Pontifex

Jan Boissevain (1836 – 1904): de man die een brug sloeg van Nederland naar Indië

Hij gaf zijn broer een bijnaam die hem perfect paste: Pontifex, de bruggenbouwer. Charles Boissevain, journalist en hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad, schreef over zijn broer Jan in zijn familiegeschiedenis Onze Voortrekkers. Wat hij schreef is geen droge levensbeschrijving. Het is een liefdesverklaring aan een man die met visie, volharding en stille bescheidenheid de Nederlandse scheepvaart naar een nieuw tijdperk loodste.

Het haantje van de Westertoren

Jan Boissevain groeit op in een gezin waar de zee geen achtergrond is, maar een dagelijkse aanwezigheid. Zijn vader is reder. Elke ochtend bij het ontbijt kijkt hij als eerste naar het haantje van de Westertoren, want wind bepaalt of zijn schepen uitzeilen kunnen. Charles schrijft: “Elken ochtend als hij bij het ontbijt binnen kwam, ging hij uit het venster kijken naar het haantje van den Westertoren, want hij was afhankelijk van wind.”

De gezagvoerders van de barkschepen komen regelmatig thuis bij de Boissevains. Meest Katwijkers, de Duivenbodes en Van der Plassen. Ze brengen geschenken mee uit de Morgenlanden. Charles en Jan groeien op met verhalen van de zee, gaan als jongens mee naar de Overzij van het IJ om te kijken hoe een hoog schip, door twintig paarden voortgetrokken, langzaam over de groene weide nadert. Als de bemanning de patroon ziet, gaat de vlag omhoog en klinkt een hoera uit het want. Jan zet die herinneringen later op rijm, in een vers aan het schip Nederland en Oranje.

Op zijn dertiende gaat Jan op kantoor bij zijn vader. Hij doorloopt de school van uitgebreid lager onderwijs en leert de scheepvaart van binnenuit. Maar terwijl anderen vasthouden aan het vertrouwde, ziet Jan al vroeg wat komen gaat.

De bakens moeten verzet

In de jaren zestig van de negentiende eeuw verandert de wereld van de scheepvaart fundamenteel. Ferdinand de Lesseps doorsteekt Afrika in 1869 met zijn Suezkanaal. Het Noordzeekanaal is in aantocht. En de compoundmachine maakt stoomschepen voor lange reizen eindelijk rendabel. Wie niet handelt, verliest.

Charles schrijft er met gevoel voor over: “Na 275 jaar was het tij verloopen en moesten de bakens verzet. De Lesseps had Afrika tot een eiland gemaakt.” Jan ziet dat Nederland aan de zijlijn dreigt te komen staan. Voor een land met Aziatische koloniën, dat soms snel soldaten moet sturen, is afhankelijkheid van vreemde scheepvaartlijnen onacceptabel. Er moet een nationale stoomvaartlijn komen tussen Nederland en Indië. Jan gaat die bouwen.

De Stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’

In 1870 wordt de Stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’ opgericht. Jan Boissevain is de drijvende kracht. Maar de obstakels zijn formidabel. Er zijn nauwelijks gezagvoerders voor grote pakketboten. Geen machinisten. Geen pursers. Geen scheepsartsen. En, misschien wel het meest schrijnende: in 1871 zijn noch Amsterdam noch Rotterdam toegankelijk voor grote stoomschepen. Een droogdok ontbreekt volledig.

Jan lost het allemaal op. Hij richt de Amsterdamsche Droogdokmaatschappij op. Hij regelt de spoorweghaven aan de Rietlanden. Hij bouwt een netwerk van agenten langs heel Java’s kust. Stap voor stap, verbetering na verbetering, zonder ophef. Charles beschrijft het zo: “Hij was bescheiden, en hield zich achteraf en bovendien alles is zoo geleidelijk gegaan. De eene verbetering of nieuwe instelling volgde op de andere.”

De dag dat het eerste stoomschip van de Stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’, de Prins van Oranje, aanmeert in Amsterdam staat Charles erbij. Hij herinnert het zich levendig: “Wat was het een vroolijk gewoel aan de Rietlanden, toen het eerste schip daar aankwam, nieuw verkeer, nieuwe levenskracht aan Amsterdam brengend.”

Hoofd én hart

Charles zoekt in zijn beschrijving naar wat zijn broer zo bijzonder maakt. Hij vindt het in een zeldzame combinatie: “Hij had met elkander in harmonie een hoofd en een hart, dat is een karakter, waarop men rekenen kon ten allen tijde. Er was niets nukkigs of veranderlijks in hem.”

Jan is lid van de familie die Charles beschouwt als het hoofd. Iedereen raadpleegt hem. En naast zijn werk als ondernemer en organisator is hij ook dichter. Zijn vers op het schip Nederland en Oranje, zijn bijdrage aan het veertigjarig huwelijksfeest dat hij met zijn vrouw Nella viert in 1902. Dat feest, in mei van dat jaar, geeft Charles aanleiding tot een lange, warme ode in versvorm. Hij noemt zijn broer daarin Pontifex, de stoute bruggenbouwer, en schrijft: “Gij, die nu glijdt in drijvende paleizen van Holland naar zijn gordel van smaragd, de tovermacht die droomsnel u doet reizen, dat is zijn kracht van wil, zijn hoofd dat dacht.”

Nella: zijn kracht en zijn kompas

Naast Jan staat Nella, Petronella Gerharda Johanna Brugmans, met wie hij op 15 mei 1862 trouwt. Zij krijgen negen kinderen. Charles schrijft over haar met dezelfde warmte als over zijn broer. Zij is voor Jan geen stille steun op de achtergrond, maar een actieve kracht: ze springt op als verdrukten om hulp vragen, strekt haar armen uit naar gevallenen. Charles schrijft aan haar graf: “Nooit had iemand jonger hart, jonger geestdrift en frisscher ziel het geheele leven lang dan gij!”

Slechts twee jaar na het veertigjarig huwelijksfeest overlijdt Jan, in mei 1904, in Bellagio, waar hij herstel van krachten zocht. Nella overlijdt een jaar later, in mei 1905. Beiden sterven in de maand mei. Charles ziet er iets troostelijks in: er is geen betere maand om te sterven dan wanneer alles herleeft.

De vlag halfstok over de hele Archipel

Het nieuws van Jans dood bereikt Java op een zaterdag. Charles’ zoon Robert is er op dat moment. Hij schrijft over zijn vader: “De directie gelastte aan alle agenten van de Paketvaart, over onze Indische eilanden verspreid, de vlag halfstok te halen, en hij die het mij vertelde zeide met aandoening: en zoo woei de driekleur, die hem zoo lief was, halfstok in rouwe overal in den geheelen Archipel!”

Robert schrijft ook: “Welk een mooi leven is het zijne geweest!” En dat is precies het gevoel waarmee Charles zijn levensbeschrijving besluit. Niet met rouw, maar met een opdracht aan de volgende generatie. De Stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’ is het ware gedenkteken aan zijn broer, schrijft hij. En zijn boodschap aan zijn kleinkinderen is direct:

“Mijn kleinkinderen, ge kunt geen beter ideaal voor uw leven en streven kiezen, dan het leven van mijn broeder Jan. Eert hem door hem na te volgen.”

Een naam om te dragen

Jan Boissevain bouwde geen kathedralen en voerde geen oorlogen. Hij bouwde een stoomvaartlijn, een droogdok en een haven. Hij deed het rustig, stap voor stap, zonder subsidies, in een land dat liever afwachtte dan handelde. Charles citeert de Franse schrijfster Daniel Stern om te zeggen wat dat betekent voor de familie: “Hériter de l’arbre qu’a planté mon aïeul c’est hériter d’une portion de leur cœur et de leur pensée, c’est continuer leur vie.” [i]

De boom die Jan plantte, heet de Stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’. Zijn takken strekken zich uit over de hele Archipel. En de vlag die hij zo liefhad, woei halfstok toen hij stierf, op elk eiland dat hij met het vaderland had verbonden.


[i] Wie de boom erft die zijn voorvader heeft geplant, erft een deel van diens hart en gedachten en zet zijn leven voort.

Pen, recht en negen kinderen

Familie Jean Henri Guillaume Boissevain, zilveren bruiloft in 1868 Wicher, Jean Henri Guillaume, Jelle, Anna Sara Wichers, Willem, Hugo, François, Eduard, Margot

Jean Henri Guillaume Boissevain (1817 – 1870) en het gezin dat hij naliet

Hij stierf op drieënvijftigjarige leeftijd, na een ongesteldheid van slechts weinige dagen. Zijn gezin telde negen kinderen. Zijn stad verloor een steun en een sieraad. Zijn neef Charles Boissevain, journalist bij het Algemeen Handelsblad, schreef later over hem in zijn familiegeschiedenis Onze Voortrekkers. Wat hij optekende, is een portret van een man die vocht voor vrijheid van drukpers, voor liberale hervorming, voor rechtvaardigheid en die dit alles deed met een pen zo scherp dat zijn tegenstanders hem vreesden.

Een Boissevain met liberaal bloed

Jean Henri Guillaume Boissevain wordt in mei 1817 geboren in Amsterdam, als zoon van mr. Henry Jean Boissevain en Aleida Margaretha Reiners. De Boissevains zijn een hugenoten-familie die zich al generaties lang heeft toegelegd op de handel. Zijn oom Daniël Boissevain en neef Gideon Jeremie Boissevain zijn vooraanstaande kooplieden. De familie behoort tot wat men de ‘tweede coterie’ noemt, na de oude Amsterdamse regentenfamilies. Verwant aan de Van Eeghens en de De Clercqs, is zij stevig geworteld in het protestantse, liberale koopmansmilieu van de hoofdstad.

Jean Henri kiest niet voor de handel, maar voor het recht. Dat hij zijn rechtenstudie pas op latere leeftijd aanvangt, weerhoudt hem er niet van om zich te onderscheiden. Charles schrijft over hem: “Ofschoon hij eerst op meergevorderden leeftijd zijne rechtsgeleerde studiën had aangevangen, had hij zich door zijne rechtskennis, zijn helder gezond verstand en zijn vlug oordeel als rechtsgeleerde grooten roem gemaakt.”

Redacteur, pleitbezorger, vrijheidsstrijder

In 1848 is Jean Henri Guillaume een van de meest gevreesde liberale stemmen van Nederland. Als redacteur van de Arnhemsche Courant schrijft hij politieke artikelen die de conservatieve wereld doen opschrikken. Charles is er helder over: “Zijn puntige, scherpe stijl, zijn onbevreesd aantasten van wat hij verkeerd achtte, maakten hem tot een der door de conservatieven meest gevreesde voorvechters van de liberale zaak in 1848!”

Hij is een vriend van Thorbecke en een warm voorstander van de Grondwetsherziening die in dat jaar eindelijk tot stand komt. Zijn vrouw Anna Sara Wichers is dochter van mr. Wicher Wichers, door De Bosch Kemper aangeduid als de bondgenoot van Thorbecke. Het liberale gedachtegoed zit diep in hun beider afkomst.

Een proces over een Troonrede

De strijd om persvrijheid is in die jaren bloedserieus. Wanneer de Arnhemsche Courant en het blad De Staatkundige Toverlantaarn de Troonrede kritisch bespreken, acht het openbaar ministerie dit ‘oneerbiedig’ genoeg voor vervolging. Uitgever Van Hulst wordt veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf wegens het ‘smaden des Konings’. Jean Henri Guillaume treedt op als advocaat in dit proces en meldt zich bovendien als schrijver van het gewraakte stuk.

De redenering van de rechtbank is opmerkelijk: ook al had de Koning de inhoud van de Troonrede met zijn ministers overlegd, het stuk moest toch als geheel als van de Koning zelf afkomstig worden beschouwd. Jean Henri Guillaume bestrijdt dit met kracht. Charles schrijft dat hij iedereen in de familie graag zou verwijzen naar de pleitrede: “Uit deze pleitrede kan men leeren hoe zestig jaar geleden de toestanden bij ons te lande nog waren. Drukpersvrijheid en volledige ministerieele verantwoordelijkheid hebben ook wij in Nederland niet zonder strijd en moedig streven verkregen!”

Charles besluit zijn beschrijving van dit hoofdstuk met een eerbetoon namens zijn eigen beroepsgroep: “Wij, journalisten, eeren daarom mr. J. H. G. Boissevain’s gedachtenis als die van een moedig en bekwaam kampioen voor drukpersvrijheid!”

Een man van vele podia

Jean Henri Guillaume beperkt zich niet tot de rechtbank en de krant. Hij is lid van de Provinciale Staten, van de gemeenteraad van Arnhem, en voorzitter van de commissie voor het middelbaar onderwijs. Overal, schrijft de Arnhemsche Courant in zijn overlijdensbericht, geeft hij blijk van helder oordeel en juiste waardering van het algemeen belang.

Als jurist schrijft hij meerdere werken ter toelichting van wetten. Zijn stijl is herkenbaar: helder, duidelijk, vloeiend. Hij is de raadsman van velen, niet alleen in juridische kwesties maar ook in maatschappelijke aangelegenheden. De Arnhemsche Courant: “Hij was de raadsman van zeer velen, zoowel in rechtsquaestiën als in maatschappelijke aangelegenheden. Zijn humaniteit, rechtschapenheid en welwillendheid hadden hem talrijke vrienden doen verwerven.”

Een plotseling afscheid

Op 29 april 1870 overlijdt Jean Henri Guillaume Boissevain in Arnhem. Hij is drieënvijftig jaar. De ongesteldheid die hem velt, duurt slechts enkele dagen. Het is een schok voor iedereen die hem kende. De Arnhemsche Courant, het blad waaraan hij ooit zijn reputatie opbouwde, schrijft de volgende ochtend: “Zijn verlies zal blijvend zijn, want Boissevain was in werkelijkheid een steun en een sieraad van de gemeente, waaraan hij zoo vroeg en zoo plotseling werd ontrukt.”

Hij laat negen kinderen achter. Twee zoons zijn al jong gestorven. De overige zeven zoons en twee dochters staan nu voor een toekomst zonder vader.

De dochter die vader verving

Van het grote gezin kent Charles Boissevain er slechts één persoonlijk: zijn nicht Wibbina, de oudste dochter. Zij neemt na de dood van haar vader de verantwoordelijkheid voor het gezin op zich. Charles schrijft over haar met zichtbare bewondering en genegenheid: “Van dat gezin ken ik alleen persoonlijk mijn lieve nicht Wibbina, de oudste van de kinderen, voor welke zij den vader poogde te vervangen, een zware taak die zij vervullen kon door karakter, bekwaamheid en onzelfzuchtigheid.”

Wibbina wordt directrice van de Hogere Burgerschool in Arnhem en later hoofd van de Middelbare School voor Meisjes in Amsterdam, waar zij in 1906, het jaar dat Charles schrijft, al 25 jaar aan verbonden is. Haar broers onderscheiden zich als officier, als leraar en als resident van de Javaanse gewesten Madioen en Preanger. Charles besluit: “Wanneer ik in het leven telkens hoorde hoe haar broeders als officier, als resident van Madioen, als leeraar zich onderscheidden, dan dacht ik steeds met grooten eerbied en hartelijke toegenegenheid aan mijn nicht Wibbine.”

Wat een naam draagt

Jean Henri Guillaume Boissevain leefde drieënvijftig jaar. Wat hij naliet, is meer dan negen kinderen en een handvol juridische geschriften. Hij liet een gezin na dat zich staande hield. Een nicht die een school leidde. Zoons die carrière maakten in leger, bestuur en onderwijs.

En hij liet een principe na: dat persvrijheid en ministeriële verantwoordelijkheid geen vanzelfsprekendheid zijn, maar verworvenheden waarvoor mensen als hij moesten vechten. Zijn neef Charles schreef zijn verhaal op, zodat de familie zou begrijpen waarvoor de naam Boissevain ooit stond. En staat.

De Amsterdamse koopman

Hoe Daniel Boissevain (1772-1834) de napoleontische tijd doorstond

In 1906 publiceerde Charles Boissevain, journalist en eigenaar van het Algemeen Handelsblad, een familiegeschiedenis onder de titel ‘Onze Voortrekkers’. Daarin nam hij het dagboek over van zijn grootvader Daniël Boissevain, koopman en mede-oprichter van de firma Retemeyer & Boissevain. Wat die dagboekbladzijden onthullen, is een portret van een man die midden in een van de meest turbulente periodes van de Europese geschiedenis gewoon zijn beurs bezocht, met zijn vrouw naar het theater ging en ’s avonds met zijn kinderen spekpannenkoeken at.

Een koopman in napoleontisch Amsterdam

Het jaar 1812. Napoleon trekt met een half miljoen man Rusland in. Maar in het dagboek van Daniël Boissevain klinkt dat nieuws aanvankelijk als verre donder. Hij is bezig met het huren van een huis, het regelen van een vervanger voor zijn schoonzoon Jan Retemeyer die dreigt te worden opgeroepen voor militaire dienst en het organiseren van een dansfeestje voor zijn kinderen, waarvoor hij zelfs toestemming nodig heeft van de commissaris van politie.

Op vrijdag 28 februari 1812 noteert hij droogjes: “Na Beurstijd bij Comm. van politie moeten vragen om permissie of wij morgen een Danspartijtje voor de kinderen mochten hebben!” Een zin die het klimaat van bezetting onthult beter dan elke geschiedenisles: ‘zelfs het kinderdansen stond onder Fransch toezicht’.

Daniël Boissevain woont met zijn vrouw en zeven kinderen in Amsterdam, dat inmiddels onderdeel is van het Franse keizerrijk. Hij is rechter in het Tribunal de Commerce – een functie waartoe hij werd benoemd en die hij niet kon weigeren – en houdt zich dagelijks bezig met de handel in koloniale goederen: cacao, indigo, koffie, graan. De koersen van Russische obligaties lopen als een rode draad door zijn aantekeningen.

Russen flauw, maar de haas was lekker

Wat het dagboek van Daniël zo fascinerend maakt, is de manier waarop wereldgeschiedenis en huiselijke besognes naast elkaar staan, zonder rangorde. Op maandag 31 augustus 1812 schrijft hij: “De gepasseerden Nacht niet geslapen wegens zorg over die ellendige Papieren.” Die ‘papieren’ zijn Russische obligaties, die in waarde dalen naarmate Napoleons veldtocht escaleert. Maar dezelfde week eet hij lekkere spekpannenkoeken met de kinderen en neemt hij hen mee naar de kermis om de Sterke Jongen te zien.

De financiële druk is reëel en zwaar. In januari 1813 ontvangt hij het bericht dat handelshuizen waarmee zijn firma grote vorderingen heeft, hun betalingen opschorten. Op zaterdag 16 januari noteert hij: “Ongelukkige dag, die mij het hart zeer bekneld maakte. God sterke mij in deze omstandigheden. ’s Avonds thuis gebleven. Zeer melancoliek.” Het zijn de enige regels in het hele dagboek waarin zijn innerlijk even zichtbaar wordt.

Oranje boven! De bevrijding van 1813

In november 1813 verandert alles. De Fransen trekken zich terug. Op maandag 15 november schrijft Daniël dat hij ’s avonds Oranjeliedjes hoort zingen in de Hartestraat, en dat de huisjes van de douaniers in brand zijn gestoken. Hij gaat gekleed naar bed en slaapt op de boven voorkamer, voorzichtig als altijd. Twee weken later rijdt de Prins van Oranje zijn straat in.

Zijn kleinzoon Charles, die de dagboeken decennia later leest, beschrijft hoe zijn eigen vader de bevrijding beleefde: “Bij het eerste ‘Oranje boven!’ ontsprongen vreugdetranen aan onze oogen. Ik zie mijn lieven vader nog voor mij. Hoe aangedaan van vreugde was de waardige man.” Het zijn woorden die laten zien hoe diepe emoties bewaard blijven in de familie, van generatie op generatie.

De les van de houthakker

Charles Boissevain plaatst het dagboek van zijn grootvader in een breder historisch perspectief. Hij gebruikt een treffend beeld: zoals de houthakker die zich in het kreupelhout omhoogwerkt door de wenkbrauwen van een halfgod, zonder te weten welk gezicht hij beitelt. Zo beleefden de Amsterdamse kooplieden de napoleontische tijd van binnenuit, zonder de tragische contouren te zien die latere generaties zouden herkennen.

Charles verdedigt zijn grootvader ook tegen wie hem een gebrek aan vaderlandsliefde zou verwijten. Daniël Boissevain was geboren onder het stadhouderschap van Willem V, had de Bataafse Republiek zien uitroepen, de vloot bij Kamperduin zien verliezen en zijn land langzaam zien wegzinken tot Franse provincie. “Het was een langzaam stikken geweest in de politieke modder”, schrijft Charles en voor een koopman en vader van zeven kinderen was openlijk verzet synoniem met verraad.

De gewoonten van een koopman

Na de bevrijding gaat Daniël Boissevain aan het werk om zijn zaak te hervormen. Hij ziet kansen in de Nederlandsche Bank en de Nederlandsche Handel Maatschappij. Zijn zoon, Charles’ vader Gideon Jeremie (1796-1875), richt een rederij op met schoeners op de Levant en barkschepen voor de grote vaart.

De wijsheid die Daniël zijn kleinkinderen naliet, vatte zijn zoon samen op een groot vel papier, dat hij Charles meegaf toen die als jongeman even overwoog koopman te worden. Charles citeerde het in volle omvang, als een testament van de familie: “Eene heilige eerbied voor de grondbeginselen der rechtvaardigheid moet de grondzuil van iedere zaak zijn. Hij breidt zijne zaken niet boven zijn vermogen uit. Hij verkiest een klein winstje met weinig gevaar boven de kans van grootere winst met meer gevaar.”

En Charles voegt er met zichtbare genegenheid aan toe: “Dit is niet de manier om spoedig rijk te worden, maar wel om ieder’s eerbied en een gerusten ouderdom te winnen” aldus zijn vader.

Een familieroman in dagboekvorm

Voor Charles Boissevain was het dagboek van zijn grootvader meer dan historisch document: het was een spiegel van familiaire waarden en een bron van troost. “Voor mij, zijn kleinzoon, is alles wat grootvader dag aan dag optekende, boeiend als een mooie familieroman” schrijft hij. Het verhaal toont hoe gewone mensen grote tijden overleven: met zorg, geduld, liefde voor hun gezin en een scherp oog voor de koers van de Russische obligaties.

Daniël Boissevain overleed in 1834. Zijn kleinzoon Charles stierf in 1927, na 41 jaar journalistiek bij het Algemeen Handelsblad. Drie generaties en drie tijdperken, maar in hun brieven en dagboeken klinkt dezelfde stem: nuchter, standvastig en diep gehecht aan huis en haard.

Herinnering aan Gideon Jeremie Boissevain

Herinneringen van Charles Boissevain (1842 – 1927)

Een man van braafheid, kunde en onwankelbaar karakter

Een familienaam om trots op te zijn

Wanneer ik terugdenk aan mijn overgrootvader Gideon Jeremie Boissevain, dan voel ik een diepe, bijna persoonlijke verbondenheid met deze man die ik nooit heb gekend. Ik heb alles gelezen wat hij achterliet – brieven, aantekeningen in de familiebijbel, notulen van debatavonden – en het is alsof ik hem ken. Met eerbied voor zijn hart, zijn hoofd en zijn edel karakter ben ik vervuld.

Gideon Jeremie stamt af van de Hugenoten, de Franse protestanten die na de herroeping van het Edict van Nantes in 1685 massaal hun vaderland ontvluchtten. Zijn grootvader Lucas Boissevain sloeg de wijk naar Nederland. Amsterdam ontving de vluchtelingen gastvrij, en hier vestigde de familie zich voorgoed. Het is een verhaal van ballingschap, maar ook van doorzettingsvermogen en nieuwe wortels.

Met eerbied voor zijn hart en hoofd en edel karakter ben ik vervuld. Ja, voor dezen Gideon Jeremie gevoel ik een zeer bijzondere sympathie.

Van boekhouder tot zelfstandig koopman

Gideon Jeremie werkte zijn hele jeugd hard om vooruit te komen. In 1784 trad hij in dienst als boekhouder bij de firma Braunsberg Streikeisen & Co., voor een salaris van liefst 5.250 gulden per jaar, een bedrag dat aantoont hoe hoog hij werd aangeslagen. “Boekhouder” had in die tijd een heel andere, veel gewichtigere betekenis dan wij er nu aan geven: hij was de spil van de onderneming.

Na vier jaar nam hij een nieuwe stap. De firma Bogguer Grand & Co. stelde hem aan als procuratiehouder, met een salaris van 6.000 gulden per jaar. Maar de ware ambitie van Gideon Jeremie lag in de zelfstandigheid. In 1794 begon hij voor eigen rekening handel te drijven. Het fundament: zijn vakkennis, zijn spaarzaamheid, en een bescheiden kapitaal dat zijn vrouw Marguérite Quien had meegebracht.

Mijn vader – zijn kleinzoon en naamgenoot – schreef er later bewonderend over: “Mijn grootvader Gideon Jeremie was een zeer braaf en kundig man en in de eerste kantoren werkzaam, waar hem het partnership werd aangeboden, maar hij wilde liever zelfstandig blijven.” Die keuze voor onafhankelijkheid tekent de man.

Een Hugenoots gezin in Amsterdam

Op 28 maart 1769 huwde Gideon Jeremie met Marguerite Quien, dochter van de Amsterdamse koopman Francois Quien, eveneens van Hugenootse komaf. Haar familie was gevlucht uit Metz. De Boissevains en de Quiens waren al van jongs af aan bevriend – Adam Quien, broer van Marguerite, was de hartsvriend van Gideon Jeremie en werd later zijn zwager.

Samen kregen zij twaalf kinderen. Het gezin woonde in een groot huis op de Keizersgracht bij de Spiegelstraat, met een tuin vol perenbomen. Mijn vader herinnerde zich zijn grootvader als een man met een pruik in duivenstaartmodel, die met de kinderen kleine bootjes vouwde van karamelpapier en ze opgewonden nakeek als ze wegdreven in de sloot, die hem toen zo breed voorkwam als de Amazone.

Altijd bleef hij vreugde vinden in zijn werk. Er was niets kleins of zwaks in hem. Als hij iemand helpen kon, dan deed hij het, altijd vriendelijk en met een glimlach.

Zijn zoon Daniel Boissevain

Een geest van formaat en een warm hart

Gideon Jeremie was niet alleen een succesvol koopman; hij was ook een man van uitzonderlijke geest. Samen met Adam Quien en andere vrienden richtte hij de “Societe du Mercredi” op, een letterkundig debatgezelschap dat elke woensdag bijeenkwam in zijn huis aan de Keizersgracht. De leden, allemaal Amsterdamse kooplieden met Hugenootse wortels, bespraken filosofische, morele en maatschappelijke vraagstukken.

Wanneer ik de notulen lees die mijn overgrootvader bijhield, denk ik onwillekeurig: wat een uitstekend journalist zou hij zijn geweest! Hij dacht diep na, hij had de gave van het woord, en ik vlei mij met de gedachte dat het schrijftalent dat sommigen in onze familie gelukkig maakt, door ons van hem is geerfd.

In een van zijn redevoeringen voor de Societe sprak hij over het gevaar van lichtvaardig oordelen. Hij betoogde dat men nooit over een ander mag oordelen zonder hem werkelijk te kennen en vanuit verschillende omstandigheden te hebben meegemaakt. Zijn conclusie was tijdloos: men mag alleen oordelen “met kennis, met voorzichtigheid, met naastenliefde”.

Nooit een onvriendelijk woord over iemand! En in den familiekring was hij geestig en vrolijk, en met zachte stem zeide hij vaak iets, waarover wij een minuut later soms plotseling gingen lachen.

Zijn zoon Daniel Boissevain

Werken, sparen en vooruitkomen

Het credo van Gideon Jeremie was eenvoudig: wie spaarzaam en vlijtig is, bouwt iets op. Hij zei het zelf: “Die weinig heeft en minder behoeft, is rijker dan hij die veel heeft doch nog meer nodig heeft.” En hij leefde ernaar. Dankzij zijn onverdroten arbeid kon hij op het einde van zijn leven zijn moeder bij zich in huis opnemen en haar een rustig levenseinde bieden.

Zijn zoon Daniel getuigde dat hij werkte tot zijn laatste dag. Zijn bescheiden maar solide vermogen werd het fundament waarop zowel hijzelf als zijn zoon Daniel hun handelshuizen bouwden. Zelfs zijn ongehuwde zoon Francois Jeremie, die nooit meer dan 5.000 gulden per jaar verdiende, liet uiteindelijk een vermogen na van zo’n 760.000 gulden, puur door geduldig sparen en werken.

Een leven vol deugd, een waardig einde

Gideon Jeremie Boissevain overleed op 21 juni 1802, op 61-jarige leeftijd. Bij zijn graf sprak zijn zoon Daniel de woorden die zijn leven samenvatten: “Hij was een man van algemeen bekende braafheid, uitgestrekte kundigheden; de striktste eerlijkheid en zuiverste godsdienst kenschetsten zijn edelmoedig karakter. Zijn sterfbed was dat van een waar Christen en zijn voorbeeldig leven was geheel de zorg en de opvoeding van zijn talrijk gezin toegewijd.”

Hij was schutter in de compagnie van kapitein Jan Bernd Bicker, lid van de commissie voor de Waalse Kerk en poorter van Amsterdam. Een burger in de edelste zin van het woord. Alle Boissevains die na hem kwamen, stammen van hem af. En als ik zijn woorden lees, zijn redevoeringen, zijn aantekeningen in de familiebijbel, dan voel ik dat niet alleen zijn bloed, maar ook zijn geest in ons voortleeft.

Voorwaar, wij stammen af van mannen die men met eerbied liefhebben kan.

Charles Boissevain, achterkleinzoon van Gideon Jeremie Boissevain

Uit: De Geschiedenis van Eenige Leden der Familie Boissevain – Charles Boissevain (1842-1927)

Rode Letters

Het oorlogsverhaal van Lies, Mia, Romé en Annemie Boissevain

Amsterdam en Scheveningen, 1940 – 1945

Op 30 november 1944 werden vier vrouwen uit huis gehaald en meegenomen door de Duitsers: Louise Maria Antonia Boissevain (Lies), haar jongere zuster Madelien (Mia), hun moeder Romelia Abramina Boissevain-Kalff (Romé)  en hun nicht Anne Maria (Annemie). Lies beschreef wat er die avond en in de maanden daarna gebeurde in haar memoires “Rode Letters” (2004), een naam ontleend aan twee momenten waarop God haar zo duidelijk antwoordde dat het als vuurletters in haar geheugen gegrift bleef. Dit is hun verhaal.

Een gezin in bezet Amsterdam

De Boissevains woonden in een groot grachtenhuis in Amsterdam. Vader Walrave Boissevain was wethouder van de stad en een vertrouwde, imposante figuur. Lies groeide op als op-één-na-jongste van zes kinderen, in een huishouden met vaste dienstmeisjes, gezellige avonden en spelletjes. Die wereld brak op 10 mei 1940 abrupt open. “Op 9 mei 1940 kwam ik thuis na een onbezorgde schoolwerkweek,” schreef Lies. “De dag daarna kwam het verschrikkelijke nieuws over de radio: Duitsland had ons zonder oorlogsverklaring aangevallen.”

Vader Boissevain bleef, in lijn met de instructies van de regering in Londen, aanvankelijk aan als wethouder. Zijn gezin leefde in voortdurende spanning: hij was te bekend en viel te veel op door zijn lengte en postuur om in het verzet te gaan zonder anderen in gevaar te brengen. In april 1944 stierf hij plotseling na een val op de trap. “Ik voelde me alsof de bijl aan de wortels van mijn ziel was gelegd,” schreef Lies. Romé, 57 jaar oud, nam daarna de verantwoordelijkheid voor het vrouwenhuis op zich van zes vrouwen: zijzelf, haar drie dochters Roos, Lies en Mia, en de twee nichtjes Annemie en Sylvia Boissevain, die al eerder hun ouders en broers hadden verloren aan de bezetter.

Het verzet en de arrestatie op het Museumplein

Zuster Roos was diep in het verzet beland: koeriersdiensten, een ondergrondse krant, het onderbrengen van Joodse kinderen. Lies volgde. Na haar eindexamen in 1942 – de universiteiten waren door de bezetter gesloten – volgde zij een opleiding stenografie en typen. Neef Wally van Hall vroeg de zusters secretaressewerk te doen op een bijkantoor van de commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten. Drie dagen dacht Lies na. “Aan de andere kant leek ons het werk zinvol en een directe medewerking aan de bevrijding van ons land. Bovendien, als wij het niet deden, wie moesten het dan doen?”

Uit veiligheidsoverwegingen noemde Lies zichzelf voortaan Marion. Haar eigen achternaam was te herkenbaar. Op 30 november 1944, aan het eind van een lange dag, fietste zij over het Museumplein met een groene platte map vol vertrouwelijke papieren, waaronder een afschrift van een bedankbericht aan Londen voor het precisiebombardement op het SD-hoofdkwartier in de Euterpestraat. Ze zag medesecretaresse Rita met haar broer Jan en de verzetsman Arend. Ze stapte even af. Plotseling dook er een landwacht op. Arend rende weg en liet twee dikke archiefmappen achter. “Het had nu geen zin meer om te proberen ons eruit te kletsen,” schrijft Lies. “Het was voor ons een verloren zaak.”

Na verhoor op het landwachtbureau kwamen Jan, Rita en Lies ieder in een aparte cel. En dan, bij het horen van voetstappen in de gang: “Tot mijn grote schrik en ellende stonden ook mijn moeder, Madelien en Annemie daar in de gang. Ook zij waren opgepakt.” Roos en Sylvia waren ternauwernood ontkomen. Lopend werden de vrouwen door de donkere, verlaten straten van Amsterdam-Zuid naar het noodbureau van de SD gebracht. Het hoofdkwartier in de Euterpestraat lag in puin na het bombardement waarvoor Lies net een bedankbrief had meegedragen.

De gevangenis aan de Amstelveenseweg: de baksteen en de klok

Die nacht kwamen ze terecht in het Huis van Bewaring II aan de Amstelveenseweg,  dezelfde gevangenis waar later Hannie Schaft zou worden opgesloten. Het ritme van gevangenschap begon: een luikje voor het eten, een oog in de deur, dagelijks een halfuur luchten in een kooi van kippengaas, eindeloze leegte. De angst lag als een baksteen in Lies’ maag. “Ik ging ermee naar bed en stond er de volgende morgen weer mee op,” schrijft ze. De verhoren gingen over de groene map, de papieren, de namen.

Wat Lies toen niet wist, was dat Arend direct na zijn vlucht neef Wally van Hall had gewaarschuwd. Wally had een stille afspraak met een SD-officier: één keer zou die iets voor het verzet doen, nooit meer. Die ene keer was nu. Terwijl de SD-ers trappen op en af renden in opwinding die Lies niet begreep, verdwenen de archiefmappen uit de kamer van de verantwoordelijke officier. Zonder die documenten konden de verhoren nergens op uitlopen.

Toch werd Lies voor haar zwijgzaamheid gestraft met vijf dagen strafcel: betonnen muren, een metalen kooi, pikkedonker, water en brood. “In de kou moet je in beweging blijven,” schreef ze. Lopend heen en weer, een paar stappen voor en terug. En toen, onverwacht: een beeld dat van buiten in haar gedachten viel. “De wijzerplaat van een enorme klok, zo reusachtig dat deze tot in de hemel reikte. Onderaan hing een klein slingertje.” De klok was God. Het slingertje was zijzelf. “Daardoor kwam er rust in mijn hart. Op de één of andere manier zou ik er doorheen komen.”

Wees niet van tevoren bezorgd wat gij zeggen zult, maar zegt wat u in die ure gegeven wordt.

De woorden die Lies in haar cel hoorde, en die haar angst telkens braken.

Het Oranjehotel in Scheveningen: op de rand van deportatie

In februari 1945 werden de vrouwen overgebracht naar de beruchte gevangenis in Scheveningen, in de volksmond het ‘Oranjehotel’. Het had een deel van de winter leeggestaan en was ijskoud. Romé, Madelien en Lies kwamen samen in een kleine cel terecht, een opluchting na de eenzame maanden in Amsterdam. Annemie zat elders in het gebouw.

Al snel werd duidelijk dat transport naar Westerbork dreigde, en van daaruit naar een Duits concentratiekamp. Romé had opvallend wit haar, hoewel slechts 58 jaar oud. Lies besefte wat dat betekende: bij aankomst in een Duits kamp zou haar moeder regelrecht naar de gaskamer worden gestuurd. Ongeveer vijftig vrouwen stonden al opgesteld in de gang. “Transport! Duitsland,” dacht Lies. “Wat een ramp! Concentratiekamp!”

Toen: terugkeer naar de cellen. De geallieerden hadden de spoorlijn gebombardeerd. De trein kon niet rijden. “Merkwaardig om misschien wel je leven te danken te hebben aan een bombardement,” schreef Lies later. Dit was de tweede keer dat een bombardement haar lot keerde: de eerste keer leidde het naar haar arrestatie, nu redde het haar leven.

Bevrijding: mei 1945

Op zondagochtend 6 mei 1945 werden alle gevangenen vrijgelaten. Scheveningse vrouwen en kinderen stonden voor de poort, behangen met oranje. In een Rode Kruishuis hoorden de vrijgelatenen de toespraak van koningin Wilhelmina en zongen samen het Wilhelmus. Romé schreef diezelfde dag nog een brief aan haar schoonzuster Mia Boissevain: “Alles bloeide en geurde, en alles lag in een wonderbaar licht.”

Wij zijn 30 november meegenomen, Lies, Mia, Annemie en ik; eerst hebben we op den Amstelveenschen Weg gezeten. Toen moesten we op transport; we werden naar de Scheveningsche gevangenis gebracht, we stonden al op een rij in de gang, toen werd ’t transport afgelascht […] Zondagochtend 6 mei werden we allemaal vrijgelaten.

Brief van Romé Boissevain-Kalff aan Mia Boissevain, 12 mei 1945

Op de terugweg naar Amsterdam kregen de vier vrouwen een lift van een chauffeur van een autootje, die hen naar Amsterdam bracht. Lies, Mia en Romé werden afgezet bij het kantoor van de Binnenlandse Strijdkrachten, waar Roos werkzaam was. Roos hoorde het nieuws, sprong op haar fiets en holde de trappen op. “Zij zag ons daar staan, bleek en mager, en riep: ‘Maar lieverds, wat hebben zij met jullie gedaan!’”

Wat achterbleef

Niet iedereen had geluk gehad. Neef Wally van Hall, die in januari 1945 was opgepakt, werd gefusilleerd. Jan, de broer van Rita, was in Duitsland gestorven. Neef Jan Boissevain, overleefde Sachsenhausen niet. Annemies moeder Mies keerde pas later terug uit Ravensbrück. Het huis aan de Corellistraat was een lege huls. Het huis van Romé was door de Duitsers geplunderd. Dienstmeisje Sientje had in een stilmoment de juwelen van haar meesteres gered door ze in een sponzenzak te verbergen.

Jaren later, tijdens een gebed, kwamen de herinneringen aan de donkere strafcel plotseling terug. “De duisternis en de angst, tanden op elkaar, bidden, doorzetten.” En toen, schrijft Lies, voelde zij een aanraking: “De Heer sprak: Ik was bij je in die cel.” Die woorden doorbraken het gevoel van verlatenheid dat zij onwetend al die jaren had meegedragen. Twee rode letters in haar leven: de stem die haar in de strafcel leidde en het beeld van de klok die tot in de hemel reikte. Beide hadden haar gevangen gehouden én bevrijd.

De naam Boissevain was tot en met gehaat door de moffen, maar nooit zo erg als zij door ons.

Brief van Menso aan Mia Boissevain, via Emily, 10 mei 1945

In Search of the Origins of the Boissevain Family

This time, we are not traveling to Provence, but setting out to trace the roots of our family. We head south, taking a scenic country route with countless roundabouts toward the Dordogne, the region where the Boissevain family began. Along the way, we stop for lunch in a small village café in Verteillac. The three-course meal is excellent and reasonably priced, though we are surprised to see that twice the amount is charged to our card. When we arrive in Bergerac, we find a spot for the car in the hotel garage. At night, the windows and doors must stay closed: after ten o’clock the city is sprayed with insecticide to fight the tiger mosquito.

Bergerac

The old town of Bergerac is a beautiful jewel: restored, clean, and lively. We join a local wine tasting of Merlot and Cabernet Sauvignon. The first wine tastes a bit sour, the second is full of tannins. We stroll along the river, past the Tourist Office, the Protestant church, the Église Saint-Jacques, and the statue of Cyrano de Bergerac.

Although there is no official Huguenot walking route, many plaques and street names recall the time of Protestant persecution. We decide to return to the hotel early so we’ll still have things to discover the next day. On the way we reserve a table at a restaurant and later enjoy the local specialty: confit de canard.

The next morning we dive into the history of Bergerac. In 1681, sixty percent of the population here were Huguenots. This wealthy Protestant community could afford an impressive temple and three pastors. But in 1682, the French crown sent soldiers to force them to convert to Catholicism, a campaign known as the dragonnades. That same year, the great temple was destroyed, gatherings had to be held in secret, and with the Edict of Fontainebleau in 1685, Protestantism was completely banned. Pastors were expelled, children were forced to be baptized as Catholics, and hundreds of Huguenots fled to the Netherlands, England, Germany, and Switzerland. Among them was our ancestor Lucas Bouyssavy, who fled to Bordeaux at the age of 25 and arrived in Amsterdam around 1691. He died there in 1705.

We return to his homeland but find no direct traces of the family in Bergerac. The Bellegarde mill, once leased by Lucas’s cousin Isaac, has disappeared and is now a parking garage. Nearby, the Moulin de Piles still stands as an archaeological site, with foundations and canals that recall the many watermills powered by a branch of the Caudeau river since the Middle Ages. These mills once ground grain and later even generated electricity, but industrialization eventually made them obsolete.

After lunch at the charming Place de la Mirpe, we visit the Protestant temple, housed in a former monastery and opened in 1792. The Edict of Tolerance and the French Revolution finally made it possible to establish an official Protestant church again, over a century after the Edict of Nantes was revoked. We cross the Dordogne to the neighborhood near Place de la Madeleine, where ancestor Lucas and Lucas’ brother Jean once lived. We end the day with a visit to the Tobacco Museum, a reminder that Huguenots were pioneers in the local tobacco trade. Their flight spread this expertise across Europe.

Couze

We leave Bergerac and follow the river to Couze and Lalinde, which also hold pieces of our family’s story. Lucas once lived in Couze, where he owned a house and a vineyard. Today, there are no vineyards to be seen, only dry cornfields. Couze is a long village with a hill full of neglected houses. From the top we have a fine view of an old watermill, part of a series of paper mills that operated here since the late Middle Ages. In the 18th and 19th centuries, the Couze river powered thirteen paper mills, making the village an important center for handmade paper.

At the local bakery we enjoy coffee on the terrace, where every passerby greets us warmly. We then visit the restored Moulin à Papier de la Rouzique, in operation since 1530 and now a museum showing how paper was once made using water power.

Lalinde

Next we drive to Lalinde, on the opposite bank of the Dordogne. It is a pleasant village with a church, a market, and a large square. In the cemetery we search for possible family graves. Our ancestors once carried the name Bouyssavy, which was later changed in the Netherlands to Boissevain. We find no old gravestones but do see the name Bossavit. Its sound and local connection suggest a family link, though no proof exists. Bouyssavy is recorded as early as the 15th century, including in Périgueux in 1445. When Lucas left for the Netherlands in 1691, his name was phonetically written as Boissevain. The name Bossavit appeared only in the late 18th century, while Bouyssavy remained in use until the 20th century. Everything points to a shared origin.

Sarlat-la-Canéda

From Lalinde we continue to Sarlat, where a protest against government budget cuts forces us to park outside the center. We walk part of the way with the peaceful crowd before checking into our apartment in the historic heart of the town and lose our housekeys shortly afterwards. Thanks to a helpful gallery owner, we receive a spare.

Sarlat is one of the best-preserved medieval towns in France. It grew into a prosperous trading and administrative center in the Middle Ages, later declined, and was beautifully restored in the 20th century. Today it is a culinary paradise, with restaurants and shops selling foie gras, truffles, and walnuts.

Château de Beynac

The next day we visit the impressive Château de Beynac, perched on a limestone cliff nearly 150 meters above the river. Built and expanded from the 11th century onward, it played a key role in controlling the Dordogne Valley and recalls the times of Richard the Lionheart, the Hundred Years’ War, and the powerful Lords of Beynac. From the keep we enjoy a breathtaking view over the river, once the lifeline of the region.

The Cuisine of Périgord

That evening, on the gallery owner’s recommendation, we dine across from our apartment and taste all the local specialties: foie gras, duck, truffles, and walnut delicacy, fine dining at its best. The next morning, market stalls fill the medieval streets with the colours and aromas of local produce.

The Dordogne River

Finally, we leave the Dordogne and head toward the Auvergne, where the river rises in the Puy de Sancy. Our journey through Bergerac, Couze, and Beynac makes it clear how vital the Dordogne has always been to the landscape, economy, and history of the region. For centuries it served not only as a trade route for wood, wine, and grain, but also as a source of power for mills and a strategic waterway during wars and religious persecution. For the Huguenots, the Dordogne was also a path to freedom. It was along this river that our ancestor Lucas Bouyssavy ultimately made his way to a new life in the Netherlands, beginning the story of the Boissevain family.

Op zoek naar de oorsprong van de familie Boissevain

Deze keer reizen we niet naar de Provence, maar gaan we op zoek naar de oorsprong van onze familie. We vertrekken richting het zonnige zuiden. Via een landelijke route met talloze rotondes rijden we naar de Dordogne, de streek waar onze familie Boissevain haar oorsprong vindt. Onderweg lunchen we in een dorpscafé in Verteillac. Het driegangendiner is uitstekend en vriendelijk geprijsd, al blijkt bij het pinnen tot onze verrassing het dubbele bedrag te zijn afgeschreven. In Bergerac aangekomen vinden we in ons hotel een plek in de garage voor de auto. De ramen en deuren moeten ’s avonds gesloten blijven: na tien uur wordt de stad met gif besproeid om de tijgermug te bestrijden.

Bergerac

Het oude centrum van Bergerac blijkt een juweel: prachtig gerestaureerd, schoon en levendig. We laten ons verleiden tot een wijnproeverij van Merlot en Cabernet Sauvignon. De eerste wijn smaakt zuur, de volgende is rijk aan tannine. We wandelen langs de rivier, de Office du Tourisme, de protestantse kerk, de Église Saint-Jacques en het standbeeld van Cyrano de Bergerac. Hoewel een specifieke Hugenotenroute ontbreekt, verwijzen talrijke plaquettes en straatnamen naar de periode van protestantse vervolging. We besluiten vroeg terug te keren naar het hotel, zodat er voor de volgende dag nog iets te ontdekken overblijft. Onderweg reserveren we een restaurant en genieten ’s avonds van de plaatselijke specialiteit: confit de canard.

De volgende ochtend verdiepen we ons in de geschiedenis van Bergerac. In 1681 bestond hier nog zestig procent van de bevolking uit Hugenoten. De welvarende protestantse gemeenschap kon zich een fraaie tempel en drie predikanten veroorloven. Maar vanaf 1682 stuurde de Franse kroon soldaten om de protestanten met geweld tot bekering te dwingen: de beruchte dragonnades. De grote tempel werd datzelfde jaar verwoest, samenkomsten moesten clandestien plaatsvinden en met het Edict van Fontainebleau in 1685 werd het protestantisme volledig verboden. Predikanten werden verjaagd, kinderen verplicht katholiek gedoopt en honderden Hugenoten vluchtten naar Nederland, Engeland, Duitsland en Zwitserland. Onder hen onze stamvader Lucas Bouyssavy, die als 25-jarige naar Bordeaux vluchtte en rond 1691 in Amsterdam aankwam, waar hij in 1705 stierf.

Wij keren terug naar zijn oorsprong, maar vinden in Bergerac zelf geen tastbare sporen van de familie. De molen Bellegarde, ooit gepacht door Lucas’ neef Isaac, is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor een parkeergarage. Iets verderop is Moulin de Piles nog zichtbaar als archeologische site, met fundamenten en kanalen die herinneren aan de vele watermolens die hier vanaf de middeleeuwen door een aftakking van de Caudeau werden aangedreven. Ooit maalden zij graan en leverden later zelfs elektriciteit, maar de industrialisering maakte hen uiteindelijk overbodig.

Na een lunch op het fraaie Place de la Mirpe bezoeken we de protestantse tempel, gevestigd in een voormalig klooster en ingewijd in 1792. Het Edict van Tolerantie en de Franse Revolutie maakten het toen eindelijk weer mogelijk om een officiële protestantse kerk te stichten, ruim een eeuw na de herroeping van het Edict van Nantes. We steken de Dordogne over naar de wijk waar voorvader Lucas en Lucas’ broer Jean ooit woonden, nabij Place de la Madeleine. We besluiten de dag met een bezoek aan het Musée du Tabac. De Hugenoten waren hier ooit pioniers in de tabaksindustrie. Hun vertrek verspreidde deze kennis door heel Europa.

Couze

We verlaten Bergerac en volgen de rivier naar Couze en Lalinde, waar eveneens familiegeschiedenis ligt. Stamvader Lucas woonde in Couze, bezat er een huis en een wijngaard. Vandaag zien we geen wijngaarden meer, alleen verdorde maïsvelden. Couze is een langgerekt dorp met een heuvel vol verwaarloosde woningen. Vanaf de top hebben we mooi zicht op een oude watermolen, onderdeel van een reeks papiermolens die hier sinds de late middeleeuwen actief waren. Op het hoogtepunt, in de 18e en 19e eeuw, telde de rivier de Couze dertien papiermolens en was het dorp een belangrijk centrum voor handgemaakt papier. Bij de plaatselijke bakker drinken we koffie op het terras, waar iedere voorbijganger ons vriendelijk groet. Daarna bezoeken we de gerestaureerde Moulin à Papier de la Rouzique, die sinds 1530 in gebruik is en nu als museum een beeld geeft van de waterkrachtgedreven papierproductie.

Lalinde

Daarna rijden we naar Lalinde aan de overkant van de Dordogne, een gezellig dorp met kerk, markt en groot terras. Op het kerkhof speuren we naar mogelijke familiegraven. Onze voorvaderen droegen hier de naam Bouyssavy, die in Nederland werd verbasterd tot Boissevain. We vinden geen oude grafstenen, maar wel de naam Bossavit. De klank en geografische nabijheid suggereren een verwantschap, al ontbreekt sluitend bewijs. Bouyssavy is al in de vijftiende eeuw gedocumenteerd, onder meer in Périgueux in 1445. Toen Lucas in 1691 naar Nederland vertrok, werd zijn naam fonetisch vastgelegd als Boissevain. De naam Bossavit duikt pas in de late achttiende eeuw op, maar Bouyssavy bleef tot in de twintigste eeuw in gebruik. Alles wijst op een gemeenschappelijke oorsprong.

Sarlat-la-Canéda

Vanuit Lalinde rijden we door naar Sarlat, waar een demonstratie tegen overheidsbezuinigingen ons dwingt de auto aan de rand van het centrum te parkeren. We lopen een stukje mee met de vreedzame stoet en betrekken daarna ons appartement in het historische hart van de stad en raken daarna de sleutel kwijt. Dankzij een behulpzame galeriehouder krijgen we een reservesleutel.

Sarlat-la-Canéda, waar we de nacht doorbrengen, is een van de best bewaarde middeleeuwse steden van Frankrijk. De stad groeide in de middeleeuwen uit tot een welvarend handels- en bestuurscentrum en verviel later, maar werd in de 20e eeuw schitterend gerestaureerd. Tegenwoordig is het een gastronomisch paradijs, met restaurants en winkels vol delicatessen als ganzenlever, truffels en walnoten.

Château de Beynac

De volgende dag bezoeken we het imposante Château de Beynac, hoog op een kalkstenen rots bijna 150 meter boven de rivier. Vanaf de 11e eeuw werd dit kasteel voortdurend uitgebreid en speelde het een sleutelrol in de controle over de Dordognevallei. Het herinnert aan Richard Leeuwenhart, de Honderdjarige Oorlog en de machtige heren van Beynac. Vanuit de donjon hebben we een adembenemend uitzicht over de rivier, die eeuwenlang de levensader van de regio vormde.

Gastronomie van de Périgord

‘s Avonds genieten we nog één keer van de gastronomie van de Périgord. Op aanraden van de galeriehouder proeven we in het restaurant tegenover ons appartement alle lokale specialiteiten: foie gras, eend, truffels en notenproducten. Het is haute cuisine van het hoogste niveau. De volgende ochtend vullen marktkramen de middeleeuwse straatjes met geuren en kleuren van lokale producten.

Rivier de Dordogne

Daarna verlaten we de Dordogne en zetten koers naar de Auvergne, waar de rivier ontspringt in de Puy de Sancy. Tijdens onze reis langs Bergerac, Couze, Lalinde en Beynac wordt duidelijk hoe bepalend de Dordogne was voor het landschap, de economie en de geschiedenis van de streek. Eeuwenlang was de rivier niet alleen een handelsroute voor hout, wijn en graan, maar ook een bron van energie voor molens en een strategische waterweg in tijden van oorlog en geloofsvervolging. Voor vervolgde Hugenoten was de Dordogne bovendien een vluchtroute. Zo vond ook Lucas Bouyssavy, onze stamvader, via deze rivier uiteindelijk zijn weg naar een nieuw bestaan in Nederland en begon daarmee het verhaal van de familie Boissevain.

Eerste leden van golfclub ‘Hilversum en Omstreken’

Zittend van links naar rechts: Elisabeth Antonia ‘Li’ Boissevain (1864-1906) Cecilia Louise Boissevain (1875-1944), Anna Maria ‘Ann’ Boissevain (1872-1916), Maria ‘Sissy’ Blijdenstein (1876-1910) Jan Boissevain (1836-1904), Maria ‘Mia’ Boissevain (1878-1959), Willem Boissevain (1849-1925), Mevrouw Mathilde Boissevain-de Geer (1867-1945), (onbekend; misschien Herman Adriaan van den Wall Bake), Petronella Johanna ‘Nella’ Boissevain (1873-1970), Helena Mensina ‘Heleen’ Boissevain (1867-1946).
Op de voorgrond: Walrave Boissevain (1876-1944) en Joachim Frederik de Beaufort (1876-1959).Zittend van links naar rechts: Elisabeth Antonia ‘Li’ Boissevain (1864-1906) Cecilia Louise Boissevain (1875-1944), Anna Maria ‘Ann’ Boissevain (1872-1916), Maria ‘Sissy’ Blijdenstein (1876-1910) Jan Boissevain (1836-1904), Maria ‘Mia’ Boissevain (1878-1959), Willem Boissevain (1849-1925), Mevrouw Mathilde Boissevain-de Geer (1867-1945), (onbekend; misschien Herman Adriaan van den Wall Bake), Petronella Johanna ‘Nella’ Boissevain (1873-1970), Helena Mensina ‘Heleen’ Boissevain (1867-1946).
Op de voorgrond: Walrave Boissevain (1876-1944) en Joachim Frederik de Beaufort (1876-1959).

Dat de geschiedenis van de Hilversumsche Golfclub verder teruggaat dan 1910 is inmiddels wel bekend. De vroegste meldingen dateren al van 1895, maar hoe de club er tijdens deze oudste geschiedenis precies heeft uitgezien is nog steeds een raadsel. Was het wel echt een club? Waren er leden? Werden er wedstrijden gespeeld? 

Door: Arnout Janmaat

Een stuk uit Het boek der sporten (1900) en enkele krantenberichten bewijzen de oudste geschiedenis van de club, maar vooral de beroemde foto van 1896 spreekt tot de verbeelding. Uit de jubileumboeken weten we de datum van de foto en de namen van twee personen die hierop staan afgebeeld: Willem Boissevain, de voorzitter ‘het ijverige bestuur’, en de uitstekende golfspeler Walrave Boissevain. (1) 

Het archief van de familie Boissevain in Stadsarchief Amsterdam leek een prima plaats om meer antwoorden te vinden op vragen over de vroege geschiedenis, maar helaas, in de archiefbescheiden van Willem Boissevain is vooral informatie over zijn financiële handel en wandel te vinden naast enkele familiefoto’s. (2) Nieuw onderzoek heeft echter wel nieuwe informatie over de beroemde eerste foto van de club opgeleverd.

Op 7 juni 1896, de datum van de foto, vond er op de golfclub ‘Hilversum en Omstreken’ een onderlinge handicap wedstrijd plaats, ‘uitgeschreven voor hare leden’. De eerste prijs werd gewonnen door J.C. Gülcher met 53 punten, gevolgd door mejuffrouw M. Bijdenstein en mevrouw Boissevain-de Geer. De ‘open match’ na afloop werd gewonnen door J.F. de Beaufort met 53 slagen, aldus een artikel uit het Algemeen Handelsblad van 8 juni 1896. Hij had 8 slagen meer nodig dan het baanrecord dat uit 1900 voor deze 1996 yards lange baan. (3) Met deze informatie, foto’s uit het archief van de familie boissevain en wat zoeken op internet zijn er nu al behoorlijk wat personen op de foto te identificeren. (4)

Winnaar Jan Cornelis Gülcher

Jan Cornelis Gülcher (1851-1933) bijvoorbeeld, de winnaar van de wedstrijd. Hij staat, geflankeerd door twee caddies, in het midden van de foto – een lichte hoed met zwarte band wat schuin op zijn hoofd en gehuld in een witte blouse met strik. Gülcher moet goed bekend zijn geweest met de nieuwe Engelse sporten die populair werden onder ‘moderne’ families. (5) Hij doorliep de jongens kostschool Noorthey, waar Engelse sporten werden onderwezen. Later werd hij samen met zijn broer eigenaar van de plantage ‘Rust en Werk’ in Suriname. 

Gülcher was op het moment van de foto tevens grondeigenaar en wethouder van Hilversum, twee jaar later zou hij de burgemeester worden. Hij was getrouwd met de Ierse Amelia Denny. Op zijn landgoed ‘Hooge Dreuvik’ had Gülcher twee gras tennisbanen laten aanleggen. (6) Opvallend is dat Gülcher in de gemeenteraad ijverde hij voor het verlenen van een vergunning aan de golfclub voor het huren van het terrein van Stad en Lande, hetgeen ook gebeurde. De club speelde al op het ‘gedeelte heide achter de gasfabriek’ waar John Duncan Dunn de baan had uitgezet en daar werd nu ook een vergunning voor verleend. (7)

‘Mejuffrouw M. Blijdenstein’, de winnares van de tweede prijs, is Maria Catharina Johanna Blijdenstein (1876-1910), een bekende tennisspeelster uit Hilversum. Zij was de dochter van Benjamin Willem Blijdenstein, oprichter en directeur van de Twentsche Bank en een fervent sportliefhebber. Hij was de eerste die een betonnen tennisbaan op zijn landgoed ‘Vogelenzang’ liet aanleggen. Zoon Herman was één van de oprichters van de Hilversumsche Footballclub ‘t Gooi en, samen met Gülcher en Van Lennep, van de Hilversumsche Lawntennisclub in 1895. Maria dubbelde vaak met een broer of zus, die haar ook op de golfbaan vergezelden. Walrave Boissevain was kind aan huis bij de familie Blijdenstein. Maria Blijdenstein trouwde in 1898 met Walrave Boissevain. (8)

Joachim Ferdinand de Beaufort, winnaar open match

De winnaar van de open match op 7 juni 1896 was Joachim Ferdinand de Beaufort (1876-1959), neefje van Tweede Kamerlid en later minister van Buitenlandse Zaken Willem Hendrik de Beaufort. Joachim was een goede vriend van Walrave Boissevain, speelde golf met hem en samen jaagden ze ook. De Beaufort was een bankier, werkzaam bij Van Eeghen en Co. en later directeur van De Nederlandse Bank. Op de foto zit Joachim, met golfstok om zijn schenen geklemd, naast zijn vriend Walrave. (9)

Mevrouw Boissevain-De Geer, nummer drie van de wedstrijd, was Mathilde Margaretha Cornelia de Geer, tweede vrouw van Willem Boissevain. Zij was de dochter van de invloedrijk hoogleraar Barthold Baron de Geer van Jutphaas. Willem Boissevain trouwde eerder in Londen met Cecilia Henriette Catherine Nugent, dochter van een Ierse Markies. Het is dus niet ondenkbaar dat Willem, die zelf half Engels was, het spel in Engeland gezien heeft en dit vervolgens met familie en vrienden in zijn eigen woonplaats wilde spelen. De Van Brienens en Del Courts waren hem op die manier voor gegaan en de rest is geschiedenis.

De andere personen op de foto zijn voor het merendeel afkomstig van de familie Boissevain. Het is moeilijk om ze allemaal exact te identificeren, maar onderstaande lijkt een veilige inschatting.

Voetnoten

1 A.A. Del Court van Krimpen, ‘Golf’ in: Feith, J., Het boek der sporten (1900) 120.

2 Stadsarchief Amsterdam, toegangsnummer 394: archief van de familie Boissevain en aanverwante families, inventarisnummers 562-587.

3 A.A. Del Court, ‘Golf’, 120.

Algemeen Handelsblad, 8 juni 1896.

5 J. Luitzen en P. Delheye, ‘The reintroduction of  cricket in the netherlands’, The international journal of the history of sport (2014).

6 Adriaan Plomp, ‘B.W. Blijdenstein, bankier, filantroop en schaker’, HHT-EP (2004) 26.

De Gooi en Eemlander, 20 juni, 27 juni en 11 juli 1896. A.A. Del Court, ‘Golf’, 120.

8 A. Plomp, ‘B.W. Blijdenstein, bankier, filantroop en schaker’, HHT-EP (2004) 26.

9 Walrave Boissevain, Mijn leven (1950) 65, 112, 219.

Arnout Janmaat is archivaris van de NGF-commissie Erfgoed en heeft artikelen geschreven voor verschillende clubbladen. 

Bron: GOLF.NL

De Clercq en Boissevain

Door drie huwelijken zijn de families De Clercq en Boissevain aan elkaar verbonden. Eerst trouwden twee broers met twee zusters:

  • Willem de Clercq (1795-1844) x Caroline Charlotte Boissevain (1799-1879)
  • Stephanus (1805-1866) x Charlotte Jeanne Sophie Boissevain

Beide zijn dochters van Daniel Boissevain (1772-1834).

Twee generaties later trouwde een kleinzoon van Willem met een van zijn achternichten:
Gideon Stephanus de Clercq (1862-1942) x Caroline Auguste Antoinette Sophie (‘Carry’) Boissevain, dochter van Gideon Maria Boissevain.

Daarnaast zijn er nog meer lijnen van verwantschap:

  • Gideon Jeremie Boissevain (1796-1875) hertrouwde in 1830 met Maria van Heukelom, dochter van Walrave van Heukelom en Maria de Clercq.
  • Adriaan Gildemeester (1828-1901), de echtgenoot van Marguerite Caroline de Clercq, was zoon van Hendrik Daniel Gildemeester en Jeanne Marie Boissevain
  • Suzanna Kruseman (1830-1906), de vrouw van Stephanus de Clercq, had een broer Hendrik
  • Lambertus Kruseman (1831-1871, die trouwde met Annette Jeanne Henriette Boissevain

Het huwelijk van Willem de Clercq met Caroline Charlotte Boissevain in 1818 was in de familie het eerste in zeer lange tijd, dat werd gesloten buiten de vertrouwde coterie van vooraanstaande doopsgezinde geslachten. De Boissevains waren lidmaten van de Waals hervormde gemeente.

Willem de Clercq (1795-1844) was medefirmant van de familiefirma S. & P. de Clercq, makelaars in granen. Deze werd in 1800 nog gerekend tot de vier belangrijkste Amsterdamse huizen, handelend op de Oostzee. In 1824 trok hij zich uit de inmiddels zieltogende firma terug. Door koning Willem I werd hij aangesteld tot secretaris van de Nederlandsche Handel Maatschappij, waarvan hij later directeur-secretaris werd. Ook in andere zin brak Willem met een familietraditie: in 1831 verliet hij de doopsgezinde gemeenschap, waarvan zijn voorouders zo lang vooraanstaande lidmaten waren geweest. Hij sloot zich aan bij de Waalse gemeente, die deel uitmaakte van de Nederlandse Hervormde Kerk, en werd voorman van de christelijke Réveilbeweging.

De familie Boissevain stamt af van Lucas Bouyssavy, een wijnboer uit het Franse Bergerac, die vanwege zijn protestantse geloof zijn land ontvluchtte en zich in 1687 in Amsterdam vestigde. Rond 1700 noemde hij zich Boissevain. Lucas moest aanvankelijk nog een beroep doen op de diaconie van de Waalse kerk, maar zijn nakomelingen behoorden ruim een eeuw later tot de gegoeden van Amsterdam. De vader van Caroline Charlotte en Charlotte Jeanne Sophie, Daniel Boissevain (1772-1834), handelde in onder meer Franse, Duitse en koloniale goederen. Hun broer Gideon Jeremie (1796-1875) verlegde het accent naar de handelsvaart en assurantie. Zijn zoon Jan (1836-1904) richtte zich op de stoomvaart. Een bekend lid van de familie is Charles Boissevain (1842-1927), die van 1887 tot 1908 hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad was. Gideon Maria Boissevain (1837-1925) was een vooraanstaande bankier en economist. Walrave Boissevain (1876-1944) heeft naam gemaakt als liberaal lid van de Tweede Kamer en als lid van de gemeenteraad.

Bron: website van de familie de Clercq

Edna St.Vincent Boissevain-Millay: American poet and playwright

Edna St Vincent Boissevain-Millay was born in Rockland, Maine on 22nd February, 1892. Cora St Vincent Millay raised Edna and her three sisters on her own after her husband left the family home. When Edna was twenty her poem, Renascence , was published in The Lyric Year . A wealthy woman named Caroline B. Dow heard Millay reciting her poetry and offered to pay for Millay’s education at Vassar College.

In 1917, the year of her graduation, Millay published her first book, Renascence and Other Poems. After leaving Vassar she moved to Greenwich Village where she befriended writers such as Floyd DellJohn Reed and Max Eastman. The three men were all involved in the left-wing journal, The Masses, and she joined in their campaign against USA involvement in the First World War.

Millay also joined the Provincetown Theatre Group. A shack at the end of the fisherman’s wharf at the seaport of Provincetown was turned into a theatre. Millay was considered a great success as Annabelle in Floyd Dell’s The Angel Intrudes. In 1918 Millay directed and took the lead in her own play, The Princess Marries the Page. Later she directed her morality play, Two Slatterns and the King at Provincetown.

In 1920 Millay published a new volume of poems, A Few Figs from Thistles. This created considerable controversy as the poems dealt with issues such as female sexuality and feminism. Her next volume of poems, The Harp Weaver (1923), was awarded the Pulitzer Prize for Poety. The writer, Dorothy Parker wrote: “Like everybody else was then, I was following in the footsteps of Edna St Vincent Millay, unhappily in my own horrible sneakers…. We were all being dashing and gallant, declaring that we weren’t virgins, whether we were or not. Beautiful as she was, Miss Millay did a great deal of harm with her double-burning candles. She made poetry seem so easy that we could all do it. But, of course, we couldn’t.”

Floyd Dell recalls how he was attending a party at the home of Dudley Field Malone and Doris Stevens, when he saw Edna meet Eugen Jan Boissevain, the widower of Inez Milholland: “We were all playing charades at Dudley Malone’s and Doris Stevens’s house. Edna Millay was just back from a year in Europe. Eugene and Edna had the part of two lovers in a delicious farcical invention, at once Rabelaisian and romantic. They acted their parts wonderfully-so remarkably, indeed, that it was apparent to us all that it wasn’t just acting. We were having the unusual privilege of seeing a man and a girl fall in love with each other violently and in public, and telling each other so, and doing it very beautifully.”

The couple married in 1923. They lived at a farmhouse they named Steepletop, near Austerlitz. Both were believers in free-love and it was agreed they should have an open marriage. Boissevain managed Millay’s literary career and this included the highly popular readings of her work. In his autobiography, Homecoming (1933), Floyd Dell commented that he had “never heard poetry read so beautifully”.

In 1927 she joined with other radicals in the campaign against the proposed execution of Nicola Sacco and Bartolomeo Vanzetti. The day before the execution Millay was arrested at a demonstration in Boston for “sauntering and loitering” and carrying the placard “If These Men Are Executed, Justice is Dead in Massachusetts”.

Later Millay was to write several poems about the the Sacco-Vanzetti Case. The most famous of these was Justice Denied in Massachusetts . Her next volume of poems, The Buck and the Snow (1928) included several others including Hangman’s Oak , The Anguish , Wine from These Grapes and To Those Without Pity. Floyd Dell, a long-term friend, said of her: “Edna St. Vincent Millay was a person of such many-sided charm that to know her was to have a tremendous enrichment of one’s life, and new horizons… Edna Millay was to become a lover’s poet. But with some of her poems she was also to give dignity and sweetness to those passionate friendships between girls in adolescence, where they stand terrified at the bogeys which haunt the realm of grown-up man-and-woman love, and turn back for a while to linger in the enchanted garden of childhood. She had a gift for friendship. People try to draw a distinction between friendship and love; but friendship had for her all the candor and fearlessness of love, as love had for her the gaiety and generosity of friendship.”

In 1931 Millay published, Fatal Interview (1931) a volume of 52 sonnets in celebration of a recent love affair. Edmund Wilson claimed the book contained some of the greatest poems of the 20th century. Others were more critical preferring the more political material that had appeared in The Buck and the Snow.

In 1934 Arthur Ficke, asked Edna St. Vincent Boissevain-Millay to write down the “five requisites for the happiness of the human race”. She replied: ” A job – something at which you must work for a few hours every day; An assurance that you will have at least one meal a day for at least the next week; An opportunity to visit all the countries of the world, to acquaint yourself with the customs and their culture; Freedom in religion, or freedom from all religions, as you prefer; An assurance that no door is closed to you, – that you may climb as high as you can build your ladder.”

Millay’s next volume of poems, Wine From These Grapes (1934) included the remarkable Conscientious Objector , a poem that expressed her strong views on pacifism. Huntsman, What Quarry? (1939) also dealt with political issues such as the Spanish Civil War and the growth of fascism.

During the Second World War Millay abandoned her pacifists views and wrote patriotic poems such as Not to be Spattered by His Blood (1941), Murder at Lidice (1942) and Poem and Prayer for the volume entitled Invading Army (1944).

Eugen Jan Boissevain died in Boston on 29th August, 1949 of lung cancer. Edna St Vincent Boissevain-Millay was found dead at the bottom of the stairs in Steepletop on 19th October 1950.

By John Simkin (john@spartacus-educational.com) free content published by Spartacus Educational