
Het boek van mijn zuster Josine “Het ergste is dat je niet weet wat er met je gebeurt” vertelt het aangrijpende verhaal van de gevangenschap van onze vader tijdens de Tweede Wereldoorlog en laat zien hoe groot de rol van Nederlandse samenwerking met de Duitse bezetter was. De rode draad is dat hij niet door Duitsers, maar door landgenoten werd verraden, gearresteerd, berecht en bewaakt.
Op 22 december 1942 werd onze vader gearresteerd, nadat hij was verraden door een Nederlandse collaborateur binnen de gemeentelijke organisatie. De officiële aanklacht betrof overtreding van de distributieregels. Hij werkte bij de Distributiedienst en had bonnen achterovergedrukt om mensen in nood te helpen. Hoewel hij betrokken was bij verzetsactiviteiten, werd hij formeel beschuldigd van diefstal, wat een lichtere straf opleverde dan verzetswerk, waarvoor deportatie of de doodstraf kon volgen.
Tijdens zijn gevangenschap veranderde de juridische basis van zijn arrestatie meerdere keren. Eerst werd verwezen naar een niet-bestaande regeling, later naar de Distributiewet van 1939 en uiteindelijk naar het Economisch Sanctiebesluit van 1941. Deze wisselende aanklachten laten zien hoe willekeurig en onrechtvaardig het systeem functioneerde. Pas na drie maanden kreeg hij te maken met een officier van justitie, die zijn hechtenis verlengde. Dat was voor hem een grote teleurstelling, omdat hij op vrijlating had gehoopt.
Het zwaarste aan zijn gevangenschap vond hij niet alleen de opsluiting, maar vooral de onzekerheid. In zijn eerste smokkelbriefje schreef hij: “het ergste is dat je niet weet wat er met je gebeurt”. Hij hoorde over andere gevangenen die werden afgevoerd naar kampen of geëxecuteerd, vooral in het Oranjehotel. Omdat hij niet wist waarvan hij uiteindelijk beschuldigd zou worden, leefde hij maandenlang in angst.
Na zijn arrestatie zat hij eerst in een politiecel in Den Haag. In februari 1943 werd hij overgebracht naar het Oranjehotel, waar de Duitse politie hem vasthield. Daarna volgden meerdere overplaatsingen binnen verschillende gevangenissen. Pas in mei 1943 werd zijn straf officieel vastgesteld: zes maanden hechtenis. Dankzij aftrek van zijn voorarrest en de inspanningen van zijn ouders en advocaat kwam hij op 20 juni 1943 vrij.
Tijdens zijn gevangenschap schreef hij veertien brieven naar huis, waarop zijn familie trouw antwoordde. Deze brieven, zorgvuldig bewaard door zijn moeder, vormen samen met andere documenten de basis voor het boek. Ze geven een persoonlijk en indringend beeld van zijn angst, hoop en doorzettingsvermogen.
Met dit boek willen wij het verhaal van onze vader doorgeven aan volgende generaties. Het laat zien hoe kwetsbaar vrijheid is en hoe diep de samenwerking van Nederlanders met de bezetter ingreep in het leven van gewone mensen. Tegelijk waarschuwt het dat de omstandigheden van toen niet zo ver weg zijn als we soms denken, en dat herinneren en doorvertellen noodzakelijk blijft.
