De Amsterdamse koopman

Hoe Daniel Boissevain (1772-1834) de napoleontische tijd doorstond

In 1906 publiceerde Charles Boissevain, journalist en eigenaar van het Algemeen Handelsblad, een familiegeschiedenis onder de titel ‘Onze Voortrekkers’. Daarin nam hij het dagboek over van zijn grootvader Daniël Boissevain, koopman en mede-oprichter van de firma Retemeyer & Boissevain. Wat die dagboekbladzijden onthullen, is een portret van een man die midden in een van de meest turbulente periodes van de Europese geschiedenis gewoon zijn beurs bezocht, met zijn vrouw naar het theater ging en ’s avonds met zijn kinderen spekpannenkoeken at.

Een koopman in napoleontisch Amsterdam

Het jaar 1812. Napoleon trekt met een half miljoen man Rusland in. Maar in het dagboek van Daniël Boissevain klinkt dat nieuws aanvankelijk als verre donder. Hij is bezig met het huren van een huis, het regelen van een vervanger voor zijn schoonzoon Jan Retemeyer die dreigt te worden opgeroepen voor militaire dienst en het organiseren van een dansfeestje voor zijn kinderen, waarvoor hij zelfs toestemming nodig heeft van de commissaris van politie.

Op vrijdag 28 februari 1812 noteert hij droogjes: “Na Beurstijd bij Comm. van politie moeten vragen om permissie of wij morgen een Danspartijtje voor de kinderen mochten hebben!” Een zin die het klimaat van bezetting onthult beter dan elke geschiedenisles: ‘zelfs het kinderdansen stond onder Fransch toezicht’.

Daniël Boissevain woont met zijn vrouw en zeven kinderen in Amsterdam, dat inmiddels onderdeel is van het Franse keizerrijk. Hij is rechter in het Tribunal de Commerce – een functie waartoe hij werd benoemd en die hij niet kon weigeren – en houdt zich dagelijks bezig met de handel in koloniale goederen: cacao, indigo, koffie, graan. De koersen van Russische obligaties lopen als een rode draad door zijn aantekeningen.

Russen flauw, maar de haas was lekker

Wat het dagboek van Daniël zo fascinerend maakt, is de manier waarop wereldgeschiedenis en huiselijke besognes naast elkaar staan, zonder rangorde. Op maandag 31 augustus 1812 schrijft hij: “De gepasseerden Nacht niet geslapen wegens zorg over die ellendige Papieren.” Die ‘papieren’ zijn Russische obligaties, die in waarde dalen naarmate Napoleons veldtocht escaleert. Maar dezelfde week eet hij lekkere spekpannenkoeken met de kinderen en neemt hij hen mee naar de kermis om de Sterke Jongen te zien.

De financiële druk is reëel en zwaar. In januari 1813 ontvangt hij het bericht dat handelshuizen waarmee zijn firma grote vorderingen heeft, hun betalingen opschorten. Op zaterdag 16 januari noteert hij: “Ongelukkige dag, die mij het hart zeer bekneld maakte. God sterke mij in deze omstandigheden. ’s Avonds thuis gebleven. Zeer melancoliek.” Het zijn de enige regels in het hele dagboek waarin zijn innerlijk even zichtbaar wordt.

Oranje boven! De bevrijding van 1813

In november 1813 verandert alles. De Fransen trekken zich terug. Op maandag 15 november schrijft Daniël dat hij ’s avonds Oranjeliedjes hoort zingen in de Hartestraat, en dat de huisjes van de douaniers in brand zijn gestoken. Hij gaat gekleed naar bed en slaapt op de boven voorkamer, voorzichtig als altijd. Twee weken later rijdt de Prins van Oranje zijn straat in.

Zijn kleinzoon Charles, die de dagboeken decennia later leest, beschrijft hoe zijn eigen vader de bevrijding beleefde: “Bij het eerste ‘Oranje boven!’ ontsprongen vreugdetranen aan onze oogen. Ik zie mijn lieven vader nog voor mij. Hoe aangedaan van vreugde was de waardige man.” Het zijn woorden die laten zien hoe diepe emoties bewaard blijven in de familie, van generatie op generatie.

De les van de houthakker

Charles Boissevain plaatst het dagboek van zijn grootvader in een breder historisch perspectief. Hij gebruikt een treffend beeld: zoals de houthakker die zich in het kreupelhout omhoogwerkt door de wenkbrauwen van een halfgod, zonder te weten welk gezicht hij beitelt. Zo beleefden de Amsterdamse kooplieden de napoleontische tijd van binnenuit, zonder de tragische contouren te zien die latere generaties zouden herkennen.

Charles verdedigt zijn grootvader ook tegen wie hem een gebrek aan vaderlandsliefde zou verwijten. Daniël Boissevain was geboren onder het stadhouderschap van Willem V, had de Bataafse Republiek zien uitroepen, de vloot bij Kamperduin zien verliezen en zijn land langzaam zien wegzinken tot Franse provincie. “Het was een langzaam stikken geweest in de politieke modder”, schrijft Charles en voor een koopman en vader van zeven kinderen was openlijk verzet synoniem met verraad.

De gewoonten van een koopman

Na de bevrijding gaat Daniël Boissevain aan het werk om zijn zaak te hervormen. Hij ziet kansen in de Nederlandsche Bank en de Nederlandsche Handel Maatschappij. Zijn zoon, Charles’ vader Gideon Jeremie (1796-1875), richt een rederij op met schoeners op de Levant en barkschepen voor de grote vaart.

De wijsheid die Daniël zijn kleinkinderen naliet, vatte zijn zoon samen op een groot vel papier, dat hij Charles meegaf toen die als jongeman even overwoog koopman te worden. Charles citeerde het in volle omvang, als een testament van de familie: “Eene heilige eerbied voor de grondbeginselen der rechtvaardigheid moet de grondzuil van iedere zaak zijn. Hij breidt zijne zaken niet boven zijn vermogen uit. Hij verkiest een klein winstje met weinig gevaar boven de kans van grootere winst met meer gevaar.”

En Charles voegt er met zichtbare genegenheid aan toe: “Dit is niet de manier om spoedig rijk te worden, maar wel om ieder’s eerbied en een gerusten ouderdom te winnen” aldus zijn vader.

Een familieroman in dagboekvorm

Voor Charles Boissevain was het dagboek van zijn grootvader meer dan historisch document: het was een spiegel van familiaire waarden en een bron van troost. “Voor mij, zijn kleinzoon, is alles wat grootvader dag aan dag optekende, boeiend als een mooie familieroman” schrijft hij. Het verhaal toont hoe gewone mensen grote tijden overleven: met zorg, geduld, liefde voor hun gezin en een scherp oog voor de koers van de Russische obligaties.

Daniël Boissevain overleed in 1834. Zijn kleinzoon Charles stierf in 1927, na 41 jaar journalistiek bij het Algemeen Handelsblad. Drie generaties en drie tijdperken, maar in hun brieven en dagboeken klinkt dezelfde stem: nuchter, standvastig en diep gehecht aan huis en haard.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.