Lucas Boissevain: vluchteling uit Frankrijk

PerigeuxDe Boissevains waren hugenoten, de van oor­sprong Franse calvinisten die in de 17de eeuw hun land ontvluchtten toen de katholieke koningen het protestantisme poogden uitte roeien. De familie woonde oorspronkelijk in Zuidwest-Frankrijk. De oudst bekende Bouyssavy, zoals de naam toen nog werd gespeld, was anno 1445 notaris in Périgueux. Lucas Bouyssavy (1660-1705) geldt als de stamvader van de hedendaagse Boissevains. Alle dragers van deze naam – waar ook ter wereld – stammen van deze Lucas af.

Na de herroeping van het Edict van Nantes (1685) besluit Lucas in 1688 vanwege de geloofsvervolgingen door de katholieken van de hugenoten het land te verlaten. Hij verkoopt op 22 juli 1685 zijn helft van het voorvaderlijk erfgoed te Couze aan zijn broer Jean. Op 4 december 1687 maakt hij te Bergerac zijn testament op. Na drie jaar van gevaarlijke omzwervingen door het land slaagt hij er met behulp van protestantse vrienden in zich heimelijk in te schepen op een zeilschip vol fusten wijn naar Amsterdam. Voordat het schip vertrekt moet hij zich dagen en nachten tussen de tonnen zonder eten verborgen houden. Enkele weken later komt hij in beklagenswaardige toestand en zonder geld te Amsterdam aan. Daar vestigt hij zich omstreeks 1691 onder de naam Boissevain.

gouden%20eeuwLucas treedt in 1700 in het huwelijk met Marthe Roux (1664-1727), wier familie hij uit Bergerac kende. Over de vlucht van Marthe met haar twee kinderen uit Frankrijk gaat het verhaal dat zij zich om de grens over te komen onderin een hooikar heeft verstopt. Een soldaat prikt met een bajonet in het hooi om te controleren of daar iemand verborgen zit en raakt haar in haar bil. Maar zij weet zich te beheersen en brengt geen enkel geluid uit. Op die manier lukt het haar het land uit te komen. Helaas sterft een van haar kinderen in Antwerpen aan de gevolgen van de ontberingen van de lange reis.

Lucas Bouyssavy voorziet in zijn levensonderhoud door lessen tekenen en Frans te geven en door bij een paar handelaren de boeken bij te houden. Hij sterft op 25 april 1705 op 44-jarige leeftijd na 5 jaar huwelijk en laat Marthe met twee kinderen achter: Marthe Anne Boissevain (1705-1767) en Jérémie Boissevain (1702-1762). Jérémie vertrekt na de dood van zijn moeder naar Londen, waar hij 4 jaar werkzaam is op een handelskantoor en hij Marie Charlotte du Chesne (1705-1779) leert kennen, met wie hij in 1733 in het huwelijk treedt. Evenals zijn vader verdient Jérémie zijn brood als boekhouder en het geven van Franse les, maar dat is niet genoeg om in zijn onderhoud te voorzien.

Jérémie en Marie Charlotte krijgen op 21 mei 1741 een zoon, Gedeon Jeremie Boissevain (1741-1808). Deze Amsterdamse boekhouder trouwt in 1767 met Marguérite Quien (1746-1808). Zij krijgen elf kinderen, van wie Daniel Boissevain (1772-1834) en Henri Jean Boissevain (1777-1823) de familielijnen voortzetten. Een paar generaties na de vlucht van stamvader Lucas werden de Boissevains dankzij Daniël (1772-1834), die in Franse, Duitse en koloniale goederen handelde, een succesvolle familie. Zijn zoon Gideon Jeremie (1796-1875) en diens zoon Jan (1836-1905) verschoven de aandacht naar scheepvaart en assurantiën. Door hard werken steeg de familie, waarvan sommige leden reeds in hun tienerjaren met grote verantwoordelijkheden in het familiebedrijf begonnen te werken, op de maatschappelijke ladder. Bij de Boissevains valt de grote omvang van de familie op en de enorme verscheidenheid in activiteiten op economisch, sociaal, wetenschappelijk, bestuurlijk en kunstzinnig vlak, die de familie kleur geeft. In de loop van de generaties spreidt de familie zich verder uit over de rest van Nederland en Europa.

W: Wikipedia Familie Boissevain

S: Stamboom Familie Boissevain

A: Archief Familie Boissevain Gemeentearchief Amsterdam

Willem Frederik Lamoraal Boissevain: Nederlands koloniaal ambtenaar

Van links naar rechts: Wicher, Emile Henri, Willem, Frederik Lamoraal Sr, Willem, Frederik Lamoraal Jr, Henri Edmund en Emilie Louise Boissevain-Court

Op 5 april 1919 overleed op 66-jarige leeftijd de oud-resident W.F.L. Boissevain (1852-1919). Een krachtige persoonlijkheid, een sieraad van het corps Binnenlands Bestuur was hij gedurende zijn meer dan vijf en dertigjarige diensttijd, waarin hij achtereenvolgens alle rangen vanaf aspirant-controleur tot resident doorliep. Geboren te Arnhem, 28 november 1852, trad hij in 1874 in de Indische dienst en was controleur in de gewesten Japara en Cheribon.

Na zestien jaren dienst werd hij assistent-resident van Blora (1890), om vervolgens deze afdeling te verwisselen met de afdelingen Berbek (1892), Toeban (1897) en Toeloeng Agoeng (1899). Vooral in de afdelingen Blora en Toeban had hij gelegenheid zich als een flink politieman te doen kennen. Ruim acht en twintig jaren waren er na zijn indiensttreding verlopen toen Boissevain benoemd werd tot resident van Madioen. (Men ziet de promotie ging in die dagen niet schitterend!) Een niet gemakkelijk te besturen gewest, met zijn grote particuliere industrie. De suikercultuur, die zulk een grote invloed uitoefent op de economische ontwikkeling der inlandse bevolking, mocht Boissevain niet tot zijn vrienden tellen. Hij zag de voordelen, die deze cultuur onmiskenbaar heeft voor de materiële welstand der bevolking niet over het hoofd, doch hij wist bij ondervinding dat de nadelen zeer groot waren, dat de inlander nu eenmaal een slecht financier is en zijn grond verhuurt aan de suikerfabrikant voor een bagatel, om ten slotte van gezeten landbouwer tot dagloner af te dalen. En toen, zestien jaren terug, waren de grondhuurprijzen werkelijk ook buitengewoon laag; gaande weg is zulks beter geworden. Na vier jaren in het gewest Madioen met krachtige hand te hebben bestuurd, werd resident Boissevain in 1907 door de regering geroepen naar de zich meer en meer ontwikkelde residentie Preanger-Regentschappen. Er was daar een krachtig bestuurder nodig en de keuze viel op de man, die getoond had zonder aanzien des persoons te kunnen optreden en zeker wel aan de verouderde toestanden in dit gewest een eind zou weten te maken.

COLLECTIE_TROPENMUSEUM_Ambtswoning_van_de_familie_Boissevain_TMnr_60052530

Ambtswoning van de familie Boissevain

Vier jaren, van 1907 tot 1911 (slechts onderbroken door een half jaar verlof naar Europa, met behoud van betrekking, een unicum), bestuurde hij dit belangrijke gewest en men gevoelde al spoedig dat er een nieuwe frisse wind vanuit Bandoeng over de Preanger-afdelingen, met harde feudale regenten, die zich nog zo’n beetje inlandse vorsten voelden, ging waaien.

Tegenstand, lijdelijk verzet, bleven niet uit; maar toestanden, die reeds sinds lang niet meer op overig Java bestonden, moesten veranderen, verouderde inzichten moesten plaats maken voor nieuwe ideeën. Het was duidelijk, deze resident speelde er niet mee; wat hij meende dat gebeuren moest, geschiedde; hij was wel een autocraat, hij was de man van het ‘l’état c’est moi’, maar in die tijd was zulks nodig; het bestuur der Preanger was langzamerhand verslapt, de zaken waren slechts gaande gehouden; er was geadministreerd, niet bestuurd en onder de inlandse ambtenaren was een soort van familieregering ontstaan, die aller noodlottigste gevolgen had. Daaraan is door Boissevain een einde gemaakt en toen hij in 1911 aftrad kon hij het bestuur van het gewest in handen van zijn opvolger overgeven, in heel wat betere toestand, dan waarin hij het had ontvangen. Slechts acht jaren heeft hij van zijn welverdiende rust, na zo’n welbesteed leven, mogen genieten, maar de belangen van het corps B.B. bleef hij nog behartigen, daar hij geruime tijd zitting had in het bestuur der Vereniging van Ambtenaren bij het B.B. Met Boissevain is een der krachtigste figuren van het B.B. uit een thans afgesloten periode heengegaan. Man van daden, niet van woorden en ‘papieren brieven’, placht hij snel te handelen, zonder eerst angstvalig te vragen “is er wel een antecedent” of “wat zeggen de bepalingen?” Het spreekt van zelf dat zulk een man in de smaak moest vallen van de Gouveneur-Generaal van Heutsz, die zijn adviezen op de hoogste prijs stelde en daarvan meermalen ondubbelzinnig blijken van gaf. Een zetel in de Raad van Indië scheen voor hem niet bestemd, doch werd door een ander resident van Java, jonger in dienst dan hij, bezet. Dat dit hem griefde spreekt van zelf en was met nog andere teleurstellingen in de dienst, gedurende het jaar 1910, wel de oorzaak dat hij begin 1911 zijn pensioen vroeg op 58 jarige leeftijd, nog in de kracht des levens.

Naar populariteit streefde hij niet; hij was streng in de dienst, streng ook voor zijn ondergeschikten, vorderde veel van hen, maar steunde ook zijn ambtenaren, waar zulks nodig was, stond voor hen op de bres. Ofschoon autocraat, dreef hij geenszins zijn mening à tort et à travert door, als men op goede gronden kon aantonen dat die aanvechtbaar was. Dan gaf hij toe en apprecieerde dat men rond voor zijn gevoelen uitkwam. Als resident van Madioen ontving hij het ridderkruis van de Nederlands Leeuw, een welverdiende onderscheiding, maar groter onderscheiding is dat zijn naam zal voortleven bij het corps voor welks belangen hij steeds op zo energieke wijze opkam.

R.I.P. van Bijleveld, ’s-Gravenhage  (april 1919)

Telefonisch contact met Adolphe Boissevain

nl266129

De contracten en correspondentie tussen Athanase Adolphe Henri Boissevain (1843-1921) en de Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij (MBTM) geven een beeld van de aanleg van een unieke telefoonverbinding “buitennetaansluiting”, die de NBTM voor Adolphe aanlegde tussen zijn huis Prins Hendriksoord te Lage Vuursche en de gemeente Amsterdam. Maar het gaat ook om de perikelen van een welgestelde particulier in de periode, dat de Staat steeds meer de telefoondienst overneemt van particuliere telefoonmaatschappijen.

Uit de vinding van Alexander Bell, het telefoonhoorntje uit 1876, was door toevoeging van een microfoon, een bel, een dynamo en enkele andere zaken een toestel gegroeid, dat ten algemene nutte kon worden geëxploiteerd. De eerste telefooncentrale werd niet lang daarna te New Haven (Connecticut) in de Verenigde Staten in gebruik genomen. De Nederlandse Staat zag de voordelen van dit apparaat eigenlijk alleen in het doorspreken van de al langer bestaande telegrammen. In de exploitatie van zoiets als een telefoondienst zag de overheid daarbij geen taak voor zichzelf. Particuliere initiatieven daartoe – onder concessie – lieten niet lang op zich wachten en Amsterdam beet de spits af. Uit een aantal aanvragen om een concessie voor het inrichten van een telefoonnet koos de gemeenteraad de International Bell Telephone Company als de meest geschikte voor de exploitatie. Deze droeg de concessies over aan de NV Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij (NBTM), die intussen voor het aanleggen en beheren van telefoonnet­ten was opgericht. Op 1 juni 1881 werd als eerste in Nederland het Amsterdamse net in gebruik genomen, met 49 aangeslotenen. Later ontstonden ook in andere plaatsen particuliere maatschappijen.

Mensen uit de wereld van handel en industrie, die buiten het concessiegebied van de lokale telefoonex­ploitant woonden, wensten echter ook in de telefoongemeenschap te worden opgenomen. Dit kon slechts door het maken van dikwijls lange verbindingen over het grondgebied van een aantal gemeentes en particulieren. Daarvoor was toestemming nodig van de betrokkenen en de nationale overheid. Het waren zgn. buitennetaansluitingen, dus geen verbindingen tussen lokale netten met een interlokaal karakter (daarvan was pas vanaf 1887 sprake). Bij een buiten-netaansluiting is sprake van een abonnee, die buiten het gebied van zijn lokale telefoonnet woont. Tot de eerste van deze lange verbindingen met het Amsterdamse net behoort die van A.A.H. Boissevain te Prins Hendrik­soord.

In 1885 toont de 43-jarige Adolphe belangstelling voor een telefoonaansluiting in zijn huis. Zijn drukke werkzaamheden in binnen- en buitenland liggen hieraan ten grondslag. In december van het jaar krijgt de NBTM toestemming van de minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid om de lijn aan te leggen. De NBTM moet hiervoor jaarlijks ƒ 100,- aan de Staat betalen. In juni 1886 is het contract tussen de NBTM en Boissevain rond. Adolphe krijgt in zijn huis een Bell-telefoon en Blake-overbrenger met trekapparaat. De overbrenger is genoemd naar Francis Blake, die een verbeterde versie van de eerste echte “microfoon” ontwikkelde en die op grote schaal in de eerste Nederlandse netten wordt toegepast.

Adolphe huurt de instrumenten, mag ze alleen ten eigen nutte gebruiken en moet er als een goed huisvader voor zorgen. De NBTM zorgt voor de verbinding met Amsterdam, het goede functioneren ervan en het onderhoud aan de toestellen in Prins Hendriksoord. Mocht de verbinding onverhoopt langer dan een maand niet functioneren, dan kan Adolphe 1/12 van het door hem verschuldigde bedrag terug ontvangen. Ze sluiten een contract voor 10 jaar af voor een bedrag van ƒ 700,- per jaar. In 1896 loopt het contract dus af. Dit is hetzelfde jaar waarin ook de concessie (om het lokale net te exploiteren) van de gemeente Amsterdam aan de NBTM afloopt.

Palen en dradenbundels: twee draden per verbinding zijn nodig om een optimale kwaliteit te bereiken. Deze lopen langs straten, spoor- en waterwegen. De plaatselijke lijnen waaieren in grote getale uit van de zgn. kooipalen en de op de daken van de huizen geplaatste dakstellingen. In veel gevallen is de wirwar zo groot, dat het geheel op een dicht spinneweb leek. Daarvan is in 1886 in Lage Vuursche natuurlijk nog geen sprake, maar de verbinding met Adolphe raakt zijn buurman wel. En dat is niet de minste: jhr mr P.J. Bosch van Drakestein, commissaris van de koning in Noord-Brabant en eigenaar van het naastgelegen landgoed Drakestein. De NBTM sluit met hem een contract voor het plaatsen van telefoonpalen op zijn landgoed ten behoeve van de verbinding met Prins Hendriksoord. Om de 60 meter komt er een paal te staan, waarvoor Bosch van Drakestein de lokaties moet aanwijzen. Jaarlijks ontvangt hij hiervoor van Boissevain een vergoeding van ƒ 100,-. Mocht de jonkheer echter ooit zelf ook een telefoonaansluiting willen hebben, dan kan hij gratis “aanhaken”. De door hem te ontvangen vergoeding van ƒ 100,- voor Adolphe’s palen vervalt dan wel!

De telefoon wordt populairder en profijtelijker in Nederland. Steeds meer beginnen de lokale en nationale overheden interesse te tonen in het zelf exploiteren van de netten. Dit gebeurt ook met het lokale telefoonnet van Amsterdam, dat in 1896 door de gemeente wordt overgenomen. Een jaar later neemt het Rijk het interlokale net over, waardoor de Rijkstelefoondienst ontstaat. Het is het jaar, waarin de 54-jarige Adolphe toetreedt tot het bestuur van het Burgerziekenhuis. Zijn dochter Gerardine, gehuwd met de Amsterdamse assuradeur Gerrit van der Aa en wonend in “Zomerlust” te Hilversum, krijgt in 1898 een telefoonaansluiting voor niet-openbaar gebruik met Prins Hendrikoord. Een belangrijk feit in de nieuwe eeuw is het in werking treden van de Telegraaf en Telefoonwet 1904. Deze wet geeft het Rijk meer armslag in de exploitatie van de telefonie, die in 1910 voor het eerst zelfs een batig saldo oplevert.

In 1918 wordt Adolphe het slachtoffer van alle veranderingen. Vijf jaar eerder is Drakestein – via de palen van Adolphe – aangesloten op het telefoonnet en volgens afspraak zou die aansluiting gratis zijn. Daarmee is de jaarlijks door Adolphe te betalen vergoeding van ƒ 100,-, voor de op zijn buurmnans landgoed geplaatste telefoonpalen, vervallen. Maar eind 1916 wordt er een Koninklijk Besluit van kracht, dat geen gratis aansluitingen meer toelaat. Bosch van Drakestein moet betalen en doet dat ook. Maar als compensatie eist hij nu ƒ 132,- per jaar vergoeding van Boissevain voor de op zijn landgoed geplaatste palen! In een pittige brief aan de directeur-generaal der Posterijen en Telegrafie laat Adolphe weten, dat dit geheel in tegenspraak is met de destijds gemaakte afspraken en dat hij hieraan niet tegemoet wenst te komen. Het antwoord van de minister bevestigt het tijdsbeeld. De snelle ontwikkelingen in het telefoonbedrijf in de afgelopen decennia hebben de oude afspraken over de private buitennetaansluiting van het lokale telefoonbedrijf NBTM achterhaald. De verbinding tussen Prins Hendriksoord en Amsterdam vindt tegenwoordig plaats via het interlokale telefoonnet en daarvoor moet het interlokale tarief worden betaald. Adolphe Boissevain is zijn exclusieve recht op een eigen telefoonverbinding kwijt en moet meegaan met de regels die gelden voor de vele duizenden die inmiddels ook een telefoonaansluiting hebben.

Charles F.C.G. Boissevain

BRONNEN:

  • Nederlands Patriciaat, 1988 (= NP);
  • Honderd jaar telefoon, 1881 – 1981;
  • Contracten en correspondentie met A.A.H. Boissevain (1886 – 1921).

dr. Mia Boissevain: dierkundige en feministe

Maria (Mia) Boissevain (1878-1959)

Maria (Mia) Boissevain (1878-1959)

Maria (Mia) Boissevain (1878 – 1959) was betrokken bij de strijd om het vrouwenkiesrecht. Zij kreeg publieke bekendheid door haar optreden als voorzitster van het comité, dat de zeer succesvolle tentoonstelling ‘De Vrouw 1813-1913’ organiseerde. Mia heeft in 1915 in een manuscript onder de titel ‘Een Amsterdamsche familie’ haar familie en sociale omgeving en haar leven tot dan toe beschreven.

De jongste van de Jantjes

In Amsterdam worden de twee grote families Boissevain met nazaten van Gideon Jeremie door bekenden aangeduid als de Jantjes en de Charles-tjes, verwijzend naar de namen van de vaders. Jan Boissevain is getrouwd met een van de zusjes Brugmans: Petronella Gerharda Johanna (1838-1905) dochter van stadsadvocaat Mr. A. Brugmans. Bij de Jantjes wordt op 8 april 1878 het laatste en negende kind geboren: Maria Boissevain. Ze wordt van jongsaf aan Mia genoemd. Mia’s nanny Annie is de zuster van eveneens Engels sprekende Polly, die ten huize van haar oom Charles Boissevain en tante Emily Héloïse MacDonnell de scepter zwaait over de kinderkamer. Er is verder een huisknecht Jannes, een keukenmeid en een huishoudster Sophie. Het gezin woont pas sinds het jaar voor Mia’s geboorte op de Kloveniersburgwal 74, een dubbel herenhuis. Aan de ene kant van de stoep zijn de drie ramen van de zonnige voorkamer, aan de andere kant nog twee ramen. Een brede gang komt uit op een binnenplaatsje en een kleine tuin, met de keuken links naast het eind van de gang en rechts de eetkamer. De binnenplaats grenst aan twee kanten aan het Universiteitsgebouw aan de Oudemanhuispoort. Vader Jan is reder en actief in allerlei besturen. Er zijn vaak gasten, zoals kapiteins, die hun schip behouden thuisgebracht hadden en gasten uit de Kaapkolonie, Engelsen, Schotten, Ieren en Canadezen.

jan boissevain

Het gezin wordt door anderen beschreven als een groot en woelig gezin. Als Mia geboren wordt, variëren de leeftijden van de overige kinderen van 15 tot 2 jaar. Bij de voordeur hing een groot bord met de namen van de kinderen en daarachter bordjes: uit of thuis. Toen Romé, die de tweede vrouw van Wally zou worden, in 1913 voor het eerst over de Jantjes hoorde, was het de opmerking: ‘O! de Boissevains, een énige familie. Aan de ene kant van de tafel gooien ze met roomsoezen, aan de andere kant praten ze over Plato. ’ De spelletjes van de familie hebben ook niveau. Romé geeft een voorbeeld van een spelletje Raad eens wat ik in gedachten heb? Is het een delfstof of iets levends, etc.? Daarbij was de oplossing een keer: de dolk die Othello zou hebben gebruikt om Desdemona te doden, als hij het niet met een kussen gedaan had.

Thuis op de Kloveniersburgwal

De roomsoezen suggereren meer luxe dan er was. De familie leeft relatief op ruime voet en later ook wel meer in weelde, maar in het huishouden werd de uiterste zuinigheid betracht. Het huis was zeer eenvoudig ingericht, zonder dure meubels of schilderijen. Moeder heeft natuurlijk wel een prachtige japon om uit te gaan, maar jassen van de kinderen worden verlengd en gekeerd, sokken gestopt. Kleren van oudere kinderen worden afgedragen door de jongere. Bij de maaltijd mocht je niet meer dan drie boterhammen eten, waarvan alleen de eerste twee met beleg. Als er geld over is, geeft men het liever aan mensen die het meer nodig hebben. Mevrouw Boissevain-Brugmans ontvangt op maandagochtend een hele stoet armlastige vrouwtjes en andere personen zonder inkomen en deelde turfkaarten, voedsel en eventueel naaiwerk uit. Mia’s broer Wally (1876), het achtste kind van de Jantjes, vertelde later aan zijn kinderen hoe zijn vader met de kleine Mia aan het ontbijt aardbeien at: ‘Een kleintje voor Pepa, een kokkert voor Mia.’ Nichtje Hester, het vijfde kind van oom Charles, herinnerde zich dat ze met Mia uit het raam van het huis van de Jantjes naar het boeiende uitzicht stond te kijken, toen ‘o wonder, tante Nella uit huis naar de boot stapte, pal voor het huis, en Jannes den Beste volgde met vele dekens en voedsel. Tante Nella verdween in ’t vooronder. Wat een voedsel voor de verbeelding van een 4- en 8-jarige!’ In het betreffende legschip, dat gebruikt werd voor laden en lossen, woonde een schipper met een groot aantal kinderen, waar de moeder van Mia zich regelmatig om bekommerde.

Spelen na schooltijd

Hester zat in Amsterdam op een school naast die van Matthijs, het vijfde kind van de Jantjes en ging een tijdlang lunchen bij de familie op de Kloveniersburgwal. Dan liep ze met Thijs ‘door de Oudemanhuispoort, waar zo’n mysterieus winkeltje was, waar ‘n helder belletje rinkelde als Thijs de deur opendeed en dan kocht hij dan een groot groenig stuk sucade, waarvan hij gretig at en soms, genereus, een homp bewaarde voor de kleintjes: Wally en Mia!’ Ze herinnerde zich Mia uit die tijd als een klein donker meisje. Ook nichtje Hilda, het zevende kind van oom Charles kwam vaak over de vloer. Zij herinnerde zich vooral de verkleedkist met daarin verrukkelijke kleren, waarschijnlijk oude hofjaponnen van de moeder en grootmoeder van Mia. Ze verkleedden zich vaak en speelden charades. Wally vertelde Romé later: ‘Als ik uit school kwam, holde ik naar binnen, dan van het plat van de keuken naar het dak van één van de Universiteitsgebouwen. Mia en haar vriendin Sisi zaten daar al.’ De kinderen keken soms door de ramen de kamers van de universiteit binnen, terwijl de professoren college stonden te geven. Maar ze keken ook vaak naar wat zich afspeelde in de huizen van de Slijkstraat, waaronder ‘kloppartijen gepaard met scheldwoorden uit de bezieling van het ogenblik geboren. ’ Daar deden ze wijselijk geen verslag van in huis.

Familie van Jan Boissevain met Mia, Walrave, Nella, An, Thijs, Heleen, Charles Daniël Walrave , Li, Aat van Hall, Wil de Vos, Sissy Blijdenstein en Gi den Tex

Teylingerbosch

In 1883, als Mia nog maar vijf jaar is, ontdekt vader Jan dat ‘Teylingerbosch’ leeg staat. Het is een huis aan het eind van een brede beukenlaan, behorend bij het landgoed De Vogelenzang, nabij Haarlem. De Jantjes brachten gedurende tien jaar elk jaar van begin mei tot eind september de zomer op Teylingerbosch door. Het is een eldorado voor de kinderen; ze kunnen veel buiten spelen en Mia geniet er intens van. Voor het huis staan twee enorme lindes, die heerlijk ruiken en zomers gonzen van de bijen. De stam van de bomen is begroeid met witte klimrozen die de hele zomer bloeien. Er is een bloementuin. De sloten om het terrein zitten vol leven. In de weilanden en in het bos zitten talloze soorten vogels. In het bos zijn paddestoelen en mossen en in de duinen leert Mia allerlei soorten planten kennen, typerend voor droge duinpannen of vochtige duinvalleien. Het is nog geen waterwingebied. An en Mia gaan soms met manden en proviand naar het ‘Paradijs’, een plek ver weg in de duinen waar nog een oude wel is. Ze kamperen dan onder een grote vlier. Ze plukken bosaardbeitjes en komen thuis met een rijke oogst aan bramen en duindoorn, duindistels en doosjes met harige rupsen.

Nichtjes en neefjes

Nichtje Hester herinnerde zich decennia later nog de vele wilde avonturen op Teylingerbosch. Ze vond An, het zesde kind van de Jantjes, en Maria ‘heldinnen in het hanteren van al die glibberige diertjes uit de sloot, en in ’t springen over sloten! Meestal viel er een in – altijd de schuld van de polsstok!’ Als Hester dan in Zandvoort bij de Charles-tjes thuiskwam kreeg ze een standje van Polly: ‘Well, I declare, you always come back with dirty, torn or wet clothes!’ Ook nichtje Hilda bewaarde hier goede herinneringen aan: duinwandelingen, door een gat in de heg, snoepen in de moestuin en dat slootje springen. Ze was een keer over het weiland te ver doorgelopen. De sloot was daar erg breed en er stormden koeien op haar af. Olga, de zus van Hilda en Mia riepen aan de overkant: ‘Spring erin, spring erin’, wat Hilda ook dadelijk deed. Het snoepen illustreerde Mia later zelf ook nog eens aan schoonzus Romé bij een bezoek aan Teylingerbosch. Ze klom plotseling op een steen en reikte over een oude muur: ‘Zie je, zo plukte ik de rijpe morellen uit de moestuin.’ De familie Den Tex, met tante Hester, de tweelingzuster van oom Charles, kwam in de Pinkstervakantie logeren. Neefje Godfried herinnerde zich dat Mia zo aardig was om samen met hem – als destijds vrij doof en daardoor vrij saai neefje als hekkensluiters mee te wandelen achter een groot groep vrolijk pratende familieleden.

Lagere school

Op een dag in september is het uit met de pret en gaat Mia voor het eerst naar een lagere school aan het Frederiksplein. Ze vindt naar school gaan niet zo leuk en ze heeft moeite met de manier waarop standsverschillen een rol spelen. Het jaar daarop gaat ze naar een particuliere jongens- en meisjesschool, die ze bepaald leuker vindt. Ze wordt een bengel en is haantje de voorste bij spelletjes. Qua leerprestaties behoorde ze waarschijnlijk tot de goede maar niet uitstekende leerlingen. De laatste jaren van de school had ze middelmatige onderwijzers en het laatste jaar vond ze ronduit onaangenaam, ook vanwege de spanningen tussen de beginnende pubers.

Middelbare school

Vervolgens gaat Mia vijf jaar naar de Middelbare School voor meisjes. De school was gevestigd in een van de mooie huizen aan de Heerengracht nabij de Vijzelstraat en had de bijnaam ‘gouden meisjesschool’. Deze was opgericht door een groep vermogende Amsterdammers, die extra goed onderwijs voor hun dochters wensten. Naast de school hadden de meeste meisjes nog piano-, zang- of andere extra lessen, gymnastiek- en godsdienstles. Mia had ook pianoles en ging naar catechisatie ten huize van de dominee. Daarbij zaten nog zo’n dertig andere jonge meisjes, waaronder meisjes die al een betrekking hadden als dienstbode. Over die schooljaren had Mia gemengde gevoelens: te weinig vrijheid, huiswerk, extra lessen, piano studeren en ander verplichtingen maakten vooral dat ze erg verlangde naar de tijd dat ze de schooldeur voor goed achter zich dicht kon doen. Ze verbeeldde zich dat er daarna een gouden tijd zou aanbreken.

Van school af

Het eerste jaar (1894-95) dat Mia, 16-17 jaar oud, van school af is, loopt ze zich vreselijk te vervelen. Van haar zeven broers en zusters zijn twee zussen verloofd, haar oudste broer Charles Daniël Walrave is al een tijd het huis uit en woont in Montreal, haar broer Matthijs heeft een baan als advocaat in Amsterdam en haar jongste broer Walrave is voor drie jaar naar Indië vertrokken. Twee van haar vriendinnen zijn naar Frankrijk om de taal te leren spreken. Mia volgt Franse conversatieles, omdat ze dat ondanks zeven jaar onderwijs niet behoorlijk kan spreken. Ze doet wat huishoudelijk werk en krijgt wat paardrijlessen. Ze leest van alles en nog wat, waaronder van begin tot eind alle ingebonden jaargangen van ‘De Gids’, die in haar vaders boekenkast stonden. Mia’s oudste zuster Elisabeth houdt zich bezig met maatschappelijk werk en armenzorg en is onderdirectrice van de Stichting ‘Ons Huis’. Ze zou later directrice van het Opleidingsinstituut voor Sociale Arbeid worden. Mia gaat vaak met haar zuster mee en helpt een handje, maar dat soort werk gaat haar niet erg goed af en het inspireert haar niet. Ze wordt er bijna depressief van getuige haar latere opmerkingen dat ze in die tijd ’s morgens ‘de wereld loodzwaar op mij voelde drukken – alles leek mij een druppel in de oceaan, ik zag geen hefboom om mij op te werken of tot een besluit te komen.’

Botaniecollege

De lethargie is afgelopen als ze een keer met haar ruim zes jaar oudere zuster Anna Maria meegaat naar een botaniecollege van Hugo de Vries. An had elders in den lande een tijd een huisarts vergezeld op zijn huisbezoeken en min of meer als doktersassistente gefunctioneerd. Daarna wilde medicijnen studeren. Ze had in een jaar haar HBS-diploma gehaald en studeert nu medicijnen aan de Universiteit van Amsterdam. Ze heeft ook grote belangstelling voor de natuurwetenschappen en volgt daarom ook de colleges van de Vries. An zou overigens niet afstuderen vanwege haar huwelijk. Professor Hugo de Vries deed in die tijd baanbrekend werk op het gebied van de erfelijkheidstheorie en het belang van mutaties. Tijdens het college stond hij achter een lange tafel vol planten en gedroogde voorwerpen uit de natuur, die door zijn eigen kweekproeven of spontaan een interessante afwijking hadden gekregen. Na het college volgde een practicum waarbij de studenten met de microscoop de anatomie van planten bekeken.

Studeren

Mia wist nu wat ze wilde. Een paar maanden later gingen haar ouders akkoord met een studie in de natuurwetenschappen. Evenals de studie van haar zuster An was dat voor die tijd ongebruikelijk, maar niet baanbrekend. Het echtpaar Jan Boissevain was bevriend met het echtpaar Mr. J.C en Marie de Vries. Deze Marie was een nicht van Hugo de Vries en had met de vrouw van Max Weber behoord tot de eerste generatie vrouwelijke biologiestudenten. An was ook zeer goed met Marie de Vries bevriend en deelde haar belangstelling voor botanie. Volgens Mia heeft er zelden een meer belezen vrouw bestaan, die het gelezene ook zo tot een deel van haar wezen gemaakt had. Ze citeerde tijdens wandelingen probleemloos uit Goethe, Homerus, Plato of Boeddhistische beschouwingen. Mia volgt in de zomer voorbereidende lessen in wis- en scheikunde en gaat 18 jaar oud naar de Universiteit van Amsterdam. De natuurwetenschappen maken in deze periode bij de Universiteit van Amsterdam een bloeitijd door. Mia vindt de nieuwe ontdekkingen in de fysica, chemie, geologie, kristallografie en genetica uiterst boeiend. Ze besteedt in haar manuscript over de Amsterdamse familie zes dichtgetypte pagina’s aan de vele interessante aspecten van de studie. Ze studeert plant- en dierkunde en specialiseert zich in zoölogie.

Zoölogie

In Amsterdam is Max Weber hoogleraar zoölogie. Op zijn practica leert hij de studenten geduldig preparaten te maken, goed te observeren en zorgvuldige tekeningen te maken. Weber was anatoom en ook een bedreven preparateur. Hij verrichtte regelmatig sectie op gestorven dieren van Artis. Volgens Mia was het een buitenkans om de secties op grote dieren te kunnen bijwonen. Als Weber omgeven door zijn studenten bezig was leek het ‘als in Rembrandts Anatomische Les.’ Mia vond de secties meesterstukken van techniek, gezien het schijnbare gemak en de zekerheid waarmee Weber ze uitvoerde. Tijdens het werk gaf Weber ook doorlopend college over vergelijkende anatomie van de organen waardoor je op een middag meer leerde dan door urenlange studie. Mevrouw Weber was ook biologe en gespecialiseerd in algen. Zij heeft honderden algen voor het eerst beschreven en benoemd, stelde een uniek herbarium samen en schreef ook diverse andere standaardwerken. Het biologenechtpaar Weber had een huis in Amsterdam en een buitenhuis in Eerbeek met een grote tuin, twee laboratoria, werkkamers en heel veel boeken. Van hier uit organiseerden zij voor groepjes studenten excursies, waarbij er van alles verzameld werd. Hierbij werden onder andere de nog onbekende vroedmeesterpad en een heidekikker ontdekt. Volgens de overlevering viste Mia als assistente van professor Weber donderpadden van de knoflookpad uit de vijver van Eerbeek, die er daarvoor en daarna nooit meer gevonden zijn. Tijdens haar studie komt de Siboga-expeditie terug, die in 1899-1900 in Nederlands-Indië onderzoek heeft gedaan. Mia krijgt een belangrijke taak in het uitpakken en sorteren van de rijke vangst en bekijkt met name de schelpen. Hieruit ontstaat waarschijnlijk het idee voor haar promotieonderzoek.

Promotieonderzoek

Na vijf jaar biologiestudie is Mia klaar en vertrekt naar Zürich, waar ze een jaar onderzoek doet aan de Dentalium entalis L., een zeeworm met een gladde schelp, genaamd olifantstandje. De schelp lijkt inderdaad op een miniatuur olifantstand, een paar centimeter lang en aan beide zijden open. Het weekdier kan zich met een gespierde voet over de zeebodem verplaatsen, enigszins zoals een slak. Mia krijgt uit Napels reeds gefixeerde exemplaren, die ze op verschillende manieren kleurt, in plakjes snijdt en onder een microscoop bestudeert. Ze beschrijft in detail de voet en de mantel, speciale wimpercellen, verschillende soorten klieren, de bloedcirculatie, het zenuwstelsel en de hersenen, nieren en darmen. Van alle onderdelen van het dier maakt ze zeer zorgvuldige tekeningen. Mia vergelijkt haar bevindingen met die van twee andere biologen, corrigeert de oude resultaten en vult ze aan met nieuwe gegevens. De resultaten worden in 1903 gepubliceerd en dat is voldoende voor het verkrijgen van de doktergraad. Het was in die tijd gebruikelijk dat men na een jaar onderzoek promoveerde. Mia is dan 25 jaar. Drie jaar later publiceert ze een artikel over diverse schelpen gevonden bij de Siboga expeditie. Eén soort schelp is een variant van het olifantstandje en wordt naar haar genoemd: Dentalium entalis var. indicum Boissevain.

Werken als bioloog

In 1893, toen Mia vijftien was, had haar vader een buitenhuis in De Bilt gekocht: ‘Jagtlust’, op een kwartiertje lopen van het station. Sindsdien woonden de Jantjes daar elk jaar vier maanden in de zomer. Na een heel vroeg ontbijt vertrokken diverse gezinsleden naar het station en namen daar om zeven uur de eerste trein naar Amsterdam. Na de dood van hun ouders in 1904 resp. 1905 wordt Jagtlust verkocht en betrekken Mia en haar broer Matthijs ‘Boschzigt’, de enigszins verbouwde tuinmanswoning van Jagtlust. Ook Mia’s zuster Heleen woont hier een tijd. Ze pendelen dus op en neer naar Amsterdam, waar Thijs advocaat is en Mia als conservatrice in het museum van Artis werkt. Het valt haar zwaar haar werk, de huishouding, het ontvangen van gasten, het onderhouden van de bloementuin met bijenkasten met elkaar te combineren. Mia en Thijs wonen ook nog een jaar in München, waar Mia zoölogisch onderzoek doet. Ze publiceert in 1908 een wetenschappelijk artikel over het kweken van microscopisch kleine eencellige zeebeestjes, met een doorsnee van ongeveer 0,15 millimeter. Deze Actinosphaerium Eichhornii ziet er onder de microscoop uit als een kleine zonnetje, rond, met veel sprieten. Het Duitse artikel wordt in 1925 nog eens in het Nederlands gepubliceerd. Terug in Bilthoven besteedt ze verder veel tijd aan haar tuin en aan ‘de vrouwenzaak’, waarover later meer.

Pissebedden

Op enig tijdstip is Mia zich gaan interesseren voor de pissebedden in de tuin van Boschzigt. Ze vertelde aan geïnteresseerde neefjes en nichtjes dat die beestjes eigenaardige zwammen in hun darmen herbergen. Haar pleegkind Mia, de dochter van Mia’s zuster Nel, herinnerde zich dat tante Mia een keer bij een bezoek blij was te horen dat deze beestjes ook ergens in of bij het huis te vinden waren. Ze stopte tot verbazing van de familie onmiddellijk een aantal exemplaren om mee te nemen in een luciferdoosje, waar ze meteen de vindplaats op schreef. Haar schoonzus Romé Boissevain-Kalff, die haar broer Walrave in 1913 leerde kennen, herinnerde zich nog ‘de gloednieuwe vondst van een bacterie in de ingewanden van een pissebed, ter ere van Dr.Kerbert, de toenmalige directeur van Artis, Kerbertia genoemd.’ Bezoekers van Boschzigt stonden gefascineerd te kijken hoe Mia met een apparaat een deel van zo’n diertje in ragfijne schijfjes sneed. De pissebed, die de dag tevoren nog plezierig leefde onder een vochtige steen, gaf nu het romantische leven van een bacterie in zijn darmkanaal prijs, uitgespreid in een keurig lint van duizend doorzichtige mootjes, die door de microtoom op microscoopglaasjes werden gelegd.

Leven als bioloog

Mia was al heel vroeg geïnteresseerd in alles wat leeft en groeit en ze wordt ook het soort bioloog dat zich voor de biologie in veel dagelijkse situaties interesseert en dat met groot enthousiasme op anderen weet over te brengen. Haar zuster Nella herinnerde zich dat Mia, toen ze bij haar broer Wally in huis woonde (1910-1913), op verzoek eens een cursus cellen en celdeling gaf. ‘Het leek alsof het heel makkelijk te begrijpen was omdat het zo helder en weloverwogen werd voorgedragen.’ Diverse neefjes en nichtjes, die ‘Boschzigt’ bezoeken, herinneren zich decennia later nog dat ze op salamanders visten, orchideeën en Zonnedauw vonden. Mia vertelde over de Vlaamsche Gaai en de Mierenleeuw, dissecteerde mollen en zette insecten op sterk water om deze te determineren.

Ook later in haar leven was ze nog niets van haar enthousiasme kwijt volgens haar kleinkind Suzie, de dochter van haar geadopteerde dochter Daisy. Mia zorgde in Londen regelmatig voor de kleinkinderen Michael en Suzie, tot ze elf en twaalf jaar waren (1941-1954). ‘The zoology and biology never left her and we grew up with lots of experiments, from collecting caterpillars and keeping them until they turned into moths, to turning red cabbage water from green to blue to yellow by adding bits of sugar, or vinegar, or whatever. (…) She taught us about flowers and how to press them and I could read and write a bit by the time I went to school at 4.’ Er zaten nogal wat muizen in het huis na de oorlog en toen Mia een keer een dode zwangere muis in een val had gevonden, ontleedde ze die zorgvuldig omdat Suzie wilde weten waar de baby’s waren. Toen Suzie voor het eerst biologie kreeg op school, ging de eerste les over amoeben. Dus klom Mia,75 jaar oud, naar de goot die boven de derde verdieping langs het dak liep.‘She collected a large handful of mud which she put under a microscope and I saw an amoeba and lots of other things besides! She always took me on Sundays to the museums, (particularly the Science museum) and the art galleries, and then I would be encouraged to make a little project of my own.She would give me a lovely, clean, empty exercise book and pens and crayons. I would pick my project, (maybe fossils, trees, woods,or horses),research it and then fill my lovely book with my writing and drawings on this subject.’ Na 1915 kwam er van de beroepsmatige beoefening van de biologie niet veel meer. Het laatste wat Mia schreef was Een voorstel tot Algemene Stamboomregeling van de Mens, in het feestnummer ter ere van haar zeventigjarige leermeester Max Weber (1923).

De opkomst van de vrouwenbeweging

‘Ik beschouw het vrouwenkiesrecht als het allerbelangrijkst, wat de naaste toekomst ons brengen kan, belangrijker dan welk onderwerp de partijen ook voor’t ogenblik verdeelt. Buiten alle partijstrijd om beschouw ik het vrouwenkiesrecht als het eenige middel om paal en perk te stellen aan de wantoestanden, die op haar gebied heerschen.’

(Dr. Mia Boissevain, presidente van de tentoonstelling ‘De Vrouw 1813- 1913’ in de folder van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht)

De eerste Nederlandse geschriften over de wenselijkheid van verbetering van de rechten van vrouwen dateren van 1870. In de tijd daarna ontstaan eerst een paar vrouwenbladen. Vervolgens komt er ook wat beweging in de politiek: vanaf 1885 ontstaan er vrouwenverenigingen in de Sociaal Democratische Partij. Deze zijn echter vooral bedoeld om propaganda voor meer mannenkiesrecht te maken en aandacht voor de eigen partij te bevorderen. In 1889 richtten Wilhelmina Drucker en anderen de Vrije Vrouwenvereeniging (VVV) op, de eerste organisatie die primair de belangen van vrouwen als doelstelling heeft. Een paar jaar later blijkt ten tijde van een wetsvoorstel tot herziening van het kiesrecht, dat de bestaande politieke partijen geen enkele belangstelling voor vrouwenkiesrecht hebben. Daarom stampt de VVV in 1894 een Vereniging voor Vrouwenkiesrecht (VvVK) uit de grond. Mia is op dat moment bijna 16 en bereidt zich voor op het eindexamen van haar middelbare school.

Studieperiode: 1896-1901

Mia gaat op haar 18 de studeren. Vrouwen konden toen formeel al 25 jaar studeren: Aletta Jacobs was in 1871 de eerste vrouwelijke student. Mia werd door haar ouders gesteund. Haar oudere zuster An studeerde ook al medicijnen. Mia was bevriend met Marie de Vries, een briljante vrouw die al een generatie eerder biologie had gestudeerd. (Zie Bulletin 2006, pagina 12)

In haar manuscript ‘Een Amsterdamsche familie’ schrijft Mia: ‘Het leek mij de gewoonste zaak van de wereld aan de universiteit te studeren. Overal, zoowel van de studenten als van de professoren, ondervond ik de grootste tegemoetkoming. Toch was ik mij wel bewust van het betrekkelijke nieuwe van die onderneming en had sterk het besef dat ik me als meisje heel ingetogen gedragen moest.

Dat besef werd bevorderd doordat meisjes tijdens college geacht werden op de voorste bank te zitten Deze gewoonte bestond overigens ook op andere universiteiten. Toen Mia de eerste keer met An meeging naar een college, kwamen ze op het laatste moment binnen. De eerste bank was al geheel bezet, maar twee studenten maakten daar plaats voor de meisjes, onder luid applaus van de overige ongeveer honderd studenten. Ook op andere manieren werd Mia’s uitzonderingspositie benadrukt. Halverwege haar studietijd werd er een wetenschappelijk artikel gepubliceerd over de afmetingen van hersenen bij allerlei zoogdieren, volgens welke vrouwen een kleiner hersengewicht hadden dan mannen. Dat gaf op het zoölogisch laboratorium, waar Mia het enige meisje was, aanleiding tot quasi-leuke beweringen. Meisjes zouden wel braaf kunnen studeren, maar kunnen geen wetenschappelijk initiatief vertonen of serieuze wetenschappelijke prestaties leveren. Bovendien zouden ze daarbij banen van mannen in beslag nemen. Dergelijke opmerkingen maakten dat Mia meer bewust over haar eigen positie begon na te denken. Ook al lette ze niet zo erg op de vrouwenbeweging, Mia kreeg er in die tijd toch wel wat van mee. In 1898 bezocht Mia, 20 jaar oud, met haar moeder de Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in Den Haag. Een standbeeld van een vrouw met een zware kruiwagen met stenen blijft haar erg bij. (Ze) ‘zag toen in dat de vrouwenbeweging niet maar een beweging voor eenige intellectuele en ontwikkelde menschen alleen was,’ zo schrijft ze in 1915 in haar memoires. Mia vertelt daarin verder niets over haar uitzonderingspositie als vrouw tijdens haar studie, maar ze heeft er sommige familieleden blijkbaar wel over verteld. Volgens Jan den Tex, een neef waar Mia veel contact mee had en de zoon van Mia’s oudere zuster An en Gideon den Tex, waren de jongens niet altijd even aardig. Ze tapten vaak schuine moppen in het bijzijn van de meisjes. Volgens haar peetdochter Mia, de dochter van Mia’s zuster Nella en Aat van Hall, liet een van de hoogleraren tijdens een college openlijk zijn afkeuring blijken een vrouw onder zijn gehoor te zien. Daarom ging ze in Zürich studeren. Volgens de herinneringen van Jan den Tex was de botanicus professor Hugo de Vries een tegenstander van meisjesstudenten en liet dat ook blijken. Volgens Jan werd professor de Vries ‘verliefd op haar en dwong haar bijzonder lief te zijn om haar examens te halen. Zo werd studeren in Amsterdam onmogelijk voor haar. Ze is naar Zürich gegaan om daar verder te studeren.’ Het gesuggereerde verband tussen de situatie in Amsterdam en haar promotie in Zürich is voor nuancering vatbaar. De memoires van Mia wijzen niet op een sterk anti-vrouwenklimaat tijdens haar opleiding. De Vries kan Mia hebben lastig gevallen, dat kan heel vervelend zijn geweest en zeker een stimulans om in een andere stad te promoveren. De Vries zou echter inhoudelijk niets met haar promotiewerk te maken hebben gehad: hij was planten- en mutatiedeskundige. Mia was dierkundige, gespecialiseerd in zeebeesten en vooral schelpdieren, Ze studeerde af aan het zoölogisch laboratorium van professor Max Weber. Haar onderzoek in Zürich betrof een onderwerp dat direct aansloot bij werk dat ze eerder in Amsterdam had gedaan.

Zurich: 1902-1903

Volgens de website van de universiteit van Zürich schreef Mia zich daar in oktober 1902 in en beëindigde de inschrijving in juli 1903. Het academische klimaat in Zürich zal een stuk vrouwvriendelijker zijn geweest dan dat in Nederland. Het aantal vrouwelijke studenten in Zwitserland was gemiddeld 10%. Negentig procent van deze studentes kwam uit het buitenland, waaronder overigens ook vrouwen die uit Rusland waren gevlucht en zich inschreven als student ter legitimatie van hun verblijf. Vooral de Duitstalige universiteiten van Zürich en Bern trokken veel buitenlanders aan. Mia had in Zürich een heerlijke tijd en voelde zich volkomen vrij. Ze ontmoette er ‘een aantal frissche jonge vrouwen, vooral Scandinavische, Russische en Amerikaansche, die dieper over de vrouwenproblemen nagedacht hadden’ dan zijzelf.

Op bezoek bij Aletta Jacobs: 1905

Nadat Mia uit Zürich teruggekomen was, overleden haar ouders kort na elkaar. Het ouderlijk huis in Bilthoven werd verkocht en Mia verhuisde met haar broer Matthijs en haar zuster Heleen in 1905 naar de tuinmanswoning ‘Boschzigt’. Geïnspireerd door de gesprekken in Zürich, probeert Mia uit te vinden wat er in Nederland op het gebied van de vrouwenemancipatie gedaan wordt en gaat op bezoek bij Aletta Jacobs. Dr. Jacobs, 51 jaar oud, had een paar jaar eerder haar dokterspraktijk neergelegd toen ze voorzitter van de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht was geworden. Jacobs was voorstander van kinderbeperking en had sympathie voor de vrije liefde. Dat was op zichzelf al genoeg voor een sterke afkeer tegen haar persoon in nette kringen. Er werd ontzettend over haar geroddeld en er deden verhalen de ronde dat ze illegale abortussen uitgevoerd zou hebben. De vrouwen, die dit zouden hebben kunnen bevestigen, hebben dit echter nooit gedaan. Mia kijkt op de stoep voor het huis zenuwachtig om zich heen of iemand haar misschien gezien heeft, omdat ze bang is dat men haar ‘zou verdenken voor een illegale operatie daar op bezoek te gaan.’ Mia ervaart het gesprek met Aletta Jacobs als prettig en informatief. Ze krijgt een aantal brochures over de rechtspositie van de vrouw in Nederland en Aletta vertelt over haar recente reis naar Amerika, waar het vrouwenkiesrecht in Colorado net is ingevoerd. Ze hebben een levendige discussie. Mia vindt Aletta oprecht en scherp, ze heeft een helder politiek inzicht en ze blijft altijd zakelijk, op persoonlijke aanvallen reageert ze niet.

Congres Vrouwenkiesrecht: 1908

Mia schreef later: ‘Ieder die de moeite wil doen in de dagbladen en tijdschriften uit die dagen na te lezen, zal het opvallen hoe vaak de vrouwen belachelijk werden gemaakt en de mythe van de manwijven – dat waren de vrouwen die bewust naar verbetering streefden – aangedikt werd.’

De VvVK zou in juni 1908 gedurende een week gastvrouw zijn voor het derde Internationale Congres voor Vrouwenkiesrecht. Het Amsterdamse Concertgebouw was afgehuurd voor de bijeenkomsten van de 1.200 buitenlandse gasten uit 21 landen. Op verzoek van Aletta Jacobs hielp Mia bij de voorbereiding van het congres. Mia had zich voorgenomen om tijdens het congres op zoek naar manwijven te gaan. Die blijken echter niet te vinden. Ze ontmoet wel twee pioniers van de vrouwenbeweging: Wilhemina Drucker (61) en Joanna Naber (49). Vooral de eerste is in de dagbladen zo vaak belachelijk gemaakt dat Mia verwachtte, dat dat dan wel een van die manwijven zal zijn. In werkelijkheid bleek mevrouw Drucker een ‘klein, heel eenvoudig, uiterst gesoigneerd vrouwtje, dat eerder de indruk maakt verlegen te zijn.’ Mia raakt op het congres diep onder de indruk van de spreeksters, waaronder de presidentes van de Amerikaanse en Engelse vrouwenkiesrechtorganisaties.

Mia en Rosa

Kort voor de opening van het congres wordt Mia gevraagd om tijdens het congres in de hal een informatiebureau voor congresgangers te verzorgen. Daarbij werkt ze samen met Rosa Manus. Mia kende Rosa alleen uit de verte. Rosa is drie jaar jonger dan Mia en zat een aantal klassen lager op dezelfde lagere en middelbare school. Rosa is afkomstig uit een zeer welgestelde joodse familie. Rosa was op school een matige leerling. Haar vader vond het niet goed dat ze betaalde arbeid verrichtte, maar bij vrijwilligerswerk bleek dat ze een fenomenaal organisatietalent had. Ze zou later de rechterhand van Aletta Jacobs en secretaresse voor de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht worden.

Het duo wordt zo enthousiast door het congres dat ze daarna voorstellen een Propaganda Commissie voor de VvVK te vormen. Ze moeten dan nog wel veel leren over de verantwoordelijkheden en taakverdeling in een organisatie. De dames organiseerden eens in Amsterdam een bijeenkomst met voordrachten, waarvoor ze zonder overleg 1 gulden entree vroegen, bedoeld om de kas te spekken. De voorzitter van de VvVK afdeling Amsterdam werd daar zo kwaad over, dat ze in eigen persoon bij de ingang ging zitten om er voor te zorgen dat de leden van de vereniging maar een dubbeltje hoefden te betalen. Later organiseerden ze avonden met een dubbeltje entree waarbij de toeloop zo groot was, dat de politie er aan te pas moest komen om het gedrang van mensen, die er niet meer in konden, in goede banen te leiden. Als presidente van de Commissie opent Mia zulke avonden.

vrouwenemancipatie

Vrouwenemancipatie. De opening van de tentoonstelling ‘De vrouw 1813-1913’ in Amsterdam. In het midden op de voorgrond links mevrouw van Loon-Egidius, vertegenwoordigster van de Koningin, rechts Mia Boissevain, voorzitter van het tentoonstellingscomité. Tussen beide dames staand Mej. Manus. rechts op de trap minister Talma, tegen de pilaar mr. van Leeuwen, commissaris der Koningin in Noord-Holland. Nederland, 1913.

Intussen krijgt Mia een meer centrale rol in de VvVK: ze reist medio 1911 met Aletta Jacobs en Rosa Manus naar de Internationale Congres van de Wereldbond voor Vrouwkiesrecht in Stockholm. Daar zal ze ook Nella Boissevain gezien hebben, haar nicht, het negende kind van Mia’s oom Charles (NP p 69), die daar namens de concurrerende Bond voor Vrouwenkiesrecht het woord doet. Al deze activiteiten geven Mia en Rosa voldoende ervaring om in 1912 voor te stellen om een tentoonstelling over de veranderde positie van de vrouw 1813-1913 te organiseren.

Klarissa Nienhuys, Groningen

(Kleindochter van Maria Boissevain – Pijnappel en dochter van de romanschrijfster Dieuke Boissevain)

 

Publicaties over Mia Boissevain

Esmeralda Tijhoff: Ooggetuigen van de Eerste Wereldoorlog Mia Boissevain

Huygens ING: Biografie Boissevain, Maria (1878-1959)

Wikipedia: Maria Boissevain

Terugkeer met de ‘Boissevain’

ms boissevain

Eind dertigerjaren van de vorige eeuw vertrekken mijn grootouders met gezin uit Nederlands Indië voor groot verlof in Nederland. De Tweede Wereldoorlog breekt uit en terugkeer naar Indië is onmogelijk. Het gezin vestigt zich in Den Haag en overleeft de oorlog. Mijn overgrootvader Eduard Frans Janssen van Raaij is in Indië achtergebleven. 30 januari 1945 overlijdt hij in het krijgsgevangenkamp van Tjimahi. Daarmee komt een einde aan bijna een eeuw koloniale familiegeschiedenis.

De geschiedenis van mijn familie in Nederlands Indië bleef voor mij verborgen. Na het overlijden van mijn vader erfde ik de fotoalbums en brieven uit die tijd. Ik zie mijn overgrootvader Willem Frederik Lamoraal Boissevain als resident in smetteloos wit kostuum op de foto’s poseren na een tijgerjacht. Ook is er een fotoalbum over de reis naar Nederland dwars door Duitsland. Vlaggen met hakenkruisen hangen uit de gebouwen. Aan nader onderzoek naar het koloniale- en oorlogsleven van mijn voorouders ben ik nog niet toegekomen.

Diederik van Vleuten ontroert met zijn eerste soloprogramma ‘Daar Werd Wat Groots Verricht’ veel mensen met een Indisch verleden. Het programma gaat over een eeuw familie- en vaderlandse geschiedenis, die veel oude herinneringen naar boven brengt. Hij vertelt het levensverhaal van zijn oudoom Jan. Wij horen over zijn leven in het voormalig Nederlands Indië, het Jappenkamp tijdens de bezetting en de capitulatie van Japan die direct werd gevolgd door het uitroepen van een onafhankelijke ‘Republic Indonesia’. Jan en zijn vrouw Aukje van Vleuten keren in het passagiersschip ‘Boissevain’ terug naar Nederland. Oud-Indiëgangers brengen dit schip in verband met het voormalig Nederlands Indië.

Midden in de crisistijd besluit de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM) om de ontoereikende schepen op de lijnen tussen Azië, Java en Afrika te vervangen door drie snelle motorschepen met elk drie schroe­ven. De schepen worden ver­noemd naar Jan Boissevain, Willem Ruys en Petrus Emilius Tegelberg. Deze drie mannen richten in 1888 de KPM op voor het onderhouden van scheepsverbindingen in de Nederlands Oost-Indische Archipel. Tijdens de Tweede Wereldoorlog worden de schepen gevorderd door het Engelse Ministry of Wartransport en omgebouwd om dienst te doen voor troepentransporten. Zij nemen ze deel aan de landingen in Noord-Afrika en Italië.

Na de oorlog keert het 175 lange schip de ‘Boissevain’ (oorspronkelijk gebouwd voor 657 passagiers) weer terug naar de KPM. Het schip brengt vele Indische repatrianten, waaronder de Van Vleutens, terug naar Nederland. In de jaren ’46 en ’47 worden Nederlandse dienstplichtigen, die worden ingezet bij de politionele acties, met het schip verscheept. Het troepenschip vertrekt uit de haven van Amsterdam met 3.000 militairen aan boord. In 1946 breekt muiterij uit op de ‘Boissevain’ tijdens het troepentransport. Een groep mariniers wordt naar Egypte gevlogen en met een torpedoboot naar de ‘Boissevain’, die in de Rode Zee ligt, gevaren om de orde te herstellen. In 1968 komt de ‘Boissevain’ bij de oostkust van Japan in aanvaring met een Japans motorschip. Hierbij komt het Japanse schip tot zinken. Enkele maanden later wordt de beschadigde ‘Boissevain’ in Taiwan gesloopt. De naam van het schip blijft voor altijd verbonden aan de vaderlandse geschiedenis bij de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog.

Boy Boissevain: Europees ambtenaar en milieu-activist

oosterschelde

Stormvloedkering en overleg: er is niet met open vizier gestreden

De stormvloedkering Oosterschelde. Eduard Carel (Boy) Boissevain heeft er achteraf spijt van ooit met dit compromis tussen helemaal open en dicht te hebben ingestemd. Zijn voordeel van de twijfel is omgeslagen in: fout, een verkeerde beslissing. “Te duur en maar in beperkte mate voldoend aan de verwachtingen. En het is voor mij geen uitgemaakte zaak of de mossel- en oestercultures toch geen klap ondervinden. Dat komt dan hoofdzakelijk naar mijn mening doordat de stromingen verminderen en zich verplaatsen. Ons oorspronkelijke standpunt – dijkverhogingen – blijkt het beste. Goedkoper en er zouden meer natuurwaarden zijn gespaard”.

boyboissevain

Eduard Carel (Boy) Boissevain (1921-1989)

Boissevain – vandaag (8 augustus 1987) 66 jaar geworden – belandde in 1973 na een ambtelijke loopbaan bij het ministerie van landbouw en de Europese Economische Gemeenschap in Brussel (ontwikkelingssamenwerking) in Tholen. “Sinds hij afscheid nam als ambtenaar bij de E.E.G. in Brussel, ontwikkelde hij zich als een strijdbaar milieu-activist”, schreef NRC-Handelsblad over Boissevain in een artikel onder de kop ‘SOS heeft nog hoop voor Oosterschelde’. Zeeland kende hij oppervlakkig; de Oosterschelde door zeiltochten (met Sint-Annaland als thuishaven) goed. “Ik ben door die Oosterschelde gefascineerd geraakt. Ik heb op veel wateren in Nederland gezeild, maar de Oosterschelde vind ik boeiend en mooier dan de andere wateren. Interessanter wat natuur betreft en wat cultuurhistorie betreft. De getijdestromen zijn ook gedeeltelijk interessanter dan de Wadden. Ik ben gewoon gegrepen door de schoonheid van de Oosterschelde”. Geen wonder dat Boissevain zich ging verdiepen in de heisa die begin jaren zeventig over de Oosterschelde open/dicht op gang kwam. “Ik ben aanvankelijk een doodenkele keer naar een vergadering van actiegroepen gegaan. Daar heb ik me hogelijk verbaasd over de onvoorstelbare felheid. Die beschouw ik achteraf als noodzakelijk om de late start van de actiebeweging in te halen. Maar ik was dat felle niet gewend. Ik was ambtenaar geweest; dan probeer je de zaken te regelen. Het komt er niet op aan of ik gelijk heb, maar of ik gelijk krijg – dat was het uitgangspunt.

SOS

Op min of meer toevallige wijze belandde Boissevain op een vergadering van SOS, het comité samenwerking Oosterschelde. “Dat was opgericht door A/L.S. Lockefeer, de voorzitter van Zevibel. Er zaten meer van dergelijke grootheden in de club van mensen met heel verschillende achtergronden en opvattingen. Het enige wat ze bond was een open Oosterschelde. Op die vergadering zie iemand: er moet veel meer sturing in SOS gebracht worden, we werken allemaal langs elkaar heen en zo gaat het niet langer. Er werden twee namen genoemd voor het voorzitterschap. Die van Sicco Parma en die van mij. Dat was tot mijn grote verbazing. Ik heb de boot eerst afgehouden, maar de volgende vergadering werd ik toch op de voorzittersstoel gezet.

Het was inmiddels 1974. De discussie over de Oosterschelde ging naar een hoogtepunt. En Boy Boissevain werd geacht de activiteiten van de voorstanders van een open Oosterschelde te leiden. “Wist ik veel wat SOS betekende. Ik moest beginnen me te oriënteren op het hele vraagstuk. Met name de bestuurlijke kant: wie heeft ermee te maken, waar kan ik contacten leggen. Dat was moeizaam, om niet te zeggen: vijandig. Door de Zeeuwse overheden werden we verketterd. Dat vond ik erg raar, maar ik heb toen gezegd: dan leggen we contacten naar Den Haag toe. Het ministerie, de Tweede Kamer, de politieke partijen. Dat liep wél. Ik ben op een hoger niveau gaan zitten, óver de provincie heen. Ik stootte in Zeeland mijn neus en kon niet anders.

Boissevain zegt dat hij aanvankelijk weinig voelde voor het compromis van een stormvloedkering. “Maar we hadden ook geen gedegen antwoord erop. Ons rapport over dijkversterking is politiek onder tafel gewerkt, eigenlijk alleen op het punt van presentatie. Het compromis werd veroorzaakt door gebrek aan moed van politiek Den Haag. Er waren twee oplossingen: helemaal open of helemaal dicht. Voor beide oplossingen ontbrak de moed. We moesten als SOS een standpunt bepalen. Ik heb ervoor gepleit het compromis het voordeel van de twijfel te geven. Ik kreeg binnen SOS geweldig oppositie, ik moest het compromis er echt uitslepen. Ik zag geen heil in verdere polarisatie; dat zou onze positie alleen maar verzwakken.

De spijt van Boissevain kwam nog tijdens de bouw van de kering opzetten. “De partiële dijkversterkingen toonden aan dat dijkversterkingen toch tijdig en tegen verantwoorde kosten gerealiseerd konden worden. Inmiddels was ook nog gebleken dat een rapport van provinciale waterstaat tegen dijkverhoging nergens op sloeg. Dat rapport was eerst geheim gehouden, maar speelde wel een belangrijke rol in de besluitvorming. Ik heb geen bewondering voor de wijze van procederen van de voorstanders van afsluiting. Er is niet met open vizier gestreden.” Boissevain wijst erop dat de gang van zaken rond de zoetwatervoorziening van Schouwen-Duivenland hem opnieuw doet denken aan gemanipuleer á la Oosterschelde.

Hoe dan ook: de stormvloedkering ligt er; als het goed is voor zeker 200 jaar. Boissevain beseft dat terdege en hij vindt dan ook het beheer van kering en Oosterscheldegebied voor de toekomst uiterst belangrijk. “Die kering moet alleen dienen als noodrem. Verder moet men eens tien jaar met de vingers van de Oosterschelde afblijven. Die moet een evenwicht hervinden. Het moet niet zo zijn dat allerlei gemeentelijke en provinciale autoriteiten met hun stokpaarden aan de gang kunnen. Je hebt sneller iets verpest dan opgebouwd. Maar ik vrees hoor. Er is iets nieuws en dus de psychologische uitdaging: we moeten eraan knutselen. Er hoeft van mij geen actief beheer plaats te vinden. Voor mijn part is het zo passief als wat, als ze maar met hun poten van de Oosterschelde afblijven. Ik heb niet veel fiducie in een betere toekomst voor de Oosterschelde. Ik heb de indruk dat de recreatieve druk zó wordt gestimuleerd, dat de productieve betekenis van het gebied eronder zal lijden. Neeltje Jans ontwikkelen geeft niks, als de mensen maar op dat eiland blijven.

Afbouw

Het comité SOS – dat in 1976 de eerste Zeeuwse milieuprijs ontving – is formeel nooit opgeheven. Als het ernstig mis gaat, kan er altijd nieuw leven in worden geblazen. Niet meer door Boy Boissevain. Hij is aan het afbouwen. Het grote aantal functies in de natuur- en landschapsbescherming (en de politiek) dat Boissevain in korte tijd op zijn schouders gestapeld kreeg, verdwijnt. “Niet te veel stress meer”, merkt hij op. In het najaar neemt hij zodoende afscheid als voorzitter van het Delta-overleg: platform van milieu-organisaties uit Zeeland, Zuid Holland en Noords Brabant. Senator mr J.P. Boersma volgt hem op. Boissevain gaf tien jaar leiding aan het Delta-overleg en hielp het mee op te richten.

“Een nuttige club. Voordat het tot stand kwam zaten de provinciale organisaties binnen de eigen grenzen te opereren. Dat was trouwens ook het geval op bestuurlijk gebied. Het gaf wrijvingen. Was bijvoorbeeld de Dammenroute aan de orde, dan zei Zeeland: over mijn lijk, laat ze de Zoomweg maar aanleggen. Brabant zei dan: dat nooit. Zo kun je niet bezig zijn. Dan beslist Den Haag zonder je. Het heeft wel lang geduurd voor het Delta-overleg op gang kwam. We hebben ‘De Delta Waarheen’ gemaakt. Dat zie ik als een soort geloofsbelijdenis”. Boissevain onderstreept dat met elkaar in gesprek blijven de basis vormt van het Delta-overleg. In zijn functie als voorzitter ziet hij een parallel met die bij het comité SOS: “Coördineren; proberen standpunten met elkaar in overeenstemming te brengen”.

Rinus Antonisse, de Provinciale Zeeuwse Courant

8 augustus 1987

Mies Boissevain-van Lennep: Amsterdamse verzetsstrijder

Adrienne Minette (Mies) Boissevain-van Lennep (1896-1965)

Mies (Adrienne Minette) Boissevain-van Lennep (1896-1965) was zeer actief in de jaren dertig, zwaar beproefd in de 2e Wereldoorlog en daarna opnieuw vol bruisende energie. Levenslust, humor en snedigheid behoorden tot haar karakteristieken. Met het motto ‘Gezondheid + Schoonheid = Levenslust’ exploiteerde zij hoog boven in het grote grachtenhuis in Amsterdam waar Jan en Mies met hun 5 kinderen tot 1939 woonden een beauty parlour. Voor de vrouwen die zich daar door haar lieten behandelen was 4 trappen beklimmen kennelijk geen bezwaar! In diezelfde periode was zij politiek actief in de vrouwenbeweging. Samen met enkele andere vrouwen richtte zij een Jongeren Werk Comité in de Vereniging voor Vrouwenbelangen op om deze laatste nieuw leven in te blazen. Mies trok daarbij de aandacht met haar berijmde toespraken op bijeenkomsten en vooral met haar geregeld in het weekblad De Groene Amsterdammer gepubliceerde limericks waarin zij zich op geestige en rake wijze verzette tegen onrecht. Befaamd werd haar actie tegen een voorstel van de katholieke minister Romme om vrouwenarbeid als zijnde ‘onnatuurlijk’ en onwenselijk wegens de grote werkloosheid te verbieden.

De 2e wereldoorlog begon zijn schaduwen vooruit te werpen. Mies raakte betrokken bij de opvang van joodse vluchtelingen uit nazi-Duitsland en zelfs nog in de oorlog bij het in veiligheid brengen van joodse kinderen. De oorlog bracht diepe ellende: haar 2 oudste zonen Janka en Gi werden in 1943 door de nazibeulen gefusilleerd, haar echtgenoot Jan bracht meer dan 3 jaar in diverse concentratiekampen door (Amersfoort, Vught en Sachsenhausen) en overleed in Buchenwald, haar 3e zoon Frans overleefde de concentratiekampen Vught en Dachau. Zelf overleefde zij de kampen Vught en, zij het ternauwernood, Ravensbrück waar zij driemaal van de gaskamers werd gered. Echtgenoot Jan was al in 1941 gearresteerd wegens het zaken doen met een joodse relatie, na enkele weken vrijgelaten, maar kort daarna opnieuw opgepakt. Het huis waarheen de familie eind 1939 was verhuisd werd geleidelijk een belangrijk centrum van verzets- en sabotage activiteiten: onderduikadressen voor joden en anderen werden geregeld, voor vermommin­gen en valse identiteitsbewijzen werd gezorgd en bomaanslagen en andere verzetsactiviteiten werden er voorbereid. De kelder van het huis was een arsenaal van wapens en explosieven. Vele jaren na de oorlog, in 1962, vond een loodgieter er bij toeval en tot zijn grote schrik in een buis nog genoeg springstoffen om heel Amsterdam mee op te blazen! Janka en Gi waren hier tezamen met andere verzetsmensen, als groep bekend onder de naam CS-6, nauw bij betrokken. De oorsprong van deze codenaam is overigens onzeker. Veelal denkt men dat deze is ontleend aan het huis (Corelli Straat 6), maar volgens andere bronnen was er sprake van afdeling 6 van een internationaal opererende verzetsorganisatie Centre de Sabotage.

Robert Lucas Boissevain (1895 – 1945)

In augustus 1943 sloeg de Sicherheitsdienst toe: Mies en haar 3 zonen (de 2 dochters waren gelukkig niet thuis) en nog 70 anderen werden gearresteerd. Op 1 oktober werden Janka, Gi, achterneef Louis en nog 16 andere tot de groep behorende verzetsmensen in de duinen bij Overveen gefusilleerd. De nacht tevoren had Janka in een der muren van zijn gevangeniscel nog onze familiespreuk gekrast: ‘Ni regret du passé, ni peur de l’avenir’! Mies en zoon Frans belandden in concentratiekamp Vught, waar Mies te werk werd gesteld in het ‘ziekenhuis’. Als ‘Zuster Mammie’ werd zij bekend bij vele gevangenen die zij er heeft kunnen helpen. Onder hen ook haar echtgenoot Jan die zij 1 jaar niet meer had gezien en Robert Lucas Boissevain die na folteringen en 9 maanden eenzame opsluiting in Scheveningen in slechte conditie in Vught arriveerde. In september 1944 werd het kamp ontruimd. Mies werd overgebracht naar Ravensbrück, een vernietingskamp waar de mensonterende omstandigheden nog honderd keer erger waren. Ook daar verzorgde zij zieken maar doorstond ook zelf zware ziekten.

Eind april 1945 werd zij, doodziek en nog slechts 33 kg. wegend, met een ziekentransport van het Rode Kruis naar Zweden gebracht. Enkele maanden later kwam ze terug in Nederland, fysiek weer wat bijgespijkerd en 20 kg aangekomen, maar bovenal mentaal ongebroken en weer vol sprankelende energie en snedige humor. Natuurlijk hadden de kampperiode en de doorstane beproevingen hun sporen nagelaten, maar ook in positieve zin. Zo had zij de waarde van solidariteit onder de kampvrouwen ervaren. Zij trachtte hieraan op verschillende en originele wijze vorm te geven, zij het niet steeds met blijvend succes. Ze vond dat er meer specifiek vrouwelijke invloed in het openbare leven nodig was. Met alleen vrouwelijke inbreng in de traditionele politieke partijen zou dat niet te verwezenlijken zijn en daarom richtte zij een vrouwenpartij op ‘Praktisch Beleid’, gebaseerd op eensgezindheid tussen alle lagen in de samenleving. Voor de publiciteit maakte zij ook nu weer gebruik van snedige limericks. De meeste kiezers vonden de ideële gedachte echter te vaag en de verkiezingen eindigden in een fiasco.

Nationale Feestrok

Eveneens uit de ervaring van eenheid op een ondergrond van (vrouwelijke) verscheidenheid sproot haar idee van de ‘Nationale Feestrok‘ voort. Tijdens haar gevangenschap had Mammie Mies een dasje toegestuurd gekregen gemaakt van lapjes, kledingstukken van familieleden en vrienden, waarmee speciale herinneringen boven kwamen. Het zou aardig zijn als iedere vrouw een kleurige rok zou dragen, gemaakt van allerlei lapjes met een emotionele lading en al dan niet geborduurd met namen en/of data. Iedere vrouw zou dan een unieke rok – een typisch vrouwelijk kledingstuk – hebben, die toch ook eenheid in verscheidenheid zou symboliseren. De rok zou vooral op nationale feestdagen moeten worden gedragen. Er werd zelfs een feestrok-lied geschreven. Om de rok te promoten reisde Mies niet alleen heel Nederland door, maar ging ook naar de Verenigde Staten. In de Amerikaanse pers verschenen zelfs enthousiaste artikelen. Na enkele jaren was de hele gedachte echter weer vergeten.

Robert Lucas (Bob) Boissevain

Van Caroline Boissevain naar Daniël en terug

Amsterdam

Amsterdam is naast een tolerante stad tussen 1700 en 1850 ook een stad met economische aantrekkingskracht. Dit is ongetwijfeld de reden geweest dat de uit Frankrijk afkomstige familie Boissevain zich daar vestigt. In de negentiende eeuw heeft onze familie zij zich daar op economisch en maatschappelijk gebied verder ontwikkeld. Hier volgt een wandeling door Amsterdam langs de verschillende huizen waar de Boissevains hebben gewoond en gewerkt.

We beginnen bij de Ronde Lutherse Kerk aan het Singel, vlakbij de brug naar de Haarlem­merstraat (als je van het station komt moet je een beetje rechts aanhouden). Ga in gedachten terug naar de eerste helft van de negentiende eeuw. De kerk staat in brand! Het is één grote vuurzee. De paarden met de brandspuiten denderen langs. Sommige pakhuizen beginnen ook al vlam te vatten. De 23-jarige Caroline wordt bang. Ze woont daar in de buurt en is sinds een paar jaar getrouwd met Willem de Clerq, die later beroemd wordt als letterkundige, improvisator en zakenman. Ze is alleen thuis en vlucht. Vlug haar mooie hoed met een grote veer opgezet en daar gaat ze, door een regen van vonken, naar haar vader Daniël. Wij gaan haar achterna. Ze is misschien over de brug naar de Haarlemmerstraat gerend, over de brug naar links en dan de Brouwersgracht op. Het Melkmeisjesbruggetje gaan we voorbij, de volgende brug nemen we naar links en we zijn we op de Herengracht aan de even kant. Kijk even om je heen, dit is één van de mooiste plekjes van Amsterdam. Een paar jaar later was ze zeker het pand no. 40 binnengegaan, want daar werkte haar man als directeur van de Nederlandsche Handel Maatschappij, maar zover is het tijdens de brand nog niet. Caroline en wij lopen dus door.

Bij het huis no. 60 staan we even stil. In dit huis woonde later vader Daniël aan het einde van zijn leven. Ook zijn firma Boissevain & Co. was daar toen gevestigd. Tijdens de Franse overheersing is het een internationale handelszaak in granen, Duits linnen, Franse wijnen en voor zover aanwezig in koloniale waren en Engelse geweven stoffen. Vanaf 1820 komt de nadruk op de scheepvaart te liggen. Boissevain & Co. groeit uit tot een rederij met zeven schepen, die vooral op Indië varen.

Herengracht 60

Boven de deur van no. 60 zie je een bas-reliëf met een afbeelding van Lodewijk XIII, koning van Frankrijk. Dat is er natuurlijk niet door Daniël geplaatst maar door een vorige bewoner. Het pand is trouwens geen eigendom van Daniël, hij heeft het in huur. Het is veel groter dan je zou verwachten, want het loopt aan de achterkant achter het buurpand om en heeft aan de tuinkant een zaal van vijf ramen breed. Dit huis gaat na het overlijden van Daniël over op zijn zoon en opvolger in de firma Gédéon Jérémie. Hij maakt de rederij groot, ondanks moeilijke politieke omstandigheden. In dit huis ontvangt hij toonaangevende Amsterdamse families, maar ook de kapiteins van zijn zeilschepen. Zie zo’n zeebonk staan, net terug van de vaart op Indië. Hij komt verslag uitbrengen en hij heeft zijn ringbaard voor de gelegenheid keurig gekamd.

Maar Caroline is doorgelopen, immers in dit huis woonde toen nog geen familie. Wij komen langs het aardige huis 102 waar de in 1841 geboren Edouard een tijd gewoond heeft en even verder langs het fraai gerestaureerde huis 112 waar Guillaume, de jongste broer van Caroline, woonde. Hij was de enige van de zes broers, die geen eigen zaak had. Wij komen alle broers in dit verhaal tegen: Gédéon Jérémie, Daniël II (de II ter onderscheiding van zijn vader Daniël), Charles Faber, Eduard Constatin, Henri Jean Arnaud en Guillaume.

We gaan verder, eerst langs het foeilelijke pand 124, dat in de plaats is gekomen van het mooie grachtenhuis waar Gédéon Jérémie zijn laatste jaren heeft gesleten. Nu gaan we langs de Leliegracht en komen bij Herengracht 168, thans het Theatermuseum. Aan het einde van de vorige eeuw woont daar Mijnhart, zoon van Daniël II en bankier in ruste vanaf zijn veertigste jaar. Zoals verschillende andere Boissevains in die tijd woont hij alleen ’s winters in Amsterdam, ’s zomers woont hij buiten. Het huis is gebouwd door de beroemde 17de-eeuwse architect Vingboons. Kijk even hoe schitterend het ligt in de bocht van de Herengracht. De voordeur staat open. Zie de binnenkant van de deur: een kunstwerk van wit en koper.

Herengracht 168

Aan de overkant stonden toen natuurlijk niet de lelijke kantoren van nu, maar grachtenhuizen. In één van die huizen ging de firma Boissevain & Kooy, ook een rederij en handelszaak, van Charles Faber van start. Deze jongere broer van Gédéon Jérémie was getrouwd met Hester Kooy. Haar vader had in het huwelijk toegestemd op voorwaarde dat Charles het schip in de firma zou inbrengen, dat juist voor de firma Boissevain & Co. was gebouwd. Aldus geschiedde, maar wel met enig hartzeer bij Gédéon Jérémie!

Wij steken de Raadhuisstraat over en vervolgen onze weg langs de Herengracht. Wij kijken naar de overkant. Daar bevindt zich het grote pand 237-239 (acht ramen breed) dat momenteel leeg staat. Vanaf 1886 is de firma van Adolphe Boissevain er gevestigd. Adolphe (ook een zoon van Daniël II) was een groot bankier, hij is de naamgever van het stadje Boissevain in Canada. De geschiedenis daarvan is, dat de spoorwegmaatschappij Canadian Pacific haar spoorlijn van oost naar west weer een stukje verder naar het westen wilde uitbreiden. Adolphe heeft samen met twee anderen voor de financiën gezorgd.

Herengracht 237-239

Uit dankbaarheid zijn toen de drie volgende haltes naar de drie bankiers vernoemd: Boissevain, Pierson en Tegelberg. De firma van Adolphe is uitgegroeid tot het bankiers­huis Pierson en als ik mij goed herinner was Pierson tot voor kort nog in het pand gevestigd. Adolphe woonde later op Prins Hendriksoord in de Lage Vuursche. Van hem gaat het verhaal, dat hij, toen de automobiel zijn entree in Neder­land maakte, al zijn twaalf rijtuigen en karossen verving door twaalf auto’s. Een mens moet met zijn tijd meegaan, nietwaar.

Wij wandelen weer verder. Op nummers 316, 320 en 324 hebben ook Boissevains gewoond, voor kortere tijd. Het was toen heel gewoon om te verhuizen, maar in de vorige eeuw bleven onze voorouders dezelfde omgeving trouw.

Kijk, daar in de verte zien we Caroline op de stoep van het huis van haar vader staan. Ze ziet er wat verfomfaaid uit, de veer op haar hoed is half verbrand! Het is het huis no. 370 even voorbij de Huidenstraat. Het maakt deel uit van de “Cromhouthuizen” die door de architect Vingboons gebouwd zijn. Het is een groot huis, de tuin loopt door tot op de Keizersgracht waar Daniël’s magazijn lag. Eerlijk gezegd ben ik een beetje aan het smokkelen want hij was al verhuisd naar Herengracht 184 voordat Caroline voor de brand vluchtte, maar dit huis bestaat niet meer – vergeef het me dus maar. Toen hij verhuisde gingen mee: “1 schuit met Koopmansgoederen en 1 dito met gladde Goed”, want ook een firma was aan zijn huis gevestigd.

Wij komen nu aan het pronkstuk van de Boissevain woningen: no. 386, ook in een bocht van de Herengracht, een breed, monumentaal huis. Hier woonde Jan Boissevain, zoon van Gédéon Jérémie en de medefir­mant in de rederij en de handelsfirma Boissevain & Co. Maar de rederij bezat alleen zeilschepen en vooral toen het Suezkanaal was gegraven waar slechts stoomschepen doorheen mochten had de zeilvaart het moeilijk. Jan heeft dit ingezien, heeft de zeilschepen verkocht en de handelszaken beëindigd.

herengracht386-phv

Hij heeft een leidende rol gespeeld bij de oprichting van de Stoomvaart Mij in Nederland, waarbij hij met een enorm doorzettingsvermogen en grote overredings­kracht de ernstige aanloopmoeilijkheden heeft weten te overwinnen. Hij had ook ingezien dat de tijd van de kleine rederijen voorbij was. Een belangrijk man! Wij lopen nu niet door naar de Leidsestraat maar we gaan rechtsaf de Leidsegracht op en dan naar Keizersgracht 482. Hier woonde Gideon, ook een zoon van Daniël II, in die dagen een bekende econoom en oprichter van de Kas-Vereniging, welke bank nu Kasassociatie heet. Hij was ook betrokken bij de Banque de Paris et des Pays Bas.

Wij komen langs het aardige Molenpad. Aan de overkant woonde het echtpaar Gildemeester-Boissevain, een zusje van onze Caroline. Even verderop aan de oneven kant van de Keizersgracht, op no. 321, woonde Walrave, wethouder van Amsterdam, maar dat was al in de twintigste eeuw.

Keizersgracht 321

Op no. 221 bevond zich de firma Gebrs. Boissevain, commissionairs in effecten, opgericht door twee jongere broers van Caroline en van Gédéon Jérémie: Daniël II en Eduard Constatin. Deze tweede Daniël voelde zich op den duur meer aangetrokken tot de verzekeringswereld.

Op dit terrein was ook zijn jongere broer Henri Jean werkzaam onder de firma H.J.A. Boissevain en Zoon, assurantiebezorgers. Hij en zij firma waren gevestigd op no. 143. Later was het eigendom van zijn zoon Prof. Ursul Boissevain, hoogleraar in de oude Geschiedenis en Romeinse Antiquiteiten in Groningen. Het huis is tot 1930 in de familie gebleven. Een mooi gobelin behang uit dit huis hangt nu in het Haags Gemeentemuseum.

Aan het eind van onze wandeling staan we even stil bij no. 133 waar Gebrs. Boissevain ook een tijd gevestigd was. Eduard Constatin woonde boven en onder de zaak, met dien verstande dat het personeel op het souterrain huisde. ’s Zomers woonde hij in Hilversum. Ook zijn zoon Willem woonde aldus. Het betekende dat er twee maal per jaar verhuisd werd. De familie reisde met de trein. Het personeel vervoerde de bagage, waaronder de serviezen en het tafelzilver, met de trekschuit. Als je dan bedenkt dat Willem twaalf kinderen had en dat er altijd wel een nurse en een nanny waren, dan betekende het een aardige kleine volksverhuizing.

We eindigen bij het Huis met de Hoofden, no. 123. Dit is geen Boissevain huis, maar hier was de Openbare Handelsschool gevestigd, dé opleiding voor jonge Bois­sevains die voor het bedrijfsleven voorbestemd waren, tot in het begin van deze eeuw. Dat het niet zo’n slechte opleiding was, is denk ik duidelijk geworden. Hier nemen we afscheid.

Auteur: Ernst G. Boissevain (geschreven in 1993)

Zie ook: Publicatie  Stamboom van de familie Boissevain

Familie in Tropisch Nederland

Nederlands Indië

“Wij blijven heerschen in Indië door dat springtij van jong Hollandsch bloed, dat jaarlijks naar de tropen opstijgt”

Deze uitspraak van Charles Boissevain in zijn boek Tropisch Nederland dateert van het begin van de twintigste eeuw. De auteur geeft in zijn boek naar zijn zeggen uitdrukking aan de “hartelijke wijze hoe na wij zijn verbonden aan onze Oost, hoe Indië een deel van ons zelf, van ons verleden, onze tradi­tie, ons leven en onze eer is.”

Anno 1992 wijst Indonesië vooralsnog alle ontwikkelings­hulp, gefinancierd door de Nederlandse overheid, af. Indone­sië hekelt het ‘roekeloze gebruik van ontwik­kelingshulp als instru­ment van intimidatie of middel om Indonesië te bedreigen’. Nederland veroordeelt de openbare schending van de mensen­rechten in Oost-Timor. Indonesië herinnert Nederland aan een voor dat land buitenge­woon pijnlijk verleden, dat het gevolg is van eeuwen onmense­lijke koloniale onderdruk­king, alsmede barbaarse wreedheden begaan tijdens de onafhan­kelijkheids­oorlog, nog minder dan vijftig jaar geleden.

De 350 jaar waarin Nederlanders geleefd, gewerkt en gevochten hebben in het eilandenrijk dat tegenwoordig Indonesië heet, hebben aan beide kanten sporen achtergelaten die wellicht nooit helemaal zullen verdwijnen. Na de Java-oorlog in 1830 werd Indië als kolonie eigendom van de Neder­landse staat. Het zogenaamde ‘cultuurstelsel’ bracht een radicale verande­ring teweeg in het dagelijkse leven van ontelbare Indonesiërs, vooral op agrarisch Java. Elke Javaanse boer werd verplicht een vijfde deel van zijn grond te bebouwen met producten die het Nederlandse gouverne­ment van hem wilde hebben. Op deze manier viel het de bestuurders van de kolonie niet moeilijk de uitgaven laag en de inkomsten hoog te houden. Aan het moeder­land kon jaarlijks een ‘Batig Slot’ van vele miljoenen worden aangeboden. Tussen 1860 en 1880 beleefde de kolonie de ondergang van het gehate cultuurstel­sel en de opkomst van de grote ondernemingen: de suiker-, koffie-, thee- en tabaksplantages, de tin- en steenkoolmijnen en oliemaat­schappijen. De aanzet voor deze ontwik­kelingen was gegeven door de opkomst van het liberalisme in Nederland. Er werden wegen gezocht en gevonden om Nederland­se ondernemers in Indië aan grond te helpen. Banken en Handels­maatschappij­en verschaften het nodige kapitaal. Met de opkomst van de particuliere ondernemingen in Indië trokken na 1870 duizenden Nederlanders naar het eilandenrijk. In de jaren daarvoor waren het nog uitsluitend soldaten en avonturiers die naar Indië trokken. In de jaren na 1870 werd hun plaats ingenomen door planters, fabrieks­directeuren, boekhouders, schrijvers, bestuursambtenaren en opzichters. Onder hen een aantal van onze voorouders.

De afstammelingen van Daniël Boissevain werden naar Indië gedreven door hun handelsgeest. De nakomelingen van Jean Henri Guillaume Boissevain hebben voornamelijk in bestuurlijke zin een relatie met Indië. In dit artikel ga ik in op het ontstaan van de relatie met Indië van de nazaten van Daniël in de tweede helft van de vorige eeuw. Informatie hiervoor heb ik ontleend aan de boeken van Charles Boissevain (Tropisch Nederland en Onze Voortrek­kers), Maria (Mia) Boissevain (Een Amster­damsche Familie) en Walrave Boissevain (Mijn Leven).

Maria (Mia) Boissevain (1878-1959)

De handelstraditie van onze familie begon bij Daniël. Deze werd geboren in 1772 en huwde op 23-jarige leeftijd Johanna Retemeyer. Kort na zijn huwelijk overleed zijn schoonvader, die chef was van een groot handels­huis. Daniël nam na zijn overlijden de zaken over en associeerde zich met zijn oom M.J. Retemeyer en later met zijn zwager. De handel in Duitse linnen goede­ren, Franse wijn en granen bloeide, maar kende ook een dieptepunt in het begin van de vorige eeuw tijdens de Napoleontische overheersing.

Mia Boissevain schreef over haar grootvader: “Hij zag dat de zaken zooals zij tot nu toe gedreven waren, onder de veranderende omstandigheden verlies moesten brengen. Daartoe bracht hij op zee vlugge schoeners op de Levant en flinke barksche­pen voor de grote vaart. Deze prachtige zeilschepen, van welke o.a. de namen Jan Pieterszoon Coen, Bestevaer van Nederland en Oranje mij zijn bijgebleven, waren zijn trots. Een van zijn genoegens was om met zijn kinderen naar de Handelskade te wandelen om kapitein en bemanning bij aankomst te verwelko­men.” Charles Boissevain schreef over zijn vader: “Elken ochtend als hij bij het ontbijt binnen kwam, ging hij uit het venster kijken naar het haantje op de Westertoren, want hij was afhankelijk van de wind… lagen er schepen in het Nieuwediep, die uitzeilen moesten, dan was Oostenwind onontbeerlijk.

jan boissevain

Gideons zoon Jan, geboren in 1836, kwam op jonge leeftijd te werken op de rederij van zijn vader, waar hij al vroeg tot het inzicht kwam, dat de tijd van de zeilschepen aan een einde kwam. Jaren voor er sprake was van stoom­vaart naar Nederlands Indië, was hij reeds bezig met plannen voor het omvormen van de rederij van zijn vader naar een stoom­vaartlijn. Mia Boissevain schreef over haar vader: “Avond aan avond besteedde hij aan de bestudering dier plannen. Maar zijn vader had er weinig oren naar. Hij was gehecht aan zijn trotsche zeilschepen en het bedroefde hem, dat al de vakkennis en zeemanschap verloren zouden gaan.” Jan Boissevain werd mede-oprichter en directeur van de Stoomvaartmaat­schappij Nederland die op Indië voer. De maatschappij werd in de eerste jaren van haar bestaan geconfron­teerd met scheeps­rampen. “De vreeselijke ramp van de ‘Willem III’ die op de eerste uitreis op weg naar Southampton verbrandde, het vergaan van de “Koning der Nederlanden” in open zee, met wekenlange onzekerheid over het lot der bemanning, het waren rampen die bijna onoverkomen­lijk leken. Met dankbaarheid gedacht mijn vader altijd den eerevoorzitter der Maatschappij, Prins Hendrik der Nederlanden, die ter vergadering gekomen geen enkel woord van blaam uitte en alleen maar zeide: “Wij moeten weer vooruit.” Hij voegde de daad bij het woord door een enorm kapitaal op de nieuwe leening in te schrijven“, aldus Mia Boissevain. Jan Boisse­vain was lid van de Amster­damse Gemeenteraad en de Provinci­ale Staten van Noord-Holland en was mede-oprich­ter van de Amster­damsche Droog­dokmaat­schappij en tal van andere lichamen. Hoogtepunt in zijn leven vormt zijn aandeel in de oprichting van de Koninklijke Pakket­vaartmaat­schappij en de stichting van de Neder­lands-Indische Landbouwmaatschappij. De Koninklij­ke Pakketvaartmaat­schappij zou later drie grote passagierssche­pen voor de vaart naar China en Zuid Afrika vernoemen naar de oprichters van de maatschappij: Boissevain, Ruys en Tegelberg. Charles Boisse­vain schreef over zijn broer: “Wat heeft die Maatschap­pij Nederland, die nationale stoomvaart tusschen Nederland en Indië vestigde, een tegenspoeden gehad. De geschiede­nis van de onderneming herinnerde ons volk aan de bezwaren, die groote ondernemingen steeds te overwinnen hebben. Jan Boissevain had te werken in een land, dat van subsidies wars is en aan eigen initia­tief der burgers groote belangen overlaat. Dat is krachtwek­kend, zeker. Maar in de eerste plaats krachtei­schend! Men had noodig een organisatie in Neder­landsch-Indië met kantoren en agenten in al de havens langs Java’s kust, van waar uit het binnenland het best bereikt werd. Men had noodig den steun van de regeering en volksvertegenwoordiging en het vertrouwen en de welwillendheid van den handel en van de reizigers naar Insulinde. De Regeering rekende steeds op de hulp van de Maatschappij, als in Atjeh of elders snelle bijstand noodig was en hielp haar indirect een weinig.

Jans broer Jacob Pieter, geboren in 1844, was chef van de firma Reiss & Co te Batavia. Jans zoon Walrave, geboren in 1876, bezocht op jonge leeftijd zijn Bataafse oom en schreef daarover: “In Batavia werd ik afgehaald door den bediende van mijn oom Jacob Pieter. Hij bewoonde een aardig huis aan de Molenvliet, had mij voor de helft daarvan afgestaan en voor uitstekende bediende gezorgd. Hoe hartelijk heeft mijn oom Jacob Pieter daar voor mij gezorgd. Hij introduceerde mij aan de tafel zijner vrienden en overal elders in Batavia en ik werd op de harte­lijkste wijze ontvangen.” Walrave Boissevain werkte voor de pakket­vaart in Indië en schreef over zijn opdracht voor deze maatschap­pij: “Toen ik eenigszins wegwijs was geworden bij de K.P.M., kreeg ik de op­dracht, een inspectiereis door de Molukken te maken. Ik moest mij met de vertegenwoor­digers van de regeering, residenten, assistent residenten en controlleurs in verbinding stellen, om te informee­ren, of de gouvernements­diensten naar behooren werden uitge­voerd. Ik moest de kas en de boeken controlee­ren en met de plaatselijke handelaren overleg plegen, of zij ook wenschen en grieven hadden. Voor een éénentwintig-jarige dus een belangrij­ke opdracht.

Bossevain,_Charles

Charles Boissevain (1842-1924)

Jans broer Charles, geboren in 1842, was schrijver en hoofdredac­teur van het Algemeen Handels­blad. Hij bezocht een aantal maanden Indië en schreef daarover in zijn boek Tropisch Nederland: “Een gevoel, dat jeugd ken­schetst, verheugde mij telkens in Java en Sumatra. Daar was het mij weer mogelijk te ontwaken met het besef, dat de dag wellicht iets zeer nieuws en schitterends brengen zou. Zulk een gevoel licht den last der jaren van de schouders en verjongt ons.” Naar het Nederlandse volk deed hij de volgende oproep: “Nu bid ik ernstig alle ouders om uw zonen gehuwd naar Indië te zenden. Geen opoffe­ring, die dit mogelijk maakt, is te groot. Regeering, help mee. Gij vrouwen, die leidt het machtige nieuwe vrouwenle­ven, helpt mede… be­grijpt! Wij blijven heerschen in Indië door springtij van jong Hollandsch bloed, dat jaarlijks naar de Tropen opstijgt. Maar laat toch vooral evenveel vrouwen naar Indië gaan! Dit geschiede bovenal terwille van het vaderland!

Auteur: Jan Willem Boissevain (geschreven in 1992)

Zie ook: Publicatie Stamboom van de familie Boissevain

Christ is King

2015-12-23_215408000_329FE_iOS

Zondagmiddag 12 juli 1998 rijden we de wat blubberige campground van de plaats Boissevain (provincie Manitoba) in Canada op. Ons verlangen om het plaatsje te zien, doet de 756 kilometer die we hebben afgelegd vanaf Cloguet (Minnesota) in de VS geheel vergeten. En blubber zijn we wel gewend in de Peace Garden en de Turtle Mountains, die ten zuiden van Boissevain liggen en waar we net de grens met de VS zijn overgestoken. De combinatie van warm weer en vochtig gras geeft ons de verklaring voor de vele insecten die we van ons lijf moeten houden. Later begrijpen we dat er altijd veel muggen en black flies in het plaatsje zitten. Niet voor niks staat in het dorpscentrum een gigantische paal met allemaal vogelhuisjes, waarvan de bewoners worden geacht de Boissevainers tegen de insectenoverlast te beschermen.

tommy

De drukte van flanerende bewoners op onze dag van aankomst blijkt niet normaal te zijn. Het markeert het einde van een driedaags festival dat onder de naam ‘27th Annual Canadian Turtle Derby’ Boissevain in de vaart der volkeren omhoog stoot. Vanuit het middelpunt van een grote cirkel wordt een aantal schildpadden losgelaten. De eerste die de rand van de cirkel aanraakt heeft gewonnen. In hoeverre de padden zich bewust zijn van het doel van hun missie, dan wel getraind zijn voor deze bezigheid, is mij niet bekend. Een wandeling die zondagavond en de volgende ochtend geven ons echter een beter beeld van de normale gang van zaken daar. Centraal staat een aantal graansilo’s aan de spoorlijn, die in 1882 mede door toedoen van Athanase Adolphe Henri Boissevain (1843-1921) kon worden gerealiseerd. Het verbouwen van diverse soorten graan, de opslag en het transport ervan vormt de economische basis voor de welvaart van de circa 2.500 inwoners. Hun huizen, winkels en de vele kerken voor de overige levensbehoeften bepalen voorts het beeld langs de twee elkaar kruisende hoofdstraten.

Naast de jaarlijkse Turtle Derby bieden de circa 20 zeer grote muurschilderingen op even zovele dode muren een permanente confrontatie met de historie van de omgeving. Degene met de beeltenis van A.A.H. Boissevain herdenkt de eerste (in 1885) en de laatste (in 1958) passagierstrein die Boissevain aandeed. De straten en huizen zien er proper uit, het straatbeeld is rustig doch gevuld met bewoners die aan het werk zijn. Mijn gesprekken met een aantal van hen in het VVV-kantoor, een kledingzaak en een servieswinkel bevestigen eveneens mijn indruk dat men hier volledig profiteert van de welvaart en harmonieus samenleeft. Wat meer kunnen we eigenlijk nog wensen voor dit dorpje, waarmee wij door een gemeenschappelijke naam ons verbonden voelen?

Charles F.C.G. Boissevain (1998)