overveen. Hun vader Jan Boissevain had het grootste gedeelte van de oorlog in kamp Vught doorgebracht, herhaaldelijk ziek van de ondervoeding. Hij overleed op 30 januari 1945 in Kamp Langenstein Zwieberge, waar op 12 april dat jaar ook zijn broer Robert Lucas (1895) die maanden zoek was geweest voor de familie en ook de hogeroedeem beter kende dan hem lief was, de dood vond. Robert had spionage activiteiten voor het verzet had ontwikkeld.[11] Mies Boissevain-van Lennep overleefde ter nauwe nood het kamp Ravensbrück, het kamp waar Suzy van Hall ook terecht was gekomen. Suzy was na Ravensbrück doorgestuurd naar Dachau, waar zij en Mies’ andere zoon Frans in april/mei 1945 konden worden bevrijd.[12]

Wapenopslagplaats CS-6 in de Corellistraat 6. Foto: NIOD

Het gezin van Walrave Boissevain

De kinderen van Nels broer Walrave Boissevain waren ook actief. Romelia Walravina (Roos) kwam als eerste bij het verzet. Haar vader was wethouder en had bedacht dat hijzelf juist daarom niet actief kon worden in het verzet. Hij raadde het Roos ook af, maar toen deze na een ernstig gesprek door wilde zetten, gaf hij haar de vrije hand.[13] Haar zusje Elizabeth (Lies) begon na haar HBS diploma in 1942 ook met hand en span diensten. Toen het bureau Binnenlandse Strijdkrachten (BS) werd opgericht als centraal aanspreekpunt voor de geallieerden werden zij beiden secretaresse bij het centrale kantoor. Ook hun zus Marie Renée Boissevain werd secretaresse voor deze BS.

Lies, Mia, Annemie en hun moeder Romée Boissevain-Kalff werden door de Duitsers gepakt en meegenomen op 30 november 1944.[14] Ze belandden eerst in het Huis van Bewaring II aan de Amstelveenseweg in Amsterdam waar ze allen werden verhoord, dezelfde gevangenis waar ook Hannie Schaft zou komen te zitten in 1945. Daarna werden zij naar de gevangenis in Scheveningen gebracht en vanwaaruit zouden zij op transport naar Westerbork gaan. Wegens een bombardement op het spoor werd dit transport afgelast en de gevangenen weer naar hun cel gebracht.[15] Zondag 6 mei 1945 werd de hele groep vrijgelaten.[16] Hun broer Harry Boissevain was meerdere keren opgepakt, en zat tijdens de bevrijding in een werkkamp. Hij wandelde vervolgens broodmager van Velp naar Enschede, waar zijn echtgenoot Anna Catharina (Ans) van Heek en hun kinderen waren.[17] Onderweg logeerde hij nog bij Heleen Boissevain op de boerderij die ook nog in de lappenmand zat wegens de val tijdens het bombardement.

De moord op Dick van Leeuwen

Neef Dick van Leeuwen werd door een lid van de Landmacht doodgeschoten.[18] Zijn overgrootmoeder Mary van Eeghen-Boissevain, dochter van Charles en Emily Macdonnell, ging hem identificeren. Henri de Booij noteerde deze gebeurtenissen van dichtbij waardoor we een beetje een beeld kunnen krijgen van de verschrikkingen: ‘Ze [Mary] had zich door Korthof, een gewezen tramconducteur, in haar karretje naar het Binnengasthuis doen rijden, waarvoor een uur noodig was. […] Het bleek, dat men zich vergist had en het lijk, dat in het Binnengasthuis was gebracht, van een anderen jongen man was. Zij moest naar het Wilhelmina gasthuis, weder geduwd door Korthof, een langen tocht. Ze werd daar, evenals in het Binnengasthuis, heel vriendelijk ontvangen en gebracht in een gedeelte van het gebouw, dat voor het ontvangen en opbaren van lijken, die op straat worden aangetroffen, op bijzondere wijze is ingericht. Daar zag tante Mary het lichaam van haar geliefden kleinzoon, nog geheel onder het bloed, want het lijk was nog niet vrijgegeven door de politie. Hij had een schot in de kin gehad. Zij knipte een beetje haar van zijn hoofd en heeft dit nu gewasschen.’[19]

Nu zijn we al heel veel namen tegengekomen. En nog is de lijst niet af. Het is ondoenlijk alle verwanten van de gezusters Boissevain te noemen. Ik wil er nog een paar noemen waarvan bekend is dat zij actief waren. Iets verder in de stambomen vinden we nog de verre neef Gideon Jeremie Boissevain (1903-1945), zoon van Ursul Philip en Wilhelmina Carolina Boissevain-Momma. En de echtgenoot van nicht Maria Cornelia (Marie) Boissevain die de dochter was van Charles C.H. Boissevain en Marie Pijnappel.  Marie de Jong-Boissevain kon nog net aan de Japanners ontsnappen naar Amerika, maar Jan Hendrik de Jong werd verscheept naar een concentratiekamp in Thailand en verloor het leven bij de Birmaspoorlijn. Neef Floris van Hall overleed bij de aanleg van de Birma Spoorlijn in 1944. Ook Eduard Veltman, de echtgenoot van Walrave Boissevains dochter Ellegonda Duranda (Gon) Boissevain  kwam om.

Geschiedschrijving

‘En nu blijft geloof, hoop en liefde deze drie doch de meeste van deze drie is liefde’

Wally’s verzetsactiviteiten zijn uitvoerig beschreven in de biografie van Erik Schaap, Walraven van Hall, Premier van het verzet (1906-19-45). Ook de organisatie waarmee hij en Gijs dit deden, Het Nationaal Steunfonds, kreeg in 1960 een eigen monografie door P. Sanders, Het Nationaal Steun Fonds. Bijdrage tot de geschiedenis van de financiering van het verzet 1941-1945. [20] En nu komt daar dus de biografie van Wolthekker over Gijs van Hall bij. Er is zelfs sprake van een verfilming van hun verzetswerk!

Er zijn nog enkele autobiografische werken na te slaan over deze periode. Lies Land-Boissevain noteerde inRode Letters (2004) haar verhaal. Ter herinnering aan Wally liet Nel van Hall-Boissevain een boekje samenstellen, zodat zijn kinderen later zouden weten wat voor man hun vader was geweest. De bundel Walraven van Hall. 10 februari 1906-12 februari 1945 staat vol met persoonlijke verhalen over Wally.

Biografieën, autobiografieën, monumenten, of herinneringsbundels,… Het schiet allemaal  tekort om het verdriet van de nabestaanden op te vangen. Voor Aat en Nel was de dood van hun zoon Wally onverteerbaar. Op zijn sterfbed dacht Aat nog aan zijn verloren zoon. Hij vroeg zijn dochter Hes om 1 Cor vers 13 voor te lezen als de kinderen bij elkaar waren om afscheid van hem te nemen. Dit vers, ‘En nu blijft geloof hoop en liefde deze drie doch de meeste van deze is de liefde’, staat gegraveerd in het oorlogsmonument dat zes jaar eerder in 1950 was onthuld bij de Jan Gijzenbrug in Haarlem. Op de zijkant staat Wallys naam samen met de zeven anderen die op 12 februari 1945 daar waren gefusilleerd.[20]

 

Esmeralda Tijhoff is docent geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, expertise: Moderne Geschiedenis, Cultuurgeschiedenis, Vrouwengeschiedenis, Biografieën. Op haar website schrijft zij onder meer over geschiedenis en de familie Boissevain.


Noten

[1] Erik Schaap, 66. Oorspronkelijk uit brief van J. Buijs aan P. Sanders 22 sept 1948.

[2] De Nieuwe Revu 28 april 1973.

[3] Attie van Hall in gesprek met haar kleinzoon. Dit verhaal is tevens licht afwijkend opgenomen in Erik Schaap, 105.

[4] Gijs van Hall, Ervaringen van een Amsterdammer.

[5] Bastiaan van Beveren (21 jaar), Klaas de Boer (32 jaar), Bernardus G.J. Genemans (25 jaar), Walraven van Hall (39 jaar), Ds. Hendrik R. de Jong (33 jaar), Frederik Nieuwenhuijsen (39 jaar), Johannes W. Oudenaller (68 jaar) en Egbert Snijder (32 jaar).

[6] Brief van Nel van Hall-Boissevain aan haar Mia. 26 februari 1941. Privé collectie van Bas ter Haar.

[7] Brief van Nel van Hall-Boissevain aan haar Mia. 26 februari 1941. Privé collectie van Bas ter Haar.

[8Erin scue story, Yad Vashem, the world holocaust remembrance centrum. Op August 20, 2007, nam Yad Vashem het verhaal van Raimond Dufour en Hester Dufour-van Hall op in de Righteous Among the Nations serie.

[9] Erik Schaap, Walraven 49.

[10] Menso Boissevain trof de spreuk aan toen hij er later ook gevangen zat. Dagboek De Booij, document ‘Hoop doet leven’, brief aan zijn zoon Alfred de Booij, 4 tot 9 september 1944, Amsterdam.

[11] https://oorlogsgravenstichting.nl Zie ook ‘De herinnering levend houden’, Boissevain Bulletin 1991.

[12] Erik Schaap, Walraven 90.

[13] Lies Land-Boissevain, Rode Letters (Vision; Groningen 2004).

[14] Brief van Romée aan Mia Boissevain, 12 mei 1945.

[15] Brief van Romée aan Mia Boissevain, 12 mei 1945. Lies Land-Boissevain, Rode Letters (Vision; Groningen 2004).

[16] Aangezien het huis in Amsterdam was leeggehaald, gingen de vrouwen logeren bij Menso en Lies Boissevain. Menso was een zoon van Charles E.P. en Marie Boissevain-Pijnappel.

[17] Brief van Romée Boissevain-Kalff aan Mia Boissevain, 12 mei 1945.

[18] Zoon van Toek van Leeuwen en Emily van Eeghen. Zie voor details Dagboek De Booij, document ‘Hoop doet leven’, brief aan zijn zoon Alfred de Booij, 4 tot 9 september 1944, Amsterdam.

[19] Dagboek De Booij, document ‘Hoop doet leven’, brief aan zijn zoon Alfred de Booij, 4 tot 9 september 1944, Amsterdam. Woensdag 6 september 1944.

[20] Bastiaan van Beveren (21 jaar), Klaas de Boer (32 jaar), Bernardus G.J. Genemans (25 jaar), Walraven van Hall (39 jaar), Ds. Hendrik R. de Jong (33 jaar), Frederik Nieuwenhuijsen (39 jaar), Johannes W. Oudenaller (68 jaar) en Egbert Snijder (32 jaar).

Overheid kan leren van ING

Ceo Ralph Hamers van ING wil niet alleen van banken leren zegt hij in het fd van 8 juli. Hij is gefascineerd door het optimaliseren van klant-ervaringen in Silicon Valley. Bijna jaarlijks gaat hij hier kijken bij grote spelers en starters, ook buiten de fintech om. Onze overheid op haar beurt zou veel kunnen leren van ontwikkelingen die ING heeft doorgemaakt bij digitalisering van hun klantprocessen. Zo was de Postbank amper twintig jaar geleden nog de giro-blauwe bank van het postkantoor, de girobetaalkaarten en de portvrije enveloppen. Tien jaar geleden maakte giro-blauw plaats voor ING-oranje. De ING-bank is inmiddels een digitaal bedrijf. Klanten van de bank kunnen online in één oogopslag al hun rekeningen, creditcard- en hypotheekgegevens zien, zonder zich voor elk product opnieuw te hoeven aanmelden. Bij een bank als ING staan voortdurend verbeteren en tevredenheid van klanten centraal. Bij de overheid draait alles om de overheid. De eigen processen worden gedigitaliseerd en overheidsklanten moeten zich daarnaar voegen.

Jan Willem Boissevain, Account Executive bij Pegasystems

Bron: Financieele Dagblad, opinie 1 augustus 2017

Jeremy Boissevain: Dutch anthropologist

In meroriam Jeremy Fergus Boissevain (1928–2015)

Despite his blessed age, it was a shock to receive the news that Jeremy Boissevain died at his home in Amsterdam on 26 June 2015. Just a few days earlier, he had read with much pleasure and satisfaction a positive review by Michael Herzfeld in the Journal of the Royal Anthropological Institute of his recent collection of “explorations into aspects of some societies in and from the Mediterranean” (Factions, Friends, Feasts. Anthropological Perspectives on the Mediterranean [Berghahn Books, 2013]). He had worked very hard on this volume, which turned out to be his final one.

Jeremy Boissevain was born in London in 1928 of an American mother and a Dutch father. He came to social anthropology by a detour. He completed a BA in Liberal Arts at Haverford College, Pennsylvania in 1952. After spending several years in the Philippines, Japan, India, Malta, and Sicily working for US CARE relief programs, Lawrence Wylie, one of his teachers at Haverford, advised him to take up the study of social anthropology. Jeremy did so at the London School of Economics (LSE) in the late 1950s with Raymond Firth and Lucy Mair. He did one month of fieldwork in Fezzan, Libya in 1959 then moved to nearby Malta where he conducted fourteen months of dissertation research in 1960–1961. This was the beginning of a lifetime commitment to the study of Maltese politics and religion. He received his PhD in 1962; a few years later his dissertation was published as Saints and Fireworks (Athlone Press, 1965).

His early grassroots involvement in aid projects may explain his lifelong interest in local-level politics and his focus on individual agency rather than social structure, pragmatic choice rather than constraint. His two monographs on rural Malta, in which he paid systematic attention to the interactions between village life and wider society, belong to the classics in Mediterranean ethnography and social anthropology. In 1969 his monograph Hal-Farrug: A Village in Malta was published in the prestigious and influential “Case Studies in Cultural Anthropology Series” at Holt, Rhinehart & Winston. After a second edition in 1980, this classic monograph was republished as Hal Kirkop: A Village in Malta by Midsea Books in Malta (2006).

Following his fieldwork in Sicily and Malta, Jeremy became involved in developing a comparative anthropology of the Mediterranean region of which he was a leading advocate in the 1970s and 1980s but about which he had second thoughts at the time he was working on his collection of articles titled Factions, Friends, Feasts.

During his studies at the LSE, Jeremy developed a critical stance towards the paradigm of structural-functionalism that had dominated Anglo-Saxon anthropology between 1930 and 1970. Inspired by his teachers Firth and Mair, as well as by Leach’s book on Highlands Birma, Bailey’s work on politics and social change in Orissa, and Barth’s study of political leadership among the Swat Pathans, he became a prominent advocate of an actor-oriented approach. In his seminal Friends of Friends: Networks, Manipulators and Coalitions (Basil Blackwell, 1974), he set forth a processual perspective on people, groups, quasi-groups, and institutions as interlinking, multi-level networks. Being averse to grand theories, network analysis allowed him to remain close to the small politics of people in their daily interactions. Although he was well aware of the methodological limits this approach, he made a forceful plea to include it in the tool kit of every ethnographer.

Jeremy’s innovative work also includes contributions to the study of local power relations and ethnicity (an early book on Italian immigrants in Montreal and a later study of small entrepreneurship among the Surinamese of Amsterdam), of tourism and environmentalism, mainly with regard to their impact on Maltese society and culture. In the late 1980s and early 1990s he revisited his early interest in ritual and social change by studying the revival and expansion of celebrations throughout Europe as a reaction to the homogenizing pressure of the market, mass media, and Eurocrats (Revitalizing European Rituals [Routledge, 1992]).

Jeremy Boissevain was full professor of social anthropology at the University of Amsterdam where he worked from 1966 to 1993, fellow of the Amsterdam Institute for Social Science Research and sat on the advisory boards of several scholarly journals, among them Journeys: The International Journal of Travel and Travel Writing. He was an enthusiastic traveler himself, an inspiring teacher and supervisor, a prolific writer, and a visiting professor at several universities in Europe and the United States. After his retirement he remained active as participant in academic meetings and always interested in the work of his colleagues and friends. Jeremy was a curious, amiable and convivial personality. He is survived by Inga-Britt, his wife during more than sixty years, four daughters, and seven grandchildren.

Henk Driessen

Radboud University

Nijmegen, Netherlands

Nudge de overheid

Overheden bezitten de macht om het gedrag van burgers te beïnvloeden. Je kunt hierbij denken aan het heffen van belastingen, het verstrekken van subsidies of het opleggen van boetes. De overheid heeft ook het monopolie op instrumenten zoals wetgeving en strafrechttoepassing voor gedragsbeïnvloeding. Daarnaast kan de overheid ook via publieksgerichte voorlichting proberen het gedrag van burgers te veranderen.

Sturen met geld, regels en communicatie zijn de klassieke sturingsinstrumenten van de overheid. Die vormen van gedragssturing blijken steeds minder effectief. In een samenleving met veel verleidingen is het voor burgers moeilijk om de goede keuzes te maken. Overheden zoeken daarom steeds meer hun heil in psychologische gedragsinterventies om burgers te helpen de wenselijke keuzes te maken. De Engelse term ‘nudge’ wordt gebruikt om het subtiele duwtje in de goede richting zonder inperking van de keuzevrijheid aan te duiden. Het meest  bekende voorbeeld van een nudge is de geplakte vlieg in het urinoir om mannen te stimuleren in de pot te plassen en niet er naast. Nudging speelt in op het onbewuste, irrationele en automatische gedrag van mensen.

Nudging als sturingsinstrument van de overheid is overgewaaid uit de Verenigde Staten en Engeland. Het nam een vlucht na het verschijnen van het boek “Nudge: Improving Decisions about Health, Wealth and Happiness” van Richard Thaler (Nobelprijs winnaar 2017) en Cass Sunstein. De auteurs laten zien hoe wij mensen in onze directe omgeving, in de samenleving of op het werk een zetje in de goede richting kunnen geven. Dagelijks nemen wij talloze beslissingen, maar helaas blijken veel van onze keuzes achteraf verkeerd uit te pakken. Thaler en Sunstein stellen dat dat komt doordat wij ons – menselijk als we zijn – laten leiden door vooroordelen. Wij kunnen hen met zachte hand met een nudge naar betere keuzes leiden, zonder hen te beperken in hun keuzevrijheid. Voorbeelden in de samenleving zijn: scholen en bedrijfscafetaria met alleen gezonde voeding, betere pensioenplanning en meer rookvrije zones.

Onder premier Cameron stelde de Britse regering in 2010 een ‘Behavioural Insights Team’ in. Dit team past wetenschappelijke kennis op het gebied van gedragswetenschappen in de praktijk toe. In navolging op de Britten stelde Obama eveneens een ‘nudge unit’ in om de efficiëntie en effectiviteit van overheidsprogramma’s te verbeteren. Onze overheid heeft sinds 2014 ook een nudge team. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu zet kennis van psychologische gedragsinterventies in bij de ontwikkeling van campagnes zoals ‘de Bob’ en ‘van A naar Beter’. Gedragskennis wordt daarnaast ook ingezet bij beleidsontwikkeling om de effectiviteit van het beleid te vergroten.

Onbewust worden wij continu genudged door organisaties die ons proberen aan te zetten tot gewenst gedrag. Wij verzetten ons er niet tegen en zoeken het soms bewust op. Zo gaat mijn horloge trillen als ik een tijdje stilzit met een aansporing ‘beweeg!’ En als ik mijn stappendoel heb gehaald verschijnt er een vuurwerkanimatie op het scherm en ‘doel gehaald!’ Dat brengt mij op het idee om overheidsambtenaren een subtiel duwtje te geven voor meer transparantie. Burgers willen graag weten wat de overheid doet met hun belastinggeld. Ook willen we bijvoorbeeld graag meer inzicht in overheidscontracten, aanbestedingen en overheidsingrepen in onderzoeksrapporten alvorens deze verschijnen. De nudge kan worden geleend van de Efteling. Daar staat sinds jaar en dag een Holle Bolle Gijs die voortdurend “papier hier” roept en “dank u” zegt als je iets in zijn mond gooit.

Klantbelang

Zestien jaar geleden werd het startsein gegeven voor de modernisering van de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens op basis van het advies van de commissie Snellen. De modernisering beoogde de toegankelijkheid van persoonsgegevens te verbeteren door gebruik van moderne ICT-toepassingen. Een versnelling van de uitwisseling van gegevens tussen gemeenten onderling en tussen gemeenten en geautoriseerde afnemers was het doel. Deze week kwam een voorlopig einde aan die langgekoesterde ambitie. Het project voor de vernieuwing van het voormalige bevolkingsregister werd stopgezet.

De overheid zou veel kunnen leren van ontwikkelingen die banken hebben doorgemaakt bij digitalisering van hun klantprocessen. Zo was de Postbank amper twintig jaar geleden nog de giro-blauwe bank van het postkantoor, de girobetaalkaarten en de portvrije enveloppen. Tien jaar geleden maakte giro-blauw plaats voor ING-oranje. De ING-bank is inmiddels een digitaal bedrijf. Klanten van de bank kunnen online in één oogopslag al hun rekeningen, creditcard- en hypotheekgegevens zien, zonder zich voor elk product opnieuw te hoeven aanmelden.

Bij digitale transformatie draait het volledig om de klant. Die verlangt in het huidige digitale tijdperk altijd online toegang via meerdere kanalen, gebruikersgemak en gepersonaliseerde dienstverlening. Gebruikerservaring is vandaag de dag cruciaal voor iedere organisatie en bepalend voor succes of falen. Dat proces is nooit af. Continu wordt gewerkt aan verbetering van gebruikerservaring. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met technologische ontwikkelingen en verschuivende kanaalvoorkeur bij klanten. Opkomende kanalen zijn bijvoorbeeld communities en chatbots, terwijl het belang van traditionele kanalen, zoals telefonie, afneemt.

ING digitaliseert de klantprocessen via een zogenaamd wasstratenprogramma. Het wassen van de klantprocessen moet het voor klanten nog simpeler en begrijpelijker maken, met als doel de dienstverlening te verbeteren. Zo wordt nooit tweemaal om dezelfde gegevens gevraagd, is de beleving via alle kanalen identiek en wordt in ieder proces de klanttevredenheid gemeten. De focus ligt op de tevredenheid van klanten. Het proces voor het openen van een jongerenrekening is bijvoorbeeld teruggebracht tot vier clicks. Een nieuw rekeningnummer kan direct worden geopend. Daardoor is de klanttevredenheid aanzienlijk toegenomen en de uitval gereduceerd van 10 tot 1 procent.

De overheid slaagt er in meer dan tien jaar niet in om persoonsgegevens van de bevolking te digitaliseren. Een commercieel bedrijf was al na een jaar failliet gegaan. Zo niet onze overheid. De minister laat nu een drietal onafhankelijke deskundigen, ondersteund door een klein secretariaat en een klankbordgroep, een bezinning uitvoeren. Bij een bedrijf staan voortdurend verbeteren en tevredenheid van klanten centraal. Bij de overheid vergt elke vorm van modernisering heel veel tijd en draait alles om de overheid. De eigen processen worden gedigitaliseerd en overheidsklanten moeten zich daarnaar voegen.

Boissevain op het schildersdoek

‘De zes dochter van Boissevain’ door Thérèse Schwartze (1916). vlnr: Catharina Josphine (Teau), Maria Cornelia (Mary), Helena Catharina (Heentje), Emily Héloïse Boissevain. Voor staan Elisabeth Antonia (Els) en Dieuke Machteld Hilda Boissevain

De familie Boissevain liet zich graag vastleggen op het schildersdoek. In 1916 vervaardigde de beroemde Thérèse Schwartze (1851-1918) een groepsportret van de dochters van Charles Boissevain en Maria Pijnappel. Dit prachtige schilderij uit 1916 bevindt zich momenteel in het depot van het Amsterdam Museum.

Door: Esmeralda Tijhoff

In 2011 zag ik het werk voor het eerst. Wat is er te zien, en hoe belandde het doek in het Geheugen van Nederland? Een kleine zoektocht naar de achtergrond en herinnering van een schilderij. Op een dag bezocht ik een prachtig grachtenpand in Amsterdam waar een tentoonstelling gehouden werd met werk van Thérèse Schwartze (1851-1918). Schwartze stond bekend om haar warme portretschilderijen van families uit de rijke bovenlaag. Ze had een vlotte streek, maar zette haar subjecten en hun karakters toch altijd zeer realistisch neer. Schwartze’s stijl viel zo in de smaak, dat zij zelfs leden van het Koninklijk Huis mocht portretteren. In 1896 werd zij als eerste vrouw benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Ik had al van het werk van Schwartze gehoord, en reisde vol goede moed af naar Amsterdam om eindelijk de negentiende-eeuwse Amsterdamse elite via haar schilderijen in de ogen te kijken.

Ik bevond me in het Museum Van Loon, gesitueerd in het patriciërshuis aan de Keizersgracht 672. Binnen kon je een indruk krijgen hoe het huis in de negentiende eeuw gefunctioneerd had. De inrichting was gedaan met meubilair uit diverse eeuwen, en de keuken kon elk moment weer in gebruik worden genomen door een negentiende-eeuwse kok. Aan de muren hingen zoals beloofd grootse schilderijen van het Amsterdams patriciaat. Een perfecte locatie die de sfeer en context van de totstandkoming van de schilderijen kon benaderen. Eén schilderij had mijn aandacht direct gevangen, het is een van Schwartzes laatste grote werken: de zes dochters Boissevain.

Zes jonge vrouwen: een tijdsbeeld

Zes jonge vrouwen van diverse leeftijden kijken de bezoekers vanaf het schilderij zelfbewust aan. Ze leunen over een balustrade, links hangt een dik gordijn. Wellicht moet dit een balkon in een concerthuis voorstellen? Het levensgrote schilderij maakt met zijn 130,5 bij 146 cm behoorlijke indruk. De oudste was Helena Boissevain, ook wel Heentje genoemd, 19 jaar oud. Het jonge meisje over de balustrade was Dieuke, nog maar zes jaar oud.

De meisjes zijn losjes, maar toch redelijk rijkelijk aangekleed. In hun gezichten laat het karakter zich lezen. De kleding is vlug en met grove lijnen neergezet. Ze lijken ruim om de jonge vrouwen te hangen, waarbij de jurken van de oudere meisjes duidelijk zwaarder en rijker waren dan de witte kleden van de jongsten. Heentje draagt een parelmoer, zij is ten slotte al 19 en zal haar debut hebben gemaakt.

Zowel Heentje als Mary Boissevain hebben hun haar opgestoken, de jongere zussen dragen hun lange haren nog los. Lang haar was in die tijd een teken van welvaart en vrouwelijkheid. Lange haren vergde immers veel verzorgingstijd, en het beperkte je bewegingsvrijheid. Kinderen konden hun haren nog los dragen, maar als het kind een vrouw werd, moesten de haren netjes worden opgevlochten en opgestoken.

We zien dus verschillende manieren van de elite in het schilderij terug  om een leeftijdshiërarchie in het gezin aan te brengen. Verschil in haardracht (los versus vast), en verschil in kledingdracht (witte kleden versus volwaardige jurken). Tot slot is er nog het verschil in attributen zoals een halsketting. Het schilderij laat subtiel de welvaart van de dochters Boissevain zien. Dat kon ook anders, zoals dit pronk schilderij van A.G.M. van Ogtrop-Hanlo en haar vijf kinderen uit 1906 laat zien.

Thérèse Schwartze. Portret van A.G.M. van Ogtrop-Hanlo (1871-1944) en haar vijf kinderen. 1906.

Kleinkinderen of dochters van moeder?

Zo stond ik te peinzen bij het schilderij van Schwartze . Maar waren dit ‘mijn’ gezusters Boissevain waar ik momenteel een biografie over schrijf? Helaas stond ik niet tegenover de dochters van Jan Boissevain en Petronella Brugmans. Enkele van de meisjes dragen wel dezelfde namen; er is een Helena, een Elisabeth en natuurlijk een Maria. Maar het zijn namen die in de familie zeer vaak voorkomen. Dit waren de zes dochters van Charles Boissevain.

Aanvankelijk dacht ik dat het ging om Charles Boissevain (1842-1927), de broer van Jan, die heel bekend was omdat hij directeur was van het Algemeen Handelsblad. Niet zo gek dat ik dit dacht, want ook het Geheugen van Nederland rept over ‘de kinderen en kleinkinderen‘ van deze Charles. Maar nadere inspectie liet zien dat het om de kinderen van diens zoon Charles Ernest Henri Boissevain (1868-1940) ging. En weer nadere inspectie gaf blijk dat hun moeder niemand minder dan Maria Barbera Pijnappel (1870-1950) was, de voorzitster van de Nederlandsche Bond voor Vrouwenkiesrecht, lid van Provinciale Staten voor de Vrijheidsbond en algemeen voorzitter van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen! Waarom Het Geheugen Van Nederland de meisjes op het schilderij omschrijft als ‘kinderen en kleinkinderen van Charles Boissevain’, de eigenaar van het Algemeen Handelsblad, is mij dan ook een raadsel. Hun opa wordt de verwijzing bij hun schilderij, en niet hun beroemde moeder?

De erfenis van Boissevain

Zoals gezegd heeft de familie Boissevain aardig wat opdrachten gegeven aan Thérèse Schwartze. De schilderijen zijn via erfenissen terecht gekomen bij diverse familieleden. Dit schilderij van de zussen is door nazaat Teau Huisken-Boissevain in 1990 aan het Amsterdam Museum werd geschonken (inv.nr. SA 40866).

Van het gezin Boissevain waar ik onderzoek naar doe, zijn ook diverse portretten gemaakt, maar helaas is er geen enkel groepspotret van hen bekend. Van de beide jongste kinderen uit het gezin, Walrave Boissevain en Mia Boissevain, zijn prachtige schilderijen gemaakt die nu in privé bezit bij de familie zijn. Het schilderij van Mia is ook door Schwartze uitgevoerd, een prachtig staand portret waar Mia met een haast koninklijke houding schuin de wereld in kijkt.

Toch is Schwartze natuurlijk niet de enige schilder geweest die zich ontfermde over de Boissevains. Een schilderij van Jan Veth (1864-1925) is door Jaap Versteegh in 2007 herkend als een portret van (de oude) Charles Boissevain. Veth had Charles geschilderd als onderdeel van zijn serie ‘Bekende Tijdgenoten’, waarvoor hij overigens ook een portret maakte van Schwartze.

Charles Boissevain door Jan Veth

Charles zelf had ook al eens bij de bekende schilder Willem Witsen gevraagd voor een portret van zijn zoon Alfred Gideon Boissevain (1870-1922).

Alfred Boissevain door Willem Witsen

In 2010 is dit portret in de collectie van het Amsterdams Historisch Museum gekomen. Een klein briefje van Boissevain in 1916 aan Witsen verraadt hoe Charles deze schilder op een voetstuk plaatste: ‘Ik kijk van mijn plaats aan tafel nu steeds op het aangezicht zoo vol expressie van mijn zoon Alfred, dat gij vol leven, gloeiend van kleur en als of wij hem hoorden spreken voor ons hebt afgebeeld. Welk een groot talent is het uwe en wat schildert gij mooi!’ (Willem Witsen, Volledige briefwisseling)

Esmeralda Tijhoff is docent geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, expertise: Moderne Geschiedenis, Cultuurgeschiedenis, Vrouwengeschiedenis, Biografieën. Op haar website schrijft zij onder meer over geschiedenis en de familie Boissevain.

Onderstaand jeugdportret van Hilda Gerarda Boissevain (1877 – 1975) is gemaakt door Jacobus Johannes de Haan. Hij was fotograaf en portretschilder. Hij heeft bijvoorbeeld ook foto’s gemaakt van de koninklijke familie. Dit moet een van zijn eerste werken zijn geweest. Hij was toen 18 jaar (geboren 1868).

Weet u nog schilderijen van leden van de familie Boissevain? Met name ook van het gezin van Jan Boissevain en Petronella Brugmans. Laat het mij weten! 

Mia Boissevain door Thérèse Schwartze

Murphy in de roeiboot

Sommige sportieve activiteiten zijn moeilijk te combineren. Zo heb ik ervaren dat een lange roeitraining in een tweezonder niet meevalt daags na een minder sportief groepsuitje op een klipper op het IJsselmeer. Bij klipperzeilen staat ontspanning en recreatie centraal. Een roeitraining vergt inspanning en concentratie.

De voorbereiding op een roeitraining steekt allemaal heel nauw. De iPhone wordt in een waterdichte hoes bevestigd aan het voetenboord. Dit is van belang voor de communicatie, livetracking en natuurlijk voor het maken van foto’s tijdens de training. Het sporthorloge registreert slagritme, snelheid, doorlooptijd, afstand en hartslag en communiceert met de iPhone. Af en toe gaat ook de GoPro mee aan boord voor het maken van een video van een training of een wedstrijd. Met een zuignap kan de GoPro stevig worden bevestigd op de achtertaft van de boot. Veel tijd kost het niet om de techniek mee in de boot te nemen. Als alles naar behoren werkt heb je achteraf nuttige informatie en beelden om de inspanning na te beleven, te analyseren en te delen met sportvrienden. Je kunt prestaties vergelijken met prestaties van anderen en vergelijken met prestaties uit het verleden. De resultaten kun je ook eenvoudig presenteren in een overlay (bijvoorbeeld van snelheid en hartslag na een intervaltraining).

Met de naweeën van vishapjes en bier van de klippertocht nog in het lijf maakten wij ons klaar voor een lange training in de tweezonder. Nu bleek dat ik mijn hartslagband thuis had gelaten. Vervolgens liet mijn iPhone mij in de steek. De iPhone doet het altijd, maar deze keer was er alleen een blauw scherm en het lukte mij niet om het apparaat te resetten. ‘Alles wat mis kan gaan zal ook mis gaan’ luidt de eerste wet van Murphy. Zo verliep het ook toen wij in de vroege ochtend, met beperkte technische hulpmiddelen, begonnen aan onze training. Een ware wijsheid van onze coach zegt dat als de eerste halen van een training goed gaan, dat dan de hele training meestal goed gaat. Maar helaas ging het tijdens de eerste halen al mis.

Ondanks alle tegenslag hebben we nog een mooie tocht geroeid. Wij zagen een roeisloep varen bij de Kaag en molens langs de waterkant. We hebben genoten van het polderlandschap en de vele watervogels. Die prachtige beelden blijven voor altijd in onze herinnering.