Het verkiezingsprogramma van D66 klinkt als luchtfietserij: tien nieuwe steden bouwen en een geheel nieuwe Belastingdienst optuigen. Het zijn plannen die meestal worden weggezet als te duur, te groot en onhaalbaar. Maar misschien raken juist deze ogenschijnlijk megalomane ideeën aan een dieper punt: structurele problemen vragen soms om structurele doorbraken.
De woningnood vraagt om visie
Al decennia horen we dezelfde voorstellen: meer verdichten in stedelijk gebied, lege kantoren ombouwen, optoppen van gebouwen en doorstroming verbeteren. Het zijn allemaal waardevolle maatregelen, maar het levert te weinig op. De bevolking groeit veel sneller dan de woningbouw kan bijhouden. De rek is eruit.
Het idee van D66 om tien nieuwe steden te bouwen klinkt spectaculair, maar Nederland heeft vaker bewezen dat het onmogelijke toch kan. De Deltawerken, de drooglegging van de Zuiderzee, de aanleg van Flevoland: allemaal projecten die destijds buiten de verbeelding leken, maar generaties lang vooruitgang brachten. Het alternatief, steeds meer woningen in steeds krapper wordende steden, roept minstens zoveel vragen op. Misschien is groot denken hier geen luxe, maar noodzaak.
De Belastingdienst opnieuw uitvinden
Hetzelfde geldt voor de Belastingdienst. Het huidige fiscale systeemlandschap is een lappendeken van verouderde software, waarin elke nieuwe regel tot chaos leidt. Burgers begrijpen hun aanslagen niet meer, ondernemers verdwalen in formulieren en de dienst zelf zakt steeds dieper weg in complexiteit.
D66 stelt voor om naast bestaande systemen een compleet nieuwe Belastingdienst te bouwen, met eenvoud en transparantie als uitgangspunt. Dat klinkt radicaal, maar het is precies hoe grote organisaties hun verouderde IT-systemen aanpakken: je bouwt nieuw naast oud, test zorgvuldig, en schakelt pas over als het werkt. In combinatie met een vereenvoudiging van het belastingstelsel kan dit eindelijk een structurele doorbraak zijn.
Lef en realisme
Critici zullen zeggen dat dit onbetaalbaar en onuitvoerbaar is. Maar de echte vraag is: kunnen we het ons veroorloven níet te veranderen? De woningnood verergert, het vertrouwen in de Belastingdienst brokkelt af en jongeren zien hun toekomst wegglippen.
Natuurlijk moeten grootse plannen streng getoetst worden op (financiële) haalbaarheid. Maar we moeten niet vergeten dat Nederland is gebouwd door generaties die durfden te denken in termen van doorbraken. Zonder lef geen vooruitgang.
Durven dromen
D66 toont in haar programma een traditie die we bijna zijn kwijtgeraakt: durven dromen van structurele oplossingen. Dat vraagt om nuchterheid én durf, om groot denken én slim doen. Of de plannen werkelijkheid worden, hangt af van politieke wil en maatschappelijk draagvlak. Maar één ding is zeker: blijven hangen in kleine stapjes brengt ons niet verder.
De ChristenUnie heeft in haar verkiezingsprogramma aandacht voor de risico’s van digitalisering, zoals privacybescherming, de invloed van algoritmes en de bescherming van kinderen online. Dat sluit goed aan bij de waarden die de partij centraal stelt: menselijke waardigheid, zorg voor kwetsbaren en bescherming van gemeenschappen. Tegelijkertijd is het digitaliseringshoofdstuk vooral defensief van toon. Voor een partij die regeringsverantwoordelijkheid ambieert, biedt dit een kans om de blik te verbreden en digitalisering ook neer te zetten als middel om maatschappelijke doelen te versterken.
Beschermen én mogelijk maken
Het voorstel voor leeftijdsverificatie op sociale media illustreert de spanning tussen intentie en uitvoering. De ambitie om jongeren te beschermen is begrijpelijk, maar een systeem waarbij alle gebruikers hun identiteit moeten bewijzen brengt grote privacyrisico’s met zich mee. Een realistischer alternatief ligt in het ondersteunen van ouders en scholen bij digitale opvoeding, het stimuleren van betere parental controls en het ontwikkelen van veilige, kindvriendelijke online omgevingen. Zo kan de partij de bepleite bescherming concreet en haalbaar vormgeven zonder in te grijpen in de privacy van alle gebruikers.
Ook de wens om sociale media ‘minder verslavend’ te maken kan sterker worden ingevuld door te pleiten voor transparantie over algoritmes en meer onafhankelijk onderzoek naar hun effecten op jongeren. In plaats van het opleggen van onuitvoerbare verplichtingen, kan de ChristenUnie daarmee bijdragen aan een evenwichtige digitale omgeving.
Wat betreft Europese cloudoplossingen is het belangrijk om ambities concreet te maken. Het streven naar digitale soevereiniteit is waardevol, maar vraagt om focus op domeinen waar Nederland en Europa daadwerkelijk onderscheidend kunnen zijn, zoals privacyvriendelijke zorgdata, veilige infrastructuur en open source-toepassingen.
Digitalisering als kans voor maatschappelijke meerwaarde
Naast bescherming biedt digitalisering veel kansen om maatschappelijke doelen te realiseren die aansluiten bij de christelijk-sociale traditie van de partij. Enkele voorbeelden:
Zorg en welzijn: Kunstmatige intelligentie kan bijdragen aan betere diagnostiek, snellere ontwikkeling van medicijnen en ondersteuning van mantelzorgers. Digitale zorgtoepassingen kunnen wachttijden verkorten, chronisch zieken ondersteunen en eenzaamheid verminderen
Onderwijs: Digitale geletterdheid vraagt om meer dan basisvaardigheden. Investeren in digitale vaardigheden en ethische reflectie bereidt jongeren beter voor op een toekomst waarin technologie een centrale rol speelt
Samenleving en gemeenschap: Kerken, verenigingen en maatschappelijke organisaties kunnen profiteren van digitalisering door nieuwe vormen van verbinding en dienstverlening. Ondersteuning hierbij versterkt juist de gemeenschapszin die de ChristenUnie belangrijk vindt
Onderwerpen die nu ontbreken of onderbelicht zijn
Om de kansen van digitalisering volledig te benutten, kan de ChristenUnie in haar programma nog explicieter aandacht besteden aan:
Digitale inclusie: zorgen dat iedereen kan meedoen, ook ouderen, laaggeletterden en mensen met een beperking
Duurzame digitalisering: aandacht voor het energiegebruik van datacenters en de bijdrage van technologie aan de klimaatopgave
Digitale democratie: inzetten op transparante besluitvorming, toegankelijkheid van overheidsinformatie en burgerparticipatie via digitale middelen.
Ethische AI: stimuleren van toepassingen die uitlegbaar, eerlijk en mensgericht zijn, passend bij het principe van menselijke waardigheid
Innovatie voor publieke sectoren: technologie inzetten voor efficiënter openbaar vervoer, betere publieke dienstverlening en versterking van veiligheid zonder privacy op te offeren
Naar een mensgerichte digitaliseringsagenda
De ChristenUnie kan zich onderscheiden door digitalisering niet alleen te benaderen als een risico dat beheerst moet worden, maar ook als een kans die richting kan krijgen vanuit christelijk-sociale waarden. Een mensgerichte digitaliseringsagenda betekent: technologie inzetten waar deze de menselijke waardigheid versterkt, zorg en gemeenschap ondersteunt en kwetsbaren beschermt.
“Het is eenvoudiger om een audiëntie bij de paus te regelen dan om deze kunstwerken te zien” zei schrijver Bart van Loo ooit over Les Très Riches Heures du Duc de Berry. En dat bleek geen overdrijving. Het beroemdste en meest ontoegankelijke getijdenboek ter wereld, geschilderd door drie broers uit Nijmegen, heeft in de zomer van 2025 voor het eerst in decennia de kluis van het Musée Condé in Chantilly verlaten.
Dat bijzondere moment was voor Monique Hemmink en Bas Steman aanleiding om een eenmalige kunstreis te organiseren: In de voetsporen van de gebroeders Van Lymborch. Een reis naar de oorsprong van de Nederlandse schilderkunst, naar het Bourgondische hof waar de moderne beeldende kunst van West-Europa haar wortels vond.
Van Nederland naar Dijon
Onze reis begint in Nederland, waar we met een luxe touringcar vertrekken richting Frankrijk. Via Utrecht en Arnhem banen we ons een weg naar Dijon. De route is lang en niet zonder obstakels. Wegversperringen bij Arnhem en Pont-en-Mousson vertragen de reis, maar ’s avonds worden we beloond met een uitgebreid diner en de eerste glazen Bourgondische wijn.
Dijon is de oude hoofdstad van Bourgondië, een stad waar de 14e en 15e eeuw nog voelbaar is in de smalle straatjes en oude paleizen. Hier werkte Johan Maelwael, de oom van de Van Lymborch-broers en de eerste Nederlandse schilder van naam. Hij werd hofschilder van de hertogen van Bourgondië en vormde een brug tussen middeleeuwse devotie en renaissancistische menselijkheid. In zijn werk, zoals de beroemde Pièta in het Louvre, zie je al de overgang naar de nieuwe tijd.
In het Musée des Beaux-Arts, gevestigd in het voormalige hertogelijk paleis, wandelen we langs gepolychromeerde praalgraven en laatmiddeleeuwse altaarstukken. Onze gids vertelt bevlogen over de beeldhouwer Claus Sluter en de samenwerking met Maelwael: de één in steen, de ander in verf, beiden in dienst van hetzelfde Bourgondische ideaal van schoonheid en macht.
’s Middags bewonderen we Sluters beroemde Mosesput: een gotisch meesterwerk vol profeten, engelen en symboliek. Rond 1400 maakte Sluter dit werk voor het kartuizerklooster van Champmol, het spirituele hart van het Bourgondische hof. Het is indrukwekkend hoe levendig de beelden nog steeds spreken, alsof ze gisteren uit het steen gehouwen zijn.
Op weg naar Bourges
We verlaten Dijon en trekken verder zuidwaarts naar Bourges, de stad van Jean de Berry, de legendarische mecenas van de gebroeders Van Lymborch. Onderweg maken we een tussenstop bij het charmante Château La Croix Montjoie voor een rondleiding en wijnproeverij, een welkome pauze tussen de kunsthistorische hoogtepunten.
In Vézelay bezoeken we de sobere basiliek, beroemd om haar expressieve sculpturen die de middeleeuwse angst en verlossing bijna tastbaar maken.
Het echte hoogtepunt van deze dag wacht in Bourges: de kathedraal Saint-Étienne, waar de hertog van Berry zijn thuiskerk had, trouwde met Johanna van Armagnac en uiteindelijk zijn laatste rustplaats vond. De gotische kathedraal met haar mysterieuze crypte en talloze glas-in-loodramen ademt de grandeur van het Bourgondische hof.
Bourges zelf is een openluchtmuseum, meer dan 400 gebouwen stammen nog uit de tijd van de Van Lymborchs. Je kunt je hier werkelijk voorstellen hoe de jonge Nijmeegse broers, neefjes van Maelwael, zich hier bewogen tussen geestelijken, edellieden en kunstenaars.
Kastelen, kunst en kronieken
De volgende dag trekken we noordwaarts langs de ruïnes van het kasteel van Mehun-sur-Yèvre. Op oude prenten, vermoedelijk van de hand van de gebroeders Van Lymborch, zien we hoe dit kasteel ooit uitzag, met romaanse ramen die later gotisch werden. In de 15e eeuw was het eigendom van Jean de Glymes, burggraaf van Maastricht, een naam die herinnert aan de nauwe banden tussen de Lage Landen en Bourgondië.
Daarna bezoeken we het kasteel van Dourdan, ooit in bezit van hertog Jean de Berry. Hier bewaarde hij zijn kostbaarste manuscripten, juwelen en relikwieën, waaronder Les Très Riches Heures. Ons bezoek wordt begeleid door een Franstalige gids die urenlang vertelt over de geschiedenis, de architectuur en de intriges van het hof. De gids vertelt over de tragische lotgevallen van Marguerite en Blanche van Bourgondië, adellijke dames die hier ooit gevangen zaten. Daarna beklimmen we de donjon en genieten van het fraaie uitzicht over de vallei.
Parijs: van middeleeuwen tot moderniteit
Na dagen vol kastelen en kerken bereiken we Parijs. We wandelen langs de Seine, de Sainte-Chapelle en de Notre-Dame, waar de rijen toeristen eindeloos lijken. Op een terras bij de Île de la Cité drinken we koffie en eten gebak voordat we verder trekken naar het Panthéon. In de imposante koepel zwaait Foucaults slinger, een stille getuige van de draaiing van de aarde.
De volgende dag duiken we het Louvre in. Daar staan we oog in oog met werken van Johan Maelwael en de Van Lymborchs. Het Altaarstuk van Saint Denis, officieel toegeschreven aan Henri Bellechose, zou volgens onze gids Bas Steman in werkelijkheid van Maelwael zijn hand kunnen zijn. De voorstelling van het martelaarschap van Sint-Dionysius, de eerste bisschop van Parijs, is dramatisch en verfijnd tegelijk.
Een ander meesterwerk is de ronde Pièta, waarin Maelwael de dode Christus toont, omringd door Maria, Johannes en engelen. De Van Lymborchs voegden er hun miniaturistische finesse aan toe. Het is ontroerend om te bedenken dat deze Nijmeegse kunstenaars hier, in het hart van Parijs, hun sporen nalieten. Na nog een glimp van de Mona Lisa en La Liberté guidant le peuple van Delacroix, zoeken we een rustig terras op voor een eenvoudige broodmaaltijd.
Onze laatste stop in Parijs is de Tour de Jean sans Peur, een middeleeuwse toren die wonder boven wonder de modernisering van Haussmann heeft overleefd. Bovenin bewonderen we een plafond in de vorm van een boom. Het is een kunstwerk van Jan van Werve, neef van Claus Sluter, met polychromie van Maelwael. Een prachtig sluitstuk van de middeleeuwse kunst in deze moderne metropool.
Chantilly: het hoogtepunt
En dan, eindelijk, het moment waarop de hele reis is gebouwd: Château de Chantilly. Hier opende het Musée Condé zijn deuren voor een historische tentoonstelling: Les Très Riches Heures du Duc de Berry. Voor het eerst in meer dan veertig jaar worden alle twaalf kalenderminiaturen tegelijk getoond, los van het boek, in een speciaal ontworpen vitrine.
Het is ontroerend om deze meesterwerken, ooit geschilderd door drie jonge mannen uit Nijmegen, in volle glorie te zien. Hun verfijnde penseel, hun kleurgebruik, hun revolutionaire aandacht voor licht en seizoenen: alles ademt de overgang van middeleeuwse symboliek naar een nieuwe, menselijke blik op de wereld.
Naast dit beroemde getijdenboek zien we ook de Bible Moralisée (1402–1404) en Les Belles Heures (1405–1409), uitgeleend door het Metropolitan Museum of Art. De tentoonstelling toont niet alleen hun genialiteit, maar ook de recent uitgevoerde restauratie die verborgen details aan het licht bracht.
Een reis door de tijd en verbeelding
Aan het einde van de reis blijft vooral verwondering over. Hoe konden drie jonge mannen uit Nijmegen. Paul, Herman en Johan van Lymborch, uitgroeien tot de grondleggers van de West-Europese schilderkunst? Hun werken verbinden Gelderse nuchterheid met Bourgondische pracht, hun penseelstreken overbruggen eeuwen.
Dank aan Monique Hemmink en Bas Steman voor deze onvergetelijke reis, die ons niet alleen door Frankrijk voerde, maar ook door de vroege geschiedenis van onze kunst.
Dijon – Place de la LibérationDijon Musée des Beaux-Arts – praalgraf Philips de StouteDijon Musée des Beaux-Arts – Pleurants bij praalgraf Philips de StouteDijon Musée des Beaux-Arts – onthoofding Johannes de DoperDijon – MozesputDijon – Mozesput Château La Croix MontjoieBourges – Cathédrale Saint-ÉtienneBourges – Vitraux de la cathédrale Bourges – Les Pleurants in de crypte van de kathedraalMehunDourdanParijs – Notre DameParijs Louvre – Altaarstuk van Saint DenisParijs – Tour de Jean sans peurChâteau de Chantilly – Les Très Riches Heures du Duc de BerryLes Très Riches Heures du Duc de Berry – De Aanbidding van de Drie Koningen (Januari)
Forum voor Democratie presenteert zich als de onverschrokken verdediger van digitale privacy. Op papier klinkt dat krachtig: privacy is immers een fundament van de democratie. Maar in de praktijk botsen radicale beloften al snel met een ongemakkelijke waarheid: we kunnen nooit 100 procent privacy garanderen én tegelijk 100 procent veiligheid waarborgen. Wie de balans negeert, belooft burgers iets onmogelijks.
Waar het schuurt
De volledige afschaffing van de Sleepwet is zo’n voorbeeld. Principieel aantrekkelijk voor privacy, maar praktisch onhaalbaar. Nederland heeft internationale verplichtingen bij de bestrijding van terrorisme en zware criminaliteit. Zonder samenwerking en gegevensdeling zou onze veiligheid in het geding komen.
Hetzelfde geldt voor het terugdraaien van de Europese Digital Services Act. Juridisch onmogelijk zonder EU-exit, en bovendien bevat die wet juist belangrijke waarborgen tegen desinformatie en haatcampagnes. Ook hier wringt de tegenstelling tussen principiële vrijheid en de noodzaak van collectieve bescherming.
Volledige anonimiteit online lijkt het summum van privacy, maar creëert tegelijk een schuilplaats voor cybercriminelen, kindermisbruik en terrorisme. Absolute vrijheid op internet kan zo de veiligheid van burgers ernstig ondermijnen.
En in de cryptowereld blijkt complete deregulering niet houdbaar. Zonder toezicht zijn witwassen, fraude en consumentenverliezen vrijwel onvermijdelijk.
Het echte spanningsveld
Deze voorbeelden laten zien dat de kern niet ligt in het wel of niet beschermen van privacy, maar in de zoektocht naar een leefbare balans. Absolute veiligheid bestaat niet. Absolute privacy evenmin. Democratisch beleid betekent dus voortdurend afwegen: hoeveel vrijheid zijn we bereid prijs te geven om misbruik te voorkomen? En hoeveel risico durven we te accepteren om onze rechten te behouden?
Naar een realistisch alternatief
In plaats van radicale stellingnames zijn er haalbare hervormingen die beide waarden recht doen:
Herzie de Sleepwet met striktere rechterlijke toetsing, kortere bewaartermijnen en meer transparantie.
Werk binnen Europa om de Digital Services Act slimmer te maken: minder bureaucratie voor kleine platforms, behoud van bescherming tegen misbruik.
Zoek gebalanceerde anonimiteit, met sterke standaard-privacy, maar identificatie via de rechter bij zware misdrijven.
Reguleer crypto verstandig, zodat innovatie kan bloeien zonder dat witwassen of consumentenbedrog vrij spel krijgt.
Van illusies naar impact
De werkelijkheid van digitalisering is weerbarstig. Privacy en veiligheid zijn geen rivalen die elkaar uitsluiten, maar waarden die elkaar in evenwicht moeten houden. Eenzijdige beloften van absolute vrijheid of totale bescherming zijn illusies.
Wat burgers werkelijk nodig hebben, is beleid dat het spanningsveld erkent en eerlijk uitlegt waar de grenzen liggen. Alleen zo bouwen we aan een digitale samenleving die zowel vrij als veilig, zonder valse beloften, maar met duurzame bescherming van onze rechten.
JA21 presenteert in haar verkiezingsprogramma een stevig pakket voor digitale soevereiniteit. Van een nationale cloud onder Nederlandse wetgeving tot radicale belastingvereenvoudiging en cyberafschrikking: de voorstellen klinken daadkrachtig. Maar achter de krachtige taal schuilt dezelfde maakbaarheidsillusie die we ook bij andere partijen zien: de kloof tussen politieke belofte en technische realiteit.
Nationale Cloud: David tegen drie Goliaths
Het idee van een “nationale cloud” klinkt aantrekkelijk: data veilig onder Nederlandse jurisdictie, zonder inmenging van Amerikaanse of Chinese techgiganten. Maar wie een cloud wil bouwen die kan concurreren met Amazon, Microsoft en Google, stuit op een harde realiteit. Deze bedrijven investeren jaarlijks tientallen miljarden in datacenters, netwerkverbindingen en gespecialiseerde hardware. Ze hebben teams van tienduizenden ingenieurs en decennia aan opgebouwde expertise. Nederland zou, zelfs met een onbeperkt budget, decennia nodig hebben om ook maar in de buurt te komen. Het resultaat: een dure, technisch achterlopende cloud die alsnog afhankelijk blijft van buitenlandse technologie.
Belastinghervorming: Motor wisselen tijdens de vlucht
Ook de belofte om het ‘circus van toeslagen en heffingskortingen’ af te schaffen en te vervangen door een helder en transparant systeem klinkt verleidelijk eenvoudig. Maar de huidige complexiteit van het belastingstelsel is geen willekeurige bureaucratie: het weerspiegelt de complexiteit van onze samenleving. Verschillende gezinssituaties, arbeidsvormen en zorgbehoeften laten zich niet reduceren tot één uniforme set van regelingen. Een radicaal nieuw systeem bouwen terwijl het oude in gebruik blijft, is als de motor van een vliegtuig vervangen tijdens de vlucht. Het is uitvoeringstechnisch levensgevaarlijk.
Cyberafschrikking: Waterpistolen in een Tankgevecht
JA21 wil het Defensie Cyber Commando uitbreiden om vijandige staten af te schrikken. Maar effectieve offensieve cybercapaciteit vergt schaarse expertise en schaalvoordelen, die een klein land als Nederland zonder internationale samenwerking niet kan opbrengen. Op nationaal niveau dreigen met tegenacties tegen cybersupermachten is het digitale equivalent van een waterpistool in een tankgevecht. Het klinkt daadkrachtig, maar is strategisch onverstandig.
Wat wél realistisch Is
De ambities van JA21 zijn begrijpelijk. Niemand wil afhankelijk zijn van buitenlandse techreuzen, kwetsbaar zijn voor cyberaanvallen of slachtoffer worden van een ingewikkeld belastingsysteem. Maar echte digitale autonomie en belastinghervormingen vragen om realistische keuzes:
Europese samenwerking: een volwaardige nationale cloud is onhaalbaar, maar via Europese initiatieven als GAIA-X kan Nederland wél schaalgrootte en invloed opbouwen
Stapsgewijze belastingvereenvoudiging: hervorm niet het hele stelsel tegelijk, maar begin met één toeslag of regeling en leer van de uitvoering
Defensieve cyberkracht: investeren in cyberweerbaarheid en samenwerking met bedrijven levert meer op dan offensieve illusies
Digitale expertise in de overheid: een overheid die technologie begrijpt, maakt betere keuzes dan een overheid die grote projecten uitbesteedt
Realisme boven retoriek
Technologische onafhankelijkheid en nationale kracht zijn waardevolle doelen, maar ze laten zich niet afdwingen met mooie beloften en nationale prestigeprojecten. Digitale soevereiniteit bouw je niet door alles zelf te willen doen, maar door slim samen te werken, expertise op te bouwen en stapsgewijs te verbeteren.
Nederland kan digitaal sterker worden, maar alleen als we de verleiding weerstaan om met waterpistolen tankgevechten aan te gaan.
Digitalisering binnen de overheid gaat al jaren gestaag vooruit, maar de inzet van kunstmatige intelligentie (AI) legt een fundamentele spanning bloot. MIT-onderzoek laat zien dat AI alleen waarde oplevert als organisaties zichzelf opnieuw uitvinden. Zonder die transformatie is AI bouwen op drijfzand: een reeks pilots, mooie demo’s en losse tools die uiteindelijk in de praktijk vastlopen. Volgens het onderzoek State of AI in Business 2025 levert 95 procent van de GenAI-pilots geen blijvend resultaat op, terwijl miljarden worden geïnvesteerd. Slechts 5 procent slaagt erin om AI daadwerkelijk in hun werkprocessen te verankeren.
Botsende werelden: stabiliteit versus wendbaarheid
Waarom zijn de MIT-bevindingen juist voor de overheid relevant? Dat heeft te maken met de organisatie en manier van werken van de overheid. Overheidsorganisaties zijn traditioneel ingericht op stabiliteit, risicobeheersing en hiërarchische verantwoording. Dat botst met wat implementatie van AI vereist, namelijk: korte leercycli, ruimte om te experimenteren en samenwerking over organisatiegrenzen heen. AI-toepassingen werken pas goed als systemen kunnen leren, geheugen opbouwen en context meenemen. Waar de klassieke projectaanpak uitgaat van vooraf vastgestelde specificaties, vraagt AI juist om iteratie, bijsturen en experimenteren.
Wat de overheid kan leren van Spotify en ING
Dat het anders kan bewijzen koplopers buiten de overheid. Spotify veranderde zijn hele werkstructuur om technologiegedreven innovatie mogelijk te maken. Hun organisatiemodel met squads, tribes en chapters zorgt ervoor dat kleine multidisciplinaire teams end-to-end verantwoordelijkheid hebben. Het resultaat: wekelijkse updates, snelle experimenten met AI-functies en directe feedback van gebruikers. Niet de technologie, maar de organisatievorm maakt dit tempo mogelijk. ING kopieerde dit model en transformeerde van traditionele bank naar digitale dienstverlener. Dankzij agile principes en multidisciplinaire teams werd ING wendbaarder, klantgerichter en innovatiever. Als een bank met een diep verankerd risicomodel deze stap kan maken, kan de overheid dat ook.
AI als katalysator voor een nieuwe manier van werken
Voor de overheid betekent dit concreet dat AI niet langer moet worden gezien als een ICT-project, maar als katalysator voor een nieuwe manier van werken. Dat begint bij cross-functionele teams waarin beleidsmakers, uitvoerders, ICT-specialisten en juristen samenwerken. Het vraagt om experimenteerruimte met budget en mandaat, en om nieuwe rollen zoals productowners dienstverlening en ethische AI-experts. Ook de verantwoording moet veranderen: niet alleen sturen op efficiency, maar ook op leervermogen en gebruikerstevredenheid.
Lessen uit het MIT-onderzoek
Het MIT-onderzoek biedt waardevolle lessen voor de overheid. Een belangrijke waarschuwing is om niet te blijven hangen in mooie pilots met generieke chatbots. Die werken prima in een demo, maar lopen vast in complexe werkprocessen zoals bij vergunningverlening of in de sociale zekerheid, waar context cruciaal is. Succesvolle organisaties investeren juist in opbouw van geheugen en lerend vermogen. Ook blijkt dat externe partnerships tweemaal zo succesvol zijn dan alles zelf ontwikkelen. Voor de overheid betekent dit dat samenwerking met gespecialiseerde leveranciers, mét kennis van publieke processen, essentieel is.
Daarnaast moet de overheid oog hebben voor onvermijdelijke ‘shadow AI’: ambtenaren die al persoonlijke AI-tools gebruiken. In plaats van dit te verbieden, kan de overheid beter veilige alternatieven aanbieden die aansluiten bij AVG- en beveiligingsrichtlijnen. Op die manier benut je de energie van onderop, zonder de risico’s uit het oog te verliezen.
Naar een mensgerichte overheid
Voor burgers opent deze transformatie de deur naar een overheid die niet langer procesgericht, maar mensgericht werkt. Een overheid die dienstverlening personaliseert, proactief meedenkt bij levensgebeurtenissen en transparant is over hoe beslissingen tot stand komen. Vertrouwen ontstaat pas als mensen ervaren dat AI hen ondersteunt, niet vervreemdt.
AI kan de overheid helpen sneller, persoonlijker en betrouwbaarder te worden. Maar dat lukt alleen als de organisatie zelf mee verandert. Zonder die transformatie blijft AI een marginaal experiment. Met die transformatie kan AI uitgroeien tot motor van een moderne, lerende en wendbare overheid.
Op papier lijken SGP en DENK elkaars politieke tegenpolen. De SGP wortelt in Bijbelse waarden en hamert op moreel houvast. DENK strijdt tegen discriminatie en spreekt voor groepen die zich structureel uitgesloten voelen. Toch is hun digitaliseringsagenda minder verschillend dan je zou denken. Wie dieper kijkt, ontdekt dat hun zorgen opvallend parallel lopen.
Gedeelde zorgen over kwetsbaren en big tech
Beide partijen zien hoe digitalisering mensen kan achterlaten. SGP waarschuwt dat niet iedereen meekomt in een digitale samenleving en wil kwetsbare groepen beschermen tegen cybercriminaliteit. DENK legt de nadruk op kleine organisaties die moeite hebben hun digitale veiligheid op orde te krijgen en wil dat zij extra ondersteuning krijgen.
Ook in hun houding tegenover big tech raken ze elkaar. SGP wil de macht van grote platforms beperken om eerlijke concurrentie te behouden. DENK bekritiseert de ‘data-slurpende bedrijven’ die geld verdienen aan realtime advertentieveilingen met persoonlijke gegevens en wil dat verdienmodel verbieden.
Cyberveiligheid vormt een derde gemeenschappelijke noemer. Beide partijen nemen digitale dreigingen serieus en vinden dat Nederland moet investeren in weerbaarheid en het beschermen van vitale infrastructuur.
Fundamenteel andere brillen
Toch komt hier al snel de scheidslijn. Voor de SGP geldt dat waarden en normen ook online leidend moeten zijn. Daarom willen ze filters mogelijk maken die burgers beschermen tegen porno en geweld. Hun digitaliseringsagenda staat in het teken van moreel behoud.
DENK bekijkt digitalisering door de lens van gelijkheid en anti-discriminatie. Hun focus ligt bij algoritmes en data. Na de toeslagenaffaire willen ze afkomst-gerelateerde gegevens in overheidssystemen verbieden, een verplicht algoritmeregister instellen en streng toezicht houden op discriminerende systemen.
De blinde vlekken
Juist hier worden hun beperkingen zichtbaar. De SGP richt zich sterk op morele filtering, maar heeft nauwelijks oog voor het risico van algoritmische discriminatie, terwijl hun eigen achterban net zo goed slachtoffer kan worden van oneerlijke systemen.
DENK beperkt zich vooral tot de strijd tegen digitale discriminatie. Daarmee missen ze kansen om digitalisering breder in te zetten, bijvoorbeeld voor betere zorg, slimmer onderwijs of een sterkere economie.
Een ironische overeenkomst
Dat juist deze twee partijen elkaar vinden in hun kritiek op big tech is veelzeggend. Waar de SGP digitale verleidingen vreest, ziet DENK vooral structurele uitsluiting. Twee totaal verschillende drijfveren, maar éénzelfde conclusie: de macht van platforms moet worden beteugeld en kwetsbaren verdienen bescherming.
Politiek boven techniek
Wat dit voorbeeld laat zien: digitalisering is nooit alleen een technisch vraagstuk. Het is een spiegel van waarden, macht en maatschappelijke keuzes. De overeenkomsten tussen SGP en DENK zijn daarom geen toeval, maar illustreren hoe digitale vraagstukken politieke dwarsverbanden creëren. De vraag is niet óf we big tech reguleren, maar hoe en vanuit welk perspectief.
SGP en DENK tonen dat onverwachte bondgenootschappen mogelijk zijn, zelfs als de uitgangspunten mijlenver uit elkaar liggen.
GroenLinks-PvdA kiest in haar conceptverkiezingsprogramma nadrukkelijk voor een grotere overheid. Niet om uitgaven te verlagen of regels te schrappen – zoals CDA, D66 en VVD met een kleinere overheid beloven – maar om een doorgeschoten marktwerking te corrigeren. Dat moet een overheid worden met een menselijk gezicht, transparante algoritmes en één loket voor alle diensten. Het klinkt sympathiek en hoopgevend. Maar achter dit ideaalbeeld schuilt hetzelfde probleem als bij andere partijen: een maakbaarheidsillusie die botst met technische realiteit.
Papieren loketten in een digitale tijd
Het voorstel voor een volwaardig niet-digitaal alternatief bij iedere digitale overheidsdienst klinkt democratisch en inclusief. In de praktijk betekent het dubbele systeemontwikkeling, parallelle datastromen en hoge kosten. De efficiencywinst van twintig jaar digitalisering zou grotendeels teniet worden gedaan. Denk aan de complexiteit van het belastingsysteem, waar miljarden transacties jaarlijks via algoritmes verwerkt worden. Hoe vertaal je die naar papieren formulieren zonder fouten, vertragingen en enorme administratieve lasten?
Eén loket voor alles: een megalomaan project
Het idee van één loket voor alle overheidszaken heeft dezelfde valkuil. Dat vraagt om integratie van honderden systemen, harmonisatie van wetgeving en standaardisatie van processen over gemeenten, provincies, waterschappen en uitvoeringsorganisaties heen. De uitrol van DigiD kostte al jaren en miljarden, en dat was nog maar een fractie van de integratie die hier wordt beloofd. Het gevaar is dat burgers straks nog langer wachten omdat er weer een groots ICT-project strandt in onhaalbaarheid.
Transparante algoritmes: mooi maar beperkt haalbaar
De eis van volledige transparantie bij elke vorm van geautomatiseerde beoordeling klinkt logisch, maar miskent de stand van de techniek. Machine learning-modellen zijn per definitie complex. Transparantie gaat vaak ten koste van effectiviteit: een uitlegbaar algoritme is meestal een minder krachtig algoritme. En dat heeft directe gevolgen voor de kwaliteit van dienstverlening – bijvoorbeeld bij fraudedetectie of risicobeoordelingen.
Wat wél werkt: stap voor stap verbeteren
Net als bij de VVD, SP en NSC zit de valkuil niet in de intentie, maar in het overschatten van wat technisch en organisatorisch haalbaar is. Toch zijn er wél realistische stappen te zetten:
Gefaseerde digitalisering: bied alleen een niet-digitaal alternatief waar dit écht waarde toevoegt, bijvoorbeeld bij complexe uitkeringszaken met persoonlijke omstandigheden
Modulaire integratie: laat burgers via DigiD in één dashboard hun zaken zien, zonder volledige back-end integratie
Gerichte transparantie: begin met uitlegbare AI bij risicovolle toepassingen zoals fraudedetectie, leer daarvan en breid daarna uit
Digitale vaardigheden versterken: investeer in ambtenaren die begrijpen hoe technologie werkt, zodat keuzes beter en realistischer worden
Van belofte naar werkelijkheid
GroenLinks-PvdA presenteert een visie op een menselijke en toegankelijke overheid. Dat is een idealistisch streven. Maar net als bij andere partijen dreigt de kloof tussen politieke belofte en realiteit te groot te worden. De digitale overheid van de toekomst wordt niet gebouwd op ideaalbeelden of grootse projecten. Ze ontstaat door kleine en doordachte stappen die stuk voor stuk waarde toevoegen voor mensen.
This time, we are not traveling to Provence, but setting out to trace the roots of our family. We head south, taking a scenic country route with countless roundabouts toward the Dordogne, the region where the Boissevain family began. Along the way, we stop for lunch in a small village café in Verteillac. The three-course meal is excellent and reasonably priced, though we are surprised to see that twice the amount is charged to our card. When we arrive in Bergerac, we find a spot for the car in the hotel garage. At night, the windows and doors must stay closed: after ten o’clock the city is sprayed with insecticide to fight the tiger mosquito.
Bergerac
The old town of Bergerac is a beautiful jewel: restored, clean, and lively. We join a local wine tasting of Merlot and Cabernet Sauvignon. The first wine tastes a bit sour, the second is full of tannins. We stroll along the river, past the Tourist Office, the Protestant church, the Église Saint-Jacques, and the statue of Cyrano de Bergerac.
Although there is no official Huguenot walking route, many plaques and street names recall the time of Protestant persecution. We decide to return to the hotel early so we’ll still have things to discover the next day. On the way we reserve a table at a restaurant and later enjoy the local specialty: confit de canard.
The next morning we dive into the history of Bergerac. In 1681, sixty percent of the population here were Huguenots. This wealthy Protestant community could afford an impressive temple and three pastors. But in 1682, the French crown sent soldiers to force them to convert to Catholicism, a campaign known as the dragonnades. That same year, the great temple was destroyed, gatherings had to be held in secret, and with the Edict of Fontainebleau in 1685, Protestantism was completely banned. Pastors were expelled, children were forced to be baptized as Catholics, and hundreds of Huguenots fled to the Netherlands, England, Germany, and Switzerland. Among them was our ancestor Lucas Bouyssavy, who fled to Bordeaux at the age of 25 and arrived in Amsterdam around 1691. He died there in 1705.
We return to his homeland but find no direct traces of the family in Bergerac. The Bellegarde mill, once leased by Lucas’s cousin Isaac, has disappeared and is now a parking garage. Nearby, the Moulin de Piles still stands as an archaeological site, with foundations and canals that recall the many watermills powered by a branch of the Caudeau river since the Middle Ages. These mills once ground grain and later even generated electricity, but industrialization eventually made them obsolete.
After lunch at the charming Place de la Mirpe, we visit the Protestant temple, housed in a former monastery and opened in 1792. The Edict of Tolerance and the French Revolution finally made it possible to establish an official Protestant church again, over a century after the Edict of Nantes was revoked. We cross the Dordogne to the neighborhood near Place de la Madeleine, where ancestor Lucas and Lucas’ brother Jean once lived. We end the day with a visit to the Tobacco Museum, a reminder that Huguenots were pioneers in the local tobacco trade. Their flight spread this expertise across Europe.
Couze
We leave Bergerac and follow the river to Couze and Lalinde, which also hold pieces of our family’s story. Lucas once lived in Couze, where he owned a house and a vineyard. Today, there are no vineyards to be seen, only dry cornfields. Couze is a long village with a hill full of neglected houses. From the top we have a fine view of an old watermill, part of a series of paper mills that operated here since the late Middle Ages. In the 18th and 19th centuries, the Couze river powered thirteen paper mills, making the village an important center for handmade paper.
At the local bakery we enjoy coffee on the terrace, where every passerby greets us warmly. We then visit the restored Moulin à Papier de la Rouzique, in operation since 1530 and now a museum showing how paper was once made using water power.
Lalinde
Next we drive to Lalinde, on the opposite bank of the Dordogne. It is a pleasant village with a church, a market, and a large square. In the cemetery we search for possible family graves. Our ancestors once carried the name Bouyssavy, which was later changed in the Netherlands to Boissevain. We find no old gravestones but do see the name Bossavit. Its sound and local connection suggest a family link, though no proof exists. Bouyssavy is recorded as early as the 15th century, including in Périgueux in 1445. When Lucas left for the Netherlands in 1691, his name was phonetically written as Boissevain. The name Bossavit appeared only in the late 18th century, while Bouyssavy remained in use until the 20th century. Everything points to a shared origin.
Sarlat-la-Canéda
From Lalinde we continue to Sarlat, where a protest against government budget cuts forces us to park outside the center. We walk part of the way with the peaceful crowd before checking into our apartment in the historic heart of the town and lose our housekeys shortly afterwards. Thanks to a helpful gallery owner, we receive a spare.
Sarlat is one of the best-preserved medieval towns in France. It grew into a prosperous trading and administrative center in the Middle Ages, later declined, and was beautifully restored in the 20th century. Today it is a culinary paradise, with restaurants and shops selling foie gras, truffles, and walnuts.
Château de Beynac
The next day we visit the impressive Château de Beynac, perched on a limestone cliff nearly 150 meters above the river. Built and expanded from the 11th century onward, it played a key role in controlling the Dordogne Valley and recalls the times of Richard the Lionheart, the Hundred Years’ War, and the powerful Lords of Beynac. From the keep we enjoy a breathtaking view over the river, once the lifeline of the region.
The Cuisine of Périgord
That evening, on the gallery owner’s recommendation, we dine across from our apartment and taste all the local specialties: foie gras, duck, truffles, and walnut delicacy, fine dining at its best. The next morning, market stalls fill the medieval streets with the colours and aromas of local produce.
The Dordogne River
Finally, we leave the Dordogne and head toward the Auvergne, where the river rises in the Puy de Sancy. Our journey through Bergerac, Couze, and Beynac makes it clear how vital the Dordogne has always been to the landscape, economy, and history of the region. For centuries it served not only as a trade route for wood, wine, and grain, but also as a source of power for mills and a strategic waterway during wars and religious persecution. For the Huguenots, the Dordogne was also a path to freedom. It was along this river that our ancestor Lucas Bouyssavy ultimately made his way to a new life in the Netherlands, beginning the story of the Boissevain family.
Bergerac Quai SalvetteBergerac across the riverBergerac Protestant ChurchBergerac Moulin de PilesBergerac Place de la MirpeCouze Boulangerie Pattisserie UlrichCouze WatermillCouze Moulin de la RouziqueLalinde cemetery Sarlat-la-CanédaSarlat Saint-SacerdoscathedralralChâteau de BeynacSarlat Restaurant Aux trois sensesSarlat Place du Marché aux OiesPersonal Card Jean Bouyssavy
Na de VVD en SP schuift nu ook D66 een concreet thema naar voren: hoe breng je de menselijke maat terug in een overheid die draait op geautomatiseerde processen, strakke regels en complexe wetgeving? Nummer zes op de kandidatenlijst is een bestuurder van het UWV, die uit de praktijk weet hoe lastig dat is. Haar boodschap is simpel maar krachtig: minder beloven, meer doen.
En ze heeft een punt. Jarenlang is het overheidsbeleid gebouwd op gelijke behandeling en strikte rechtmatigheid. Dat begon na de Tweede Wereldoorlog bij de opbouw van de verzorgingsstaat en werd vanaf de jaren tachtig door automatisering nog verder aangescherpt. Efficiëntie en standaardisatie waren het doel. Maatwerk en menselijk oordeel verdwenen naar de achtergrond.
Van gelijkheid naar onbedoelde hardheid
Het idee achter gelijke behandeling is nobel: iedereen dezelfde regels, dezelfde rechten en plichten. Maar in de praktijk leidt dat meer dan eens tot onrecht. Burgers kunnen verstrikt raken in onbegrijpelijke wetgeving, slachtoffer worden van fouten in de uitvoering of vastlopen in verschillende overheidsinstanties die langs elkaar heen werken.
Automatisering versterkte dat effect: menselijke afwegingen maakten plaats voor gestandaardiseerde processen. Wie buiten de “happy flow” valt heeft pech.
Maatwerkplaats: uitzonderingen met verstand
Bij het UWV leidde dit besef tot de oprichting van de Maatwerkplaats: een plek waar medewerkers schrijnende gevallen kunnen aanmelden voor heroverweging. Daar kijken juristen, economen en maatschappelijk deskundigen samen naar de situatie en zoeken naar oplossingen die wél recht doen aan de bedoeling van de wet én aan de positie van de burger.
Neem het voorbeeld van Henk van Loon. Na het verlies van zijn baan belandde hij eerst in de WW en kort daarna in de Ziektewet. Tijdens zijn revalidatie kreeg hij een nieuwe baan aangeboden, waarbij zijn werkgever recht zou hebben op loonkostenvoordeel. Door een administratieve fout verviel dat recht. Formeel gezien was de wet duidelijk: geen recht op voordeel. Maar de Maatwerkplaats keek verder: Henk was 58, moeilijk opnieuw aan het werk te krijgen, en zou bij verlies van zijn nieuwe baan terugvallen in de WW. De uitkomst: het loonkostenvoordeel werd alsnog toegekend.
Sinds de oprichting twee jaar geleden zijn zo’n 400 complexe cases behandeld. Elk verhaal laat zien hoe strakke regels en standaardprocessen burgers in de knel kunnen brengen en hoe maatwerk verschil kan maken.
Maatwerk is geen excuus voor slecht beleid
De Maatwerkplaats laat zien dat er binnen de bestaande wet soms wél ruimte is om tot redelijke oplossingen te komen. Maar ze illustreert ook een harde waarheid: maatwerk kan nooit de structurele problemen oplossen die ontstaan door slechte of te complexe regelgeving.
Bij grote uitvoeringsorganisaties zoals de Belastingdienst, SVB en UWV draait alles om rechtmatigheid en efficiëntie. Zolang die logica leidend blijft, blijft de menselijke maat afhankelijk van uitzonderingen en is incidenteel maatwerk niet meer dan een druppel op een gloeiende plaat.
Durf te vereenvoudigen
Echte verbetering vraagt politieke moed om wetgeving simpeler te maken, ook als dat betekent dat sommige groepen er op achteruitgaan. Dat debat wordt al decennia vermeden, omdat het politieke risico te groot lijkt. Maar zolang die keuze niet wordt gemaakt, blijft de belofte van “de menselijke maat” vooral een mooie zin in een beleidsstuk.
De les van de Maatwerkplaats is duidelijk: geef professionals meer beslisruimte, vereenvoudig de regels en durf te accepteren dat maatwerk structureel onderdeel wordt van de uitvoering. Alleen dan verandert de menselijke maat van een verkiezingsleus in dagelijkse praktijk.